Ja, daar werd gescheld... nog eens: 't was ...f'r ons."

Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon

't altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men 'n

ander was dan men is. 't Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar

geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen

kan dat ze 't in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men

in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en

verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw

Pieterse op dit punt wel 'n mensch zal geweest zyn als 'n ander.

--Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de

heeren wezen.

De "dames" beweerden dat de "heeren" nog niet konden dáár zyn, wyl

't nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf 't de heeren waren, gaf

'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.

Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet

in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als

men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt

weertevinden waar men gebleven was.

Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar 't ging niet, want haar: "'n

zoogdier... hebje van z'n leven, 'n zoogdier!" werd overstemd door:

"hedenm'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen." Juffrouw Pieterse

maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te

bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou "opentrekken". Truitje werd

belast met het "terechtbrengen" van de kinderen--die er heel slecht

by voeren--en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met 'n nieuwe

zoölogische verhandeling die 'n ongehuichelde vrede zou herstellen

onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester

Pennewip zich vertoonde aan 't nog ontstemd gezelschap. Ook hy was

ontstemd, de lezer weet het.

De homoeopathen zullen hier denken aan hun _similia similibus_,

want de verrassing van z'n komst werkte gunstig op de aangevangen

vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend 'n wapenstilstand gesloten

tusschen de krygvoerende partyen--niet zonder voorbehoud aan den

Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid

naar de oorzaak van Pennewip's komst zou voldaan zyn--en ze ging

hiertoe te gemakkelyker over, wyl men 't den man kon aanzien dat-i

wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en

brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.

--Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik

zie, ge hebt gezelschap, maar...

--Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.

't Gezelschap was _niets_, en: "ga _maar_ zitten." Daar heerscht

'n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, _b_1, (Pp).

--Wil uwe-n-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk?

--Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen

om saliemelk te drinken!

--Maar ga toch zitten, meester...

Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en 't kwam er toe.

Pennewip kuchte met ernst. Hy zag 't gezelschap rond, haalde een rol

papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:

--Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw

man... verkocht schoenen...

Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met 'n zegevierenden blik.

--Ja meester, dat deet-i!

--Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot

verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó

groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?

--Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen

over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip's toon, jawel,

dat is waar, meester.

--En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door

middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school,

klachten hebt--ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse--over de

wyze waarop ik--met behulp myner echtgenoote--aan uwe menigvuldige

kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen,

vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en

de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?

Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot

tevredenheid.

--Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl

hy 'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen,

doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen

jaren later.

--Maar, meester...

--Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u--want het is

volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel

achterwege te laten--ik vraag u of gy klachten hebt--ik bedoel

natuurlykerwyze: _gegronde_ klachten--over myn onderwys in lezen,

schryven, rekenen...

--Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...

--Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw

zoon Wouter?

--Wouter?--'t Is waar ook--is-i niet thuisgekomen. Trui?--Wouter is

uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke

kinderen, meester, en ze wonen...

--Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school

gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men

die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7 _a_1... misschien

_a_... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn--want dat is

hetzelfde, juffrouw Pieterse--het kan niet anders... zedeloosheid,

verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg

u dat uw zoon...

--Hè?

--Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...

De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die

'n gevolg was van z'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte

zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven

aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar

_eau-de-la-reine_-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren

zou over Wouter "dien jongen" die haar altyd zooveel verdriet had

gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van 'n

beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen

stryd. Dit geschiedde dan ook.

--Hèb ik 't niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men

begint met 'n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik

verwonder me niet over de zaak... in 't geheel niet! Ik heb 't lang

voorzien. Wat kan men ook verwachten in 'n familie, waar...

Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich 'n gelegenheid

opdeed om 't voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had

gezegd: het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester

weten; en dus:

--Meester, riep ze, is 't waar of niet, dat juffrouw Laps 'n

zoogdier is?

Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse

der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z'n onvoltooide beschuldiging

tegen Wouter. Hy keek over z'n bril heen en beschreef langzaam 'n

kring met z'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette,

met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw

Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide:

antwoord of sterf, ben ik 'n zoogdier?

--Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk

zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl

't nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps

afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen

en beroep.

--Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.

--Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der

zoogdieren.

Er slaakte zich in 't gezelschap 'n tienvoudige zucht. Juffrouw

Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers,

is 'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden

zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.

De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van

zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:

--Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...

--Juffrouw Laps, antwoord my...

--Gut ja, meester, maar...

--Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt;

wáárin woont gy?

--Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrye

opgang... kwart in den regenbak beneden...

--Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver

bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van

bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?

--Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt

de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!

En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.

Juffrouw Laps zag in dat ze dan 'n verloren mensch was, want ze moest

erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in 'n oesterschelp.

Dit was 'n illuzie van 't schepsel.

Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde

aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon

en pruik, voortging:

--Kunt gy leven in 't water? Hebt gy kieuwen?

--In 't water? Maar, meester...

Pruik links. Dat beduidde: geen maren.

--Of half in 't water, half op het land?

--Meester hoe zou ik...

Pruik rechts: geen uitvluchten!

--Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende

jongen ter wereld?

--'t Is zonde, meester.

De pruik had iets van 'n stormram, en te-recht. Want daar volgde de

stormrammige vraag:

--Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit:

kunt gy eieren leggen... hè?

Dàt kon ze niet!

--Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.

En de pruik kwam weer in 't midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps

uit het veld geslagen.

Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap

voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep

toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook

was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen.

De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden

worden te-voorschyn gebracht over wat er na 't zoo-even verhaalde

voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m'n boek sloot, en hoevele

duizende gissingen 't menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik

verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.

Het lust my 'n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en 'k lees

duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:

_EERSTE BERICHT_.

"Er heeft weder 'n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de

Stoffelianen. De laatsten hebben 't veld geruimd, doch niet zonder

hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden,

maar er is 'n gat in. Men ziet dagelyks 'n nieuw treffen te-gemoet,

waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de

behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om 'n

eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der

Pennewippers, 'n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.

"Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons

voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons

privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer

landeryen en 't melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over

dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in 't verloren hoekje

gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa."

_TWEEDE BERICHT_.

"Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de

oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd,

de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De

oude Stotters hebben 't genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders

geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw

Stotter's oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist."

_DERDE BERICHT_.

"Er is 'n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre

afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid

van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond

wezen op z'n malle houding in _de Nederlanden_. (Het bekende

bessen-met-suikerdogma.)

"De oude Stoffelianen hebben 'n concilie gehouden, waarin besloten is,

de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet

is doorgedrongen. Er zal 'n algemeene kollekte worden gehouden, om

ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er 'n korps europeesche

wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot

het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen,

waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) 'n instinktmatigen aanleg

schynen te bezitten."

_VIERDE BERICHT_.

"Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps

werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie

gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.

"Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat,

en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen

op brood en brandstof."

_VYFDE BERICHT_.

"By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is

verschenen: _Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats

gevonden op_ III, 7, _b_1 (Pp), _na de kategorische verklaring des

meesters over de ware natuur van juffrouw Laps._

Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische

en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den

zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is

vertaald uit het Europeesch.

De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven 'n

geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen

ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat

met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.

Ook beweert men dat er 'n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste

verzuchting des bakers, die 'n eind maakt aan den langen stryd over

zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse's

grammatikaal-theologische roeping in 't helderst licht plaatst,

waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de

wetenschap en de heilige boeken van ons geloof."

_ZESDE BERICHT_.

"De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in

de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is

vasttehouden aan juffrouw Zipperman's verkoudheid, met uitdrukkelyke

bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid,

mits men vaststa in 't kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa

hebben aangetoond dat het venster op III, 7, _b_1 (Pp) redelyk goed

gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen

omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde

verbroedering geleid te hebben."

_ZEVENDE BERICHT_.

"Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen

van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel

degelyk aan meester Pennewip 'n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk

hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde

onderzoeker heeft namelyk in 't hooge Noorden, waar ons gezegend

Azië grenst aan 't oude Europa, 'n ysbeer ontmoet die zich vermaakte

met 'n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende

hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling

onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met

den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps,

op de autentieke schildery te Foppipolis."

_ACHTSTE BERICHT_.

"Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename

tyding dat onze stad dezer dagen 'n waar feestgenot heeft gesmaakt,

en wel 'n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.

Er is namelyk 'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze

handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn

dan onze burgemeester.

De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil

van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden

gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de

eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.

De schuldigen zyn onder 't meten en branden, tot afleiding en

opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft

op Stoffel's verdienste en dood, in verband met de lengte van z'n

buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z'n edel pogen

tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.

Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak

veel

bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van 'n feest,

dat in aangename

herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had."

_NEGENDE BERICHT_.

We kunnen ons niet weerhouden 'n kort verslag te geven van de

ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door

den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen

baker's onwaardeerbaar gezegde: "_dankie wel/ Juffre Pieterse/ m'n

Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!_"

Hierop volgt 'n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit

de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó

belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den

lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z'n geheel

te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst

tot z'n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik

doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf,

wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt

hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog

aan ons denkt. Zie hier:

Voorzang.

O/ Baker vol van Zaligheid/

Wie zou Uw Lof niet zingen!

O/ Baker Die de Baker zijt

Van alle Stervelingen!

O Baker/ hoor ons juichen aan/

Als wij met U uit baak'ren gaan.

O Baker/ groot in Lief en Leed/

In Kraamzaal of Saletje!

Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt'

Gespeld in een Servetje!

Wij knielen bidden voor U neer

En zingen/ Baker/ U ter Eer.

Zie op uw Kroost genadig neer

Van uwen Troon op Wolken

Er leeft als Gij geen Baker meer/

Gij bakert alle Volken

Gloei eeuwig door van Kindermin/

En speld ons in Uw Luiers in.

"Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de

luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!

"Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op

elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is

het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien

te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In

het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier

saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?

"Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen

oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: "dat is verre van

ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er

zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten

naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons

hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid."

"Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de

verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven:

"_daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen_" en weldra zal 't koppie

worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden

versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: "_dat zieje wel!_"

"Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my

aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de

behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen

bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo

verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol

en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel

kortelyk tot klaarheid te brengen.

"Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den

grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfde _Stoffelium_, en

daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.

"Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfden

_Stoffeliums_, waar we--met gepasten eerbied--het volgende lezen:

Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit 't negende bericht,

en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.

"Hoe langer wy de onschatbare heilige _Stoffeliën_ beoefenen,

geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat

daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot

de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid

juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te

houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken

van de poelen der Pennewipsche kettery.

"Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in 't

byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die

niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste

bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig

zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden

openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom

van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige

toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons

voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften

te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te

twyfelen aan Baker's bestaan, en durft beweren dat wy geen

verstand hebben van natuurkunde.

"Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te

volgen met uwe aandacht, als ik, na:

"_ten eerste_, den historischen zin myner tekstwoorden

te hebben toegelicht,

"_ten tweede_, zal overgaan tot de ontwikkeling van

de stralen die daarin doorlichten, en wel:

_a) Eerste straal._ De straal van Baker's

_goedheid_.

_b) Tweede straal._ De straal van Baker's

_wysheid_.

_c) Derde straal._ De straal van Baker's

_menschenkennis_.

_d) Vierde straal._ De straal van Baker's

_matigheid_.

_e) Vyfde straal._ De straal van Baker's

_Standvastigheid_.

_f) Zesde straal._ De straal van Baker's

_algemeenheid_.

_g) Zevende straal._ De straal van Baker's

_zelfkennis_.

_h) Achtste straal._ De straal van Baker's

_edelmoedigheid_.

_i) Negende straal._ De straal van Baker's

_nederigheid_.

