Nu, dàt vind ik ook.
Groote verandering in de familie. Wouter's benoeming tot
lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als
behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.
Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de
Pietersens verhuisden op eenmaal naar 'n "fatsoenlyker" buurt, en de
jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze
waren "op naaien geweest." Zulke dingen hooren by erfenissen, of by
verhuizen "met verbetering." En er waren nog andere blyken. Leentje
werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord "gezeid" te
veranderen in: "gezegd" want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de
"de mevrouw van hier-naast" zoo conjugeerde. Dus zou 't wel goed
wezen. En Stoffel zei, dat hy 't al lang geweten had:
--Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. 't Is _pla_,
moeder. Denkt uwe maar om _plaats_...
--Remplaats...
--Né moeder, _pla ... plas_...
Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten
letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar
't zou moeielyk wezen, want er was juist "zoo'n gedoe over de militie"
en ze vertelde gaarne: "hoe ze heel goed in-staat was haar zoon
te rempl...
--Né, moeder, _uwe_ remplaceert Laurens niet...
--Och wat 'n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast
gezeid heeft...
--_Gezegd_, moeder.
--Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: _gezegd_. Onthou 't
nou, en laat ik 't nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.
Wouter had 'n jasje gekregen, met 'n kraagje zoo-als nu palfreniers
dragen. De _garricks_ hadden afgedaan, en _cloaks_ waren er nog
niet. 't Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt
men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote
sprongen doen. En 't spreekt vanzelf, dat nu 't buisje boven den broek
was geraakt. "'t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen
gezegd, voor 'n jongen die al rymen kon."
Want, dat Wouter _rymen_ kon, vertelde men aan ieder die 't hooren
wou. Eigenlyk was 't nog-al valsch, roem te oogsten van 'n feit dat
zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die 't verrichtte. Dit
bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men
wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten
verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.
Het huis Pieterse handelde hierin als veel _natiën_ gewoon
zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te
verheffen op deugd of genie--och, ook dàt is één--van mannen die
men wreed en dom pennewipte toen ze "er by waren" dat is: zoolang
die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn,
wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet
tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van 't denkbeeld dat hy
zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet
ware bewaard gebleven door z'n "kinderachtigheid." Stoffel namelyk
trok den neus op voor 't jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor
z'n griften, met 'n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had
gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden,
by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder
fluisteren gevraagd: "wat het was?" Nu... "zoo'n groote jongen moest
toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden."
Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter's hart, en ook
de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd
haar gelaat toonen in de sterren, om 't kind aan z'n liefde te
herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan
door dat onuitsprekelyk verlangen _naar het goede_... dan nog bestond
Wouters's aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in
't onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds
in z'n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te
scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische
of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den
grooten droom dien 't kind droomde, was verwarring tusschen zyn en
niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden
hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne
fantazie die trouwens evenzeer _werkelykheid_ was. De kleuren der
teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken,
na vergeefsch pogen om helder te zien in z'n eigen hart, voelde hy
iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou
hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in,
en onmachtig verdriet. Maar daar 't hem ontbrak aan de handigheid
om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen,
en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z'n gevoel.
Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig
dat z'n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der
Gracht, met 'n soort van eerbied.
Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder
dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van
z'n eigen hart.
Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. 't Was hem
een pure revelatie.
't Mensch "had aanstaande week 'n oom jarig." En ze legde een
staatsie-bezoek af by de Pietersen's om te vragen of Wouter een
"aardigheidje" wou maken voor die gelegenheid. Ze had er 'n ons
ulevellen voor over.
--Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig
moet wezen, en dat m'n oom 'n _weduwman_ is. Ziet u ... dat moet u
er in brengen. En ik wou 't graag hebben op de wys van psalm 103,
dan kan 't gezongen worden, want m'n oom heeft die psalm op 'n liertje.
De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo's
lier. Ze meende zoo'n draaiding dat 'n jingelend geluid geeft.
Jufvrouw Pieterse zou 't Wouter zeggen als-i van school kwam, maar
overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten,
dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. "Want, dat
haatte ze als de dood ... in 'n kind."
Ik ook, als 't ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik 't zeer
aftekeuren maar niet alleen in kinderen.
--Heb je je les gekend, Wouter?
--Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist
er maar negen.
--Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je
dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?
Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe
allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen? [15]
Wouter's eerste les in verzemakery, en z'n 1001e in
nederigheid. Belangryke ontmoeting van 'n waschvrouw en haar
dochter. Onderricht in 't alleen zaligmakend geloof. Beminnen,
weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.
De opdracht om 'n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse
en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn
talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte
van genoegen, by de ontdekking dat men hem "voor iets aanzag." Hy
had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit _iets_
worden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die
z'n moeder en broêr in 't werk stelden, om hem te doen gelooven dat
de heele commissie eigenlyk een straf was voor z'n onkunde in de
namen van bergen. "Ja," zei Stoffel:
--Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest
... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en
staande regels...
--Hè? vroeg Wouter.
--Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je
dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo!
En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar 't lukte niet.
--Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter: _hoog, omhoog, het
hart naar boven_... dat 's liggend, zieje, En: _hier beneden is het
niet_... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...
--Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.
--Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang
wezen.
--En je krygt ulevellen... en als je 'r niet meê terecht kunt, zei
de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel.
--Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, 't is heel makkelyk...
Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei,
en schreef er op. Maar mooi was 't niet. Ook kon-i maar niet verder
komen dan: _Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar..._
Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden
slee op z'n grift, en 't grift tot gruis... maar ach, 't ging niet. Hy
was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft,
want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide:
"dat er van dien jongen nooit iets komen zou."
Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staande regels
waren? En daar zy 't ook niet wist, besloot hy "morgen eens weêr te
probeeren. Misschien zou 't dan beter gaan." Dit vond Leentje ook.
--My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert
voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je 't kon ... en de
man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet.
Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter
te schreien.
--Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen
tot een meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker
iets verloren.
--Heb je wat verloren, jonge-heer?
Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat
herkende. 't Deed hem denken aan Fancy.
--O, nu is alles goed ... nu _gy_ daar zyt! Ik heb zoo naar u
verlangd...
--Naar my, jonge-heer?
--Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik
het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe
ik m'n vers moet maken.
Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op 't gras,
keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te
weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.
--Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.
En daarop haalde ze uit 'n klein huisjen in de buurt, wat water dat
ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen
dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het
voorkomen en in de wyze van doen van 't meisje, dat hy zich tot
haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde
haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy,
dat al veel was.
Femke wees Wouter 'n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te
vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed
hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar "bleek."
--Misschien kan _ik_ je wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder,
want m'n man heeft 'n aangetrouwden neef die wewenaar is...
--Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen.
--Precies, jonge-heer. Och, 't is 'n heele historie. Z'n vrouw was
m'n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof
goed ... leg 'n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien
ze weg ... ja, jonge-heer, 't is 'n heel ding met zoo'n bleek, je heb
'r geen begrip van, zoo 'n ding als 't is ... nu, ze onderhield haar
godsdienst, en daar deed ze goed aan, want--dat zal je ook wel weten,
jonge-heer--als 'n mensch z'n godsdienst niet doet, is er niet veel
aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in
de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat 't allemaal gekheid
was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... 't was
pater Jansen die 'r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy
loopt altyd met zoo'n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond...
De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op 't omgekeerd
korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy
luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die
vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens
aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.
--Nu, 't was pater Jansen die 'r bediende. En toen m'n mans neef
dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op
... ja, toen-i zag dat 'n mensch toch niet sterft als 'n stom beest,
toen had-i 'r weet van, en naderhand heeft-i z'n paschen gehouden net
als 'n ander ... en toen-i verleden jaar z'n been brak, want hy is
schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van
de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook 'n wéwenaar
in m'n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer,
want ik heb 't noodig.
Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen
in 't gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een
ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te
roepen als 'r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.
--Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.
--O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal
te-pas brengen in m'n vers.
Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op 't denkbeeld komen,
dat Wouter moed noodig had om z'n gebrek aan begrip te erkennen. We
zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin
berusten. En 't gedurig waarnemen van die berusting in anderen,
maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen
te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en
hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair
wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich
verheugde over _algemeene_ toejuiching, den indruk onderzoeken dien
z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren,
dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand,
en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat
gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle
anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van
naam, hebben daaraan hun roem te danken.
Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z'n
vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.
--Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regels even
lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft
m'n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.
Femke peinsde, en op-eens:
--Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.
--Ach neen...
