2e _Vraag: Hoe weet gy dit?_

_Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring._

Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde

hy trouwhartig wat er in z'n boekje stond. Wel speet het hem dat

de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt

tot wandelen, bedorven werd door 't "opzeggen" der koningen

Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden

"weggevoerd"--'n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam--maar

hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de

zaligheids-leerlingen. Althans toen 't jaar om was, ontving hy 'n

boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig

gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden

en de artikelen des geloofs. Er was 'n voorschrift by, hoe dat alles

moest gebruikt worden: eens _pr_ dag, 'n jaar lang ... driemaal daags,

'n week lang by herhaling ... en de rest _quantum sufficit_. Voorin

stond op 'n ingeplakt blaadje:

ter belooning

aan _Wouter Pieterse_

omdat hy

de lessen in de Noorderkerk

wel

heeft opgezegd,

en

ter aanmoediging

om

ter eere Gods

op

den ingeslagen weg

voorttegaan.

En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen

die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.

Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen

huurden een tuin "aan den Overtoom." Dat was zoo "heelemaal buiten"

zeiden zy, en "men kon toch niet altyd in de stad blyven." Bovendien

"de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor 't heele

pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd

'n aardigheid." Ook zou er wel gras genoeg zyn om 't kleingoed te

bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch "want, zei de stamvrouw

der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy's _Kanesoe_ ... dus

was 't heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over

spraken--want dat deden "ze" altyd--was 't uit pure jaloezie. Ook was

er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was,

maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls

je wat doet, heb je-n-altyd zoo'n gemaal met de menschen ... want 't

was vooraan op d'Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje

nooit iets doen ... en voor de kinderen was 't 'n heele uitspanning

... die juffrouw Karels moest maar letten op 'r zelf ... en als Gus

jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...

Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk,

Wouter was onder de uitverkorenen.

Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie

bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel

voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd

opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld

voelde door den omgang van haar zoon met "menschen die 'n buiten

houwen" werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter

beloofde "heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet

te ravotten, z'n kleeren niet te scheuren" en zoo-al meer. Ook zeide

juffrouw Pieterse "dat 't zoo lief van 'r was, dat ze dit toestond,

want 't was toch 'n heel ding voor 'n kind om zoo eens uittegaan."

Ja, Wouter zou uitgaan! Voor 't eerst uitgaan, voor het eerst eten,

drinken, zich vermaken onder 'n vreemd dak. 't Was 'n hoofdgebeurtenis

in z'n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo

dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.

De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid

stapte Wouter de poort uit. "'t Was rechts, links, weer links, dan 'n

brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen" had Gus gezegd. En

de tuin heette _Stad-rust, dus_: "Wouter moest maar vragen, dan zou-i

't zeker vinden."

Dit was ook zoo. Wie voor 't eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter

was op _Stad-rust_ vóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie

ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden

dat Wouter 'n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was

geweest.

De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en 't stoeien,

draven, gooien, nam 'n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk

is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade "die heel langzaam

moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren."

Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes

en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de

volkomenheden van _Stad-rust_, ook dat prieel moeten opnoemen, waar

Betsy zat met dien heer...

--Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met

de jongens.

--Wel, dat is Betsy's vryer.

Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter

z'n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat

gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was 'n vrystertje,

in zyn meening, 'n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en

die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond

dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving

hem de lust om te weten hoe 'n volwassen heer vryt met 'n meisje dat

niet meer school-gaat.

--Haar vryer?

--Wel zeker ... geëngageerd!

Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is,

kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar

ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich

slechts de vraag: wanneer is in de Klasse _Burgerstand_, III, 7, _a_1

(Pp) 't flauwe "geëngageerd zyn" in zwang gekomen voor 't hartelyke:

vryen?

--Ge ... wàt? vroeg Wouter.

--Geëngageerd ... ze verkeeren.

--Wat is dat?

--Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?

Wouter voelde schaamte dat-i zoo'n eenvoudige zaak niet wist, en

zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.

--Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje

met _my_ trouwen?

Emma kon op 't oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar

mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan

had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze

weghuppelde om te voldoen aan 'n konvokatie tot "stuivertje-wisselen"

in 'n anderen hoek van den tuin.

Als den lezer de _Spectator_ van Van Effen bekend is, zal-i zich

herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener

_burger-vryaadje_. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef

dezen Justus makkelyker 't afluisteren dan 't verzinnen, 't Eerste

is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen

bestudeert om _Spectators_ of _Ideen_ te schryven. Wie 't afkeurt,

moet ook den geneesheer veroordeelen die z'n patient bespiedt met

het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.

Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins

jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben

tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van 't huiselyk leven

der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor

'n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren

zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder licht,

wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die

kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van 't geslachtsleven--in

alle beteekenissen!--dat zich meer dan andere handelingen verbergt

voor de blikken van den opmerker.

"Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?" vraag ik altyd myzelf

als ik 'n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige

vraag: "_zouden_ ze elkaar wat te zeggen hebben?"

Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik 'n lid van myn geslacht,

'n wederdeel dus van myzelf, een _mensch_, moet verdacht houden

van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der

schoonste--neen, van de eenige--kracht der Natuur, van opstand tegen

de aantrekkingswet. Liefde--ik heb 't al meer gezegd, en men heeft

myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet--liefde

is neiging tot éénzyn.

Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk

overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig in _regel_, veelvoudig in

_toepassing_. De liefde van 'n dief zal wel beduiden: kom, laat ons

saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z'n geliefde

in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: "elck ghedierte naer

synen aerdt."

Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen,

by sommigen tevens de begeerte wezen tot het _goede_?

By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in

naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan 't vogeltje dat zoo

angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen,

en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreep _zy_ niet dat er verband

was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en 't kloppen van z'n

hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer,

maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had

liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven 't buisje.

Hoe dit zy, hèm ware 't onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads

als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou

hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien

roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan

't schryven van 'n _Spectator_, voelde Wouter groote begeerte om te

weten hoe de jongeheer die met Betsy in 't prieel zat, zich kweet van

't "verkeeren." Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z'n

kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte

in z'n liefdestudie.

--Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...

--Wel zeker, om de bovenhuizen...

--'t Is 'n gemaal! En wat zegt je moeder?

--Zóó ... zy vindt we moesten 't nog 'n jaartjen aanzien. 't Is zoo

onfatsoenlyk gauw te trouwen. 't Is net, weetje, of...

--Vier jaar...

--Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...

Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy

begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen 'n bovenhuis huren,

liefst in Mei.

--En kryg je nou die linnenkast?

--Neen ... die wil m'n moeder zelf houden. Maar als we nog 'n jaar

wachten, zal ze ons 'n andere geven, zegt ze, 'n kleine.

--'k Had liever de groote.

--Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast

noodig. Maar toen m'n zuster trouwde, heeft ze toch 'n groote kast

"meegekregen."

--Zeg dan dat je 'r ook een moet hebben.

--'t Zal niet helpen.

--Probeer 't maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.

--'k Wil 't wel vragen, maar ...

Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in 't

prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in 'n donker

hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine

Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht

dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik

riep hy:

--Zou _zy_ 't wezen ... m'n zusje?

't Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens'huis

worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou _verteld_

worden door een van de _grooten_.

Welke "_groote_" verdwaald was op _Stad-rust_, om dáár Moore's _Peri

en Paradys_ te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet

paste by Betsy's "engagement" en die liefdesmorende linnenkast. Maar

evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht

door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke

omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat "aan wie 't vatten wil"

de gelegenheid geeft zich te verheffen boven 't alledaagsche. Eénmaal

wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!

De "groote" volgde in z'n vertelling den engelschen dichter niet.

Hy volgde een van de vele wyzen waarop de _peri_-legende in alle

talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan

was. [14]

"_De_ Peri _die voor de poorten van 't paradys vruchteloos smeekte te

worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo

na veel vergeefsche pogingen eindlyk als 't schoonste wat de aarde

opleverde, den laatsten zucht van 'n berouwhebbend zondaar, en vond

genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der

gave die zy offerde..._

--Nu pandverbeuren! riep Gus.

--Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.

Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest "gezoend"

worden, dat spreekt vanzelf. "Een raadseltjen opgeven." 't Werd niet

geraden... natuurlyk. Wie 't _wist_, mocht het niet zeggen! Dat is

by raadsels zoo de gewone konditie.

--Wat zal de eigenaar van dit pand doen?

--Op één been staan!

--Over 'n strootje springen!

--Een vers opzeggen!

--_Neen_, 'n fabel... _la cigale_, of zoo-iets!

--Ja, ja, ja!

't Pand was van Wouter.

--Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.

--Ik zal je helpen, riep Emma... _le pere_, _du père_.

--Och, dat 's geen fabel... toe, Wouter!