--Nu, 't doet er niet toe, riep ze, 't hollandsch staat er naast
... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?
Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.
Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in
't diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe
daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden
onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had
'n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de
bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen
tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z'n
dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de
ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf
ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide
op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr--voor 't eerst in
langen tyd--dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt
had. Z'n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen
vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel,
van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.
--O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus
op de lippen!
Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest,
hy had lust in ongelyken stryd.
En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep
hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in 't bezit
van de _rouerie_ die de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy
voelde Wouter's ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die
ridderlykheid beloonen kon.
--Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met
beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op 'n wyze alsof ze
't meer gedaan had. Wat toch niet waar was.
--En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien
zal 't je helpen voor je tante...
--Ze is m'n tante niet, antwoordde Wouter, maar 't boekje wil ik
wel zien.
Hy legde 't op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke,
grooter dan hy, had den arm om z'n hals geslagen, en wees hem met de
andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery!
--Zie, die regels zyn even lang, zei 't meisje.
--Ach ja ... maar ze rymen niet.
En Wouter las:
Allerreinste moeder,
Allerzuiverste moeder,
Ongeschonden moeder,
Onbevlekte moeder,
Machtige maagd,
Goedertierene maagd,
Getrouwe maagd,
Geestelyk vat,
Eerwaardig vat,
Schoon vat van devotie,
Geestelyke roos,
Toren van David,
Ivoren toren,
Deur des hemels...
--Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er
niets van.
Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert
vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd
tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter's
onnoozelheid _in morâ_ gesteld werd, reden te geven van haar geloof,
bemerkte zy voor 't eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde
schaamte hierover, en sloeg 't boekje dicht.
--Maar _ken_ je dan 't geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider
domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.
--Zóó niet, zei Wouter. Ik heb 't anders geleerd.
--Maar je gelooft toch aan Jezus?
--O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en
torens. Hoort dat by 't geloof?
--Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.
--Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.
--En 't vagevuur?
--Daar weet ik niet van.
--En de biecht?
--Gut né...
--Maar hoe maak jelui 't dan?
--Hoe meenje dat, Femke?
--Wel ... om zalig te worden.
--Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel
te komen?
--Wel zeker. Daarom is 't te doen, en dat kan niet zonder de Heilige
Maagd, en zonder zoo'n boekje. Wilje dat ik je 't geloof leer,
Wouter? Dan komen we samen in den hemel.
Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:
--God schiep de wereld...
--Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?
--Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een
slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont
te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer
goed te maken ... dat is lang geleden...
--Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy
begon met nul by z'n geboorte.
Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan van den
ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van 't geloof,
al was het dan volgens Femke 't ware niet.
--Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed
bidt uit zoo'n boekje, dan word je zalig. Begryp je 't nu, Wouter?
--Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?
--Wel, dat is zoo'n benaming van de Heilige Maagd. 't Is by-voorbeeld
alsof je ... _pater_ tegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...
Femke zocht een voorbeeld.
...daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?
--Wel ... ik zeg: moeder.
--Juist. Maar hoe noemt haar een ander?
--Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.
--Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren
toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men
roept: _jufvrouw Pieterse!_ dan is het, dat ze luisteren zal, en
zoo wil _ivoren poort_ zeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet
doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is 't te doen.
--Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd?
Femke kleurde.
--Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...
--Ik? vroeg Wouter verbaasd.
--Wel neen, malle jongen ... 't moet een meisje wezen.
--Ben jy een maagd?
--Wel zeker...
Femke sprak de zuivere waarheid.
--Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben.
--Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje.
--Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom
heet ze _ivoren poort_. Begryp je 't nu, Wouter?
Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te
nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het
dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer
spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets
bedorven werd aan Femke's zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit,
dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van
de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze 't aan pastoor Jansen
vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.
Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met
dat meisje, dat geheimzinnige boekje, 't zaligworden, zyn gevecht met
de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan
't vers dat-i maken moest. En--zonderling!--ook scheen er verband
tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit
had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die
z'n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by 't kort
begrip van Femke's theologie. Hy zou _begrepen_ hebben dat haar
weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn onbestuurd _gevoel_
veranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel's
boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten,
ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond
niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden,
maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en
z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen.
Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze
vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich 't
_niet-zyn_ niet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen
doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn
ongeoefend denkvermogen stuitte op 'n onmogelykheid, of afdwaalde op
bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang,
om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ééne
onbekende: de oorzaak van het _zyn_.
--Meester Pennewip heeft 'n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy
... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook
de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die
oude heer Pennewip moet ook 'n vader gehad hebben ... en die weer
... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is de
_eerste_ Pennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben,
vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog
geen varken was?
En waar is 't eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of
't eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit?
En God? Toen hy aan 't scheppen ging, moest hy toch een wil gehad
hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er
niets van, en zou 't toch zoo graag willen weten.
Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht
is door alle wysgeeren. 't Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef
vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een _begin_ te denken. En
als veel anderen--ouder, maar niet veel wyzer dan hy--wanhoopte hy
niet. Eenmaal zou hy 't weten, dacht-i...
Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem
niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.
En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende
omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten
betalen als-of 't wysheid geweest ware.
Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust
ware geweest over den afloop van 't vers, dat nog altyd niet op stapel
stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste
oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van
Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die
zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een
lieve, lieve jongen...
--Zou _zy_ 't wezen ... Omikron? dacht hy.
Zoo droomde 't kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode
der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons
voortdryft, in ééne richting.
_Beminnen, weten, stryden_--alles saêmtevatten in: _beweging_--ziedaar
de zielkundige analyse van 't doel dat de jeugd aantrekt, en die
tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral
uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren
zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische.
De knaap _Wouter_, evenals 't kind: _Menschdom_, werd voortgedreven
door 'n driedubbele kracht, door behoefte aan _liefde_, aan
_wetenschap_ en aan _stryd_.
Als in de _genesis_-legende, en in het drama van Faust, moest ook de
weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht
die 'n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om
hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben. [16]
Waarheid in legende.
--Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over 't geloof?
Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr
by haar zat op 't omgekeerd mandje.
--Ja, maar ze zyn niet mooi.
--Ken je niet wat van-buiten?
Wouter zei 'n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade
vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i 't mooi opzei.
--Lees je niets anders?
Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van
Stoffel: _Werken van 't dichtlievend genootschap_... Ippel,
_Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de
brandwacht... Geschiedenis van Jozef, door_ Hulshoff ... _De brave
Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domine_
Hellendoorn... _Kathechismus van_ idem... Hoorn _liedeboek_...
Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by
Femke. Eindelyk:
--Ik weet wel iets, maar 't is niet van 't geloof... het is van
Glorioso...
Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak
hy afgebroken, en met al de _en toens_ die niet gemist kunnen worden
by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den
toestand van z'n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat
voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van
z'n korf, en bootste de daden van z'n held na, zoodat Femke er van
schrikte. Maar prettig vond ze 't toch, en toen hy eindelyk zweeg,
was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift
gevallen in haar hart, dat als 't zyne klopte van verrukking over al
't schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als
'r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke
oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar,
zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En 't fraaist was, dat er
uit Wouter's vertelling bleek hoe zuiver zoo'n italiaansche roover in
't geloof is.
--Weet je niet nog iets?
--Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... 't staat in
een klein boekje ... een almanak, geloof ik.
En hy verhaalde:
--Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al
de koningen van dat land heetten Inca...
--Zoo als hier Oranje ...
--Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru--want het land heette
Peru--waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden
zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met 'n meisje dat
niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru...
--Is 't waarlyk gebeurd, Wouter?
--Het staat zoo in 't boekje, Femke. Nu was er een koning die drie
kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco
en Kusco, maar den naam van 't meisje heb ik vergeten.
--Zeg maar Marie.
--Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter,
of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?
--Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt,
of van die prinses.
--Goed: Emma. Emma was 't eenige zonnekind in heel Peru. En niemand
wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco
en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer?
Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk
gehad... dat kan heel goed.
--Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie
hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van
Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er
in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de
koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de
zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest.
--Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.
--Het staat zoo in 't boekje, Femke. En ... 't is lang geleden, heel
lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de
ivoren poort.
Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar 't verhaal,
hield ze zich of Wouter's oplossing haar voldeed.
--Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote
brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar
ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen.
--Dat kan heel goed ... met 'n brandglas.
--Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En
bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De
kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of 't een letter T was,
dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik
meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de
koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed
aan de zon...
--Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor
de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery.