't Was 'n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen

fabel kende en geen fransch verstond. Als 'n bekwaam mensch wist

hoeveel genoegen hy velen doet met 'n blyk van wat _on_bekwaamheid,

zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.

Maar Wouter dacht ditmaal niet aan 't pleizier van de anderen, dat-i

ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester

Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.

--Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.

--'t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar 'n fabel.

--Maar ik weet niet wat 'n fabel is.

--Wel, dat 's 'n vertelling met beesten.

--Ja... of met boomen: _le chêne, un jour, dit au roseau_, zieje,

er hoeft juist geen beest in te komen.

--Ja, ja... 'n fabel is 'n vertelling, anders niet... er mag inkomen

wat 'r wil.

--Maar 't moet rymen!

Wouter was op 't punt z'n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht

zich, en gelukkig! Want dat ware 'n groot schandaal geweest in den

huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.

--Wel neen, 't hoeft niet te rymen ook, riep 'n ander die al weer

wyzer was dan de rest, "de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes

hangen, prins Willem de eerste was 'n groot wysgeer." Zieje Wouter,

't gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.

Wouter begon:

"Er was eens 'n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht..."

--Ho, ho, dat 's de geschiedenis van de _Peri_! Wat anders!

--Ik zal 't anders maken, beloofde Wouter verlegen.

"Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch

verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook omdat-i

meestal z'n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...

Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over 't onzalige

"moedersknipje." Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te

grieven door 'n schynbare toespeling op den pepermenthandel.

"... omdat-i eens gelachen had onder 't bidden. Want, dit is zeker,

jongetjes die lachen onder 't bidden, komen niet in den hemel.

--Z... o... o... o? vroegen 'n paar schuldbewusten.

"Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen 'n zusje

gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar

gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z'n zusje. "Wie

is uw zusje?" vroeg men hem...

--Wie vroeg dat?

--Stil, val 'm niet in de rede, laat Wouter voortgaan.

"Ik weet niet wie dat vroeg. Maar 't jongetje zei dat z'n zusjen... 'n

blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...

--Net als Emma.

--Ja, net als Emma.

"Men zei hem dat er in den hemel 'n klein meisje was, dat er juist

zoo uitzag. Ze was daar 'n jaar geleden gekomen, en had verzocht

haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar

't jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom."

--Had _zy_ altyd 'r "vragen" gekend?

--Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.

"Hy was heel verdrietig omdat-i z'n zusje niet zou weerzien, en vond

nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. "Och,

laat me toch binnen!" vroeg-i heel vriendelyk aan 'n heer die aan de

deur stond...

--Aan de _poort_, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden

door de dagelyksheid eener _deur_, maar niet getroffen waren door de

verhevenheid van Wouter's begrippen over 't sterven.

Zoo gaat het meer.

"Goed, aan de _poort_, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich

zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei:

neen. Daarop keerde 't jongetje terug naar de aarde."

--Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.

--Laat 'm toch voortgaan... 't is immers maar 'n vertelling.

"Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer

voor de... poort stond, zeid-i _owi, m'sieu!_ Maar 't hielp niets,

hy mocht toch niet binnengaan.

--Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen: _j'aime_, _tu aimes_.

--Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.

"Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z'n "vragen" zóó dat-i ze

kon opzeggen van-achter-af, van: _Heer, kom haastelyk_ tot: _met

privilegie_. En dat deed-i aan de poort. Maar 't hielp weer niet... hy

mocht nog niet binnen."

--Dat wil ik wel gelooven, riep 'n wyze. Om in den hemel te komen,

moet men "aangenomen" zyn. Was-i aangenomen?

"Ach neen, zei Wouter, daarom juist was 't zoo moeilyk! Hy beproefde

telkens wat anders, maar 't lukte niet. Hy zei dat-i met z'n zusje

geëngageerd was...

--Net als Betsy, riep Emma.

"Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met

'r trouwen wilde... maar 't hielp alles niet, hy mocht niet in den

hemel. Op 't laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer

aan de poort knorrig worden zou...

--Nu, en hoe is 't verder?

--Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat

het jongetje doen moest om in den hemel te komen.

Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i

wist. Dit bleek 'n uur later.

By 't naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog

om 't rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed

Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men

loosde een gil... nòg een...

Wouter was 't kind nagesprongen.

Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de "heer aan de

poort" hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet

"aangenomen" was.

Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps

dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was 't toch, als men

te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.

Ik vind dat die "Heer" 't best te-pas komen zou by iemand die niet

zwemmen kan. Wie 't wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld · 第 14 / 20 题