--Ja juist, 't staat ook in 't boekje dat die menschen in Peru
afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen,
zie ... 't is lang geleden ... en 't was een ander volk ... een
heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in
Frankryk ... daar noemen ze een vader: _père_ ... dus je ziet wel
dat ieder volk zoo z'n eigen manieren heeft.
Femke knikte, als byna overtuigd.
--Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê,
want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel,
want als Kusco's houtstapel 't eerst brandde, zou hy Inca worden, en
Telasco bleef maar prins. En als Telasco's stapel 't eerst aanging,
werd _hy_ koning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was 't ook een heele
zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag
weten wie 't wezen zou...
--Maar ... 't waren haar broêrs!
--Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy 't eenige zonnekind was. Ze woonden
in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons...
--Ja, dat 's waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof
haar de vertelling kosten zou. 't Zal wezen als met Glorioso en die
gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in
verre landen.
--Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon
geen der beide brandstapels aan...
--Hé... zei 't meisje verwonderd, want na al 't zonderlinge dat ze
vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren.
--Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en 't volk van
Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze
't meest beminde zou koning zyn.
--Toen was 't gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.
--Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand
tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot
een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy
voortrok in haar hart, dan wilde zy 't niet zeggen, omdat ze den ander
te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden,
en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy
vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...
--Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy
meende niet goed verstaan te hebben.
--'t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco,
haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar
gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco
waardiger om Inca te worden, dan zichzelf.
Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook
niet. En ook niet by den koning, die in 't geheel geen raad geven
wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht
bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. 's
Avonds in 't woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin
hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den
hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei:
lieve Kusco... en ze legde 't hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter
te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.
--Kun je 't boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze
wilde zoo gaarne dat prentje zien.
--Ach neen, 't boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets
mag wegnemen uit z'n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i
schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat?
--Wel neen!
--In 't boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten,
kwam Telasco. Hy beluisterde hen--één oogenblik maar--en trad op-eens
te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: "heil
u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen." En hy boog z'n
hoofd tot de aarde, en wilde Kusco's voet op z'n nek plaatsen. Dat
beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op,
en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. "Zy heeft
_u_ lief, broeder, sprak Kusco, aan _u_ denkt zy, van _u_ droomt zy,
_u_ bemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca
van Peru."
Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar
was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk
voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig,
en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwyl ze aan de
eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich,
en... toen zat ze in 't midden, tusschen de beide broeders. En als ze
Telasco kuste, zuchtte zy: "Lieve Kusco!" en als ze Kusco liefkoosde,
fluisterde zy Telasco's naam... och, Femke, 't was zoo moeielyk!
--Ja, zuchtte Femke, 't was een moeielyk geval.
--En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was,
zeide hy: "Gy moet kiezen, Emma!" in de hoop dat ze Kusco gelukkig
maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende
te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z'n eigen smart
dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z'n broeder.
En Kusco riep: "Kies, Emma!" telkens als zy zich wendde naar Telasco's
zyde, maar hy zweeg als Emma's hoofd op _zyn_ schouder lag. Hy vreesde
den dood niet--want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met
háár--maar hy was bekommerd over Telasco's jammer, als deze Emma's
beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen,
Femke? Ik weet niet of ik 't goed vertel, maar 't staat zoo in
't boek...
--Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen,
zieje, daar komt het van.
Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof
te slaan aan Femke's begrip. Ik verdenk haar van "schipperen" met
het geloof aan Wouter's vertelling. Zy drong zich het begrypen op,
omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der
drie helden van 't heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot
neêrtezien op 't verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op 'n
wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd--van individu en Mensheid
alweêr--is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar
naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich
verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een
sterken bondgenoot in Femke's vurige begeerte om 't vervolg te weten
dier aandoenlyke geschiedenis. _Zy_ had hem--met minder moeite, want
Wouter was jonger, en bovendien onevenredig kinderlyker--haar "ivoren
toren en geestelyke vaten" ingegeven, nu zou 't hem weldra gelukt zyn
haar 't zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit
niet. Om te ontleden hoe zucht tot _weten_ wordt afgeleid door behoefte
aan _liefde_, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en
niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel
zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter's indrukken,
en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen
tot onderwerp diende van z'n galvanische proef. Wie te traag is om de
analyse te volgen van 'n menschenhart, abonneere zich op de romans van
Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie
zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan
octrooi te verdienen op 't uitvinden van iets belangrykers. En wie,
eindelyk, myn werk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als
onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat
geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie,
want dat kost het my ook... en nog iets.
Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma's hart
begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt
had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke's
snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie,
en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender
dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer,
Femke's goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande
van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne
personen sprekende in. Er was een _quousque tandem_ van teederheid in
't naspreken van Telasco's woorden:
"Dochter der zonne, beslis! _Hy_ heeft u lief, Kusco, myn broeder, de
edele Kusco. Is er een ree vlugger op 't gebergte, een jager zekerder
van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder,
heldhaftiger dan hy?
"Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder,
de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe
hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te
zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich
als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!"
"Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den
verhevensten telg van de Inca's. Hy schreef uwen naam, o dochter der
zon, met kunstigen knoop in z'n gordel en luid heeft hy dien naam
geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien
roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers
van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o
gy verhevene dochter van 't licht!"
"Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen. _Hy_
heeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van 't land. Hy
worstelde, streed en overwon in uwen naam...
"Telasco _liet_ my de overwinning! Hy doodde z'n eerzucht in uwen
naam...
"Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...
"Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie...
"Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint,
hem alleen...
"Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?
Eindelyk sprak het meisje:
"Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen,
zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy
me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk
voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik
weet dat gy beiden vooraan staat in de reien der kinderen van de zon,
en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was
één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen.
"Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al 't wee en al de
zaligheid van 'n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in
myn hart plaats voor 'n alles verterenden gloed, by 't inzuigen der
goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco
begeleidt. Myn ziel leeft door 't genieten van uw beider bestaan. Uw
beider namen hoor ik roepen door den tortel in 't geboomte, door den
wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke
kronkeling geschreven op de vlakte van 't meer, in rangschikking
van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon
zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als
ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen
god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht:
uw naam! En, Kusco, by 't danken voor de zegeningen die de oorsprong
van het licht schonk aan 't blinkend land van Peru, dankte ik, de
dochter der Inca's, met dit ééne woord: Kusco!
"Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik
kàn niet!"
Aldus sprak de dochter der zon.
Maar Telasco antwoordde:
"De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa...
--Hé? Emma heette zy...
--Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf,
ze heette Aztalpa. Telasco zeide:
"De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy 't gebod der zon
niet opvolgen?"
"Laat my sterven, Telasco!"
"Neen, _ik, ik_!... riepen beide broeders tegelyk ...
"Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen."
"Kies Telasco! riep Kusco.
"Kies Kusco! riep Telasco.
Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk,
en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.
Telasco bedacht zich.
"Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn
voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer
pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor
't verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar 't jachtveld. Wy
zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby
den boom die Aztalpa's naam draagt, door ons beiden gesneden in de
schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen
wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs 't wild vlucht, als
het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op
de eerste hinde die er opdaagt uit het woud. Als de vederen van den
pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als
't uw pyl is Kusco, die 't wild treft ... als de getroffen hinde _uw_
kleur draagt...
De beide broeders bedekten zich 't gelaat, als vreesden zy iets te
zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco
voorsloeg.
"Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag
aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der
goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen
blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den
uitslag van Telasco's voorstel!"
"Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder.
En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart
te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden
dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud.
Den volgenden morgen vroeg, by 't eerste licht der zon, hoorde Telasco
van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens
en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar
gewoonlyk 't wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood
voor 't gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó
was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo'n jacht hem voor
als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie,
z'n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen,
ondersteunde het hoofd.
Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z'n
trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als
de eerste hinde zich vertoonen zou. "Misschien heeft de opmerkzame
Kusco myn pylen geteld, by 't samen uitgaan, dezen nacht." Zoo dacht
hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan
't getal...
Het gerucht kwam nader. Weldra zou...
Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen
... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen
weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het
verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse
schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco's
en Kusco's edelmoedigheid.
Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z'n pyl met de oogen,
maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het
hart doorboorde.
En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z'n pyl in den grond,
en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf
begroef.
Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd
verder vluchtte.
"Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco,
die wild te-voorschyn sprong.
"Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebt _my_ misleid. Gy
hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z'n broeder
te-gemoet snelde.
"Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.
En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan
Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding.
Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco's ziel. Hy zeide:
"Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het
kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen
naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde
treft, Aztalpa's keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy
schieten zult, ditmaal!
"Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult.
"Ik zàl treffen!
"Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te
raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?"
"Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?"
"Kusco, ik beloof het u."
Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel
waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks
omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van
de rechter weerhielden den pyl tegen 't halfgespannen koord. Het oog
staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de
schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top
des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog
een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde...
Doodelyk getroffen stortte 't arme dier neer...
"Ik groet u, Inca van Peru!"
Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend
uit het kreupelhout.
"Gy hebt verwonnen, Kusco... 't was _uw_ pyl!
"_De uwe, Telasco!_ 't Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand
sidderde toen ik schoot.
"Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde.
"Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa!
"Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon.
"_Gy_, broeder!
"_Gy!_"
"Ik verzeker u dat _myn_ pyl...
"'t Kàn de myne niet geweest zyn...
"Den heuvel op!
Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy
naar de plek waar de hinde gevallen was...
"Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand.
"Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En 't _moet_ blauw
zyn, want...
"Het _moet_ rood zyn, want...
Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders
hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur.
Want 's nachts was Kusco, voorzichtig als 'n misdadiger, geslopen in
de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker
zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco's
legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens,
waarmeê hy niet wilde overwinnen...
Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was
ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden
pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa's uitverkorene,
tot Inca van Peru. Begryp je 't, Femke?
--Ja ... maar...
--Je moet altyd denken, 't was vèr van hier, en 't is lang
geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd,
en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit
deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde:
dat Aztalpa kiezen moest...
--Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde?
--Altyd. 't Staat zoo in 't boekje... 't was vèr, weetje. Nu, Aztalpa
moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch
wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.
Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:
"Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt
niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven...
--O God, riep Femke...
--Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je
zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet
zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom:
"Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in
't land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest,
omdat men weet hoe 't den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten
te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand
reikt, wyl men beseft hoe 't my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn
wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag 't gevolg zyn
der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn
tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen
de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in
de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen,
en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar
... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar
kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwer
bescherming. Gy zult Kusco antwoorden in 't ruischen der palmen, zonder
dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem
en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap
nêervallen by de gedachte aan Kusco's verlatenheid, noch hy bedroefd
zyn door 't besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor 'n liefde
als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het,
gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die 't wist dat gy
noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest,
omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel.
Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen
plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden
op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel...
Aldus sprak Telasco.
Kusco zweeg.
En Aztalpa zeide:
"Broeders, ik ben bereid."
En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud
op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was
veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou
opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden.
Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen,
weetje?
--Ja, antwoordde 't meisje, met 'n overtuiging als-of ze Velleda
zelf was. Och, ze had 'r boekje vergeten, en was ontrouw aan al
haar Heiligen.
--O God, Wouter, 't doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? 't
Was wreed van Telasco...
--Wat zou jy gedaan hebben, Femke?
--Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter.
--Zieje, 't was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide
broeders. Ze was in 't wit gekleed, en een witte sluier hing haar
over 't gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa
omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep:
"Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!"
Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den
brandstapel. Kusco's houding was gebogen, en zyn tred was
wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa
niet sterven zou...
Een diepe ademhaling verluchtte Femke's gemoed. Met open mond staarde
zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met
al de kracht van haar ziel.
--Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy
trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de
handen voor 't gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy
boog het hoofd...
Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco:
"Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen
van Kusco's hand!"
Telasco slingerde den dolk weg, en riep:
"Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw
Inca! Aztalpa, vaarwel!"
Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.
Maar, toen deze z'n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft
hem nooit wedergezien. Vindje 't niet mooi, Femke?
--Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek
zou uitleggen, had ze 't niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik
wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?
--Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, 't staat zoo
in 't boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om
den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke,
ik wou zoo graag dat m'n vers al af was...
--'t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks
te doen.
--Neen, ik zal denken aan 't meisje. Goeden avend, Femke...
Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z'n
vertelling. En droomend van Aztalpa, die op 'n bleek paste, stapte hy
door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en 't speet
hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde
zich dat hy nu by 't maanlicht, beter nog dan anders zou verteld
hebben. Maar 't kon niet, om den stuiver, dien-i niet had.
Wouter's _droom_.
--Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht,
en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat "die jongen"
zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon.
Ziehier de oorzaak waarom Wouter z'n broeder Laurens zoo onheusch
bejegende.