_j) Tiende straal._ De straal van Baker's

_kuisheid_.

_k) Elfde straal._ De straal van Baker's

_levenswysheid_.

_l) Twaalfde straal._ De straal van Baker's

_onschuld_.

_m) Dertiende straal._ De straal van Baker's

_dubbelslachtigheid_.

_n) Veertiende straal._ De straal van Baker's

_eeuwigheid_.

_o) Vyftiende straal._ De straal van Baker's

_waarheidlievendheid_.

_p) Zestiende straal._ De straal van Baker's

_voorzichtigheid_.

_q) Zeventiende straal._ De straal van

Baker's _geduld_.

_r) Achttiende straal._ De straal van Baker's

_zedigheid_.

_s) Negentiende straal._ De straal van Baker's

_geheimzinnigheid_.

_t) Twintigste straal._ De straal van Baker's

_eenvoud_.

_u) Een-en-twintigste straal._ De straal van

Baker's _liefde_.

_v) Twee-en-twintigste straal._ De straal

van Baker's _trouw_.

_w) Drie-en-twintigste straal._ De straal

van Baker's _yver_.

_x) Vier-en-twintigste straal._ De straal

van Baker's _schranderheid_.

_y) Vyf-en-twintigste straal._ De straal van

Baker's _fatsoen_.

_z) Zes-en-twintigste straal._ De straal van

Baker's _goedertierenheid_.

_z bis.) Zeven-en-twintigste straal._ De

straal van Baker's _volmaaktheid_.

"om daarna: _ten derde_, over te gaan tot de

beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane

bakerbeschouwing voortvloeien.

"Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis

en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat

er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de

blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en

Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot

op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er

werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in

geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die

omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde,

zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.

"Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans

ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke

jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt

van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch

met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden

berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor

heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den

tekst die voor ons staat als 'n berg van genot.

"De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende

blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door

den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste

der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de

onvergankelyke ziel stelde boven 't brooze lichaam, en de

oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy

die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend

was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte

om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene

tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.

"Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu

uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal,

maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik

my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet

my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker

Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige

lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe

Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy

den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden: _dat

zeiti!_ Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de

onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...

"Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het

is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.

"Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een

klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat

er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep

en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante

tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy

zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld

zal hy worden door den wind onzes geloofs!

"Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle

wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van

dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan

en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die

wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel,

en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?

"Of--helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende,

maar noodige vraag--of is die storm wellicht in uwe harten

geworden tot een zuchtje? Is misschien uw wind weggekrompen

tot eene labberkoelte, te zwak om 't lichtste voorwerp

voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de

eeuwige gelukzaligheid?

"En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep

gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde

leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des

heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der

genade, te verlagen tot 'n dorpeltje, hoog genoeg--ja, maar

ter-nauwer-nood hoog-genoeg--om opteklimmen tot de bovenste

plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt

om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?

"Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het

my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?

"Gy zwygt?

"Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem

onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en

onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!

"Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die

stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk

de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom,

dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man

die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was:

"_Je bent 'n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en 'n knappe Baker!_"

_Een goeie vrouw en 'n knappe baker!_ Kan er treffender

getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:

_Je bent 'n goeie vrouw, en daarmee uit!_ En niet: _Je bent

'n knappe baker, en daarby blyft het!_ Neen, duidelyk staat

er: _Je bent 'n goeie vrouw èn 'n knappe baker_, zoowel dus

het één als het ander.... het andere niet minder dan het

één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!

"Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd

onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan

die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst,

zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend:

"_maar_" en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk

bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen niet _naast_

maar _tegenover_ die der vrouw, maar de Baker die zorge draagt

voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet

gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en

daarom heeft Hy toegelaten--wat zeg ik, Hy heeft bewerkt--dat

de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het

_Stoffelium_ naar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.

"Ja Geliefden, dáár staat het: "_en een knappe Baker!_"

Dat zegevierende "_en_" springt in het oog als een vonk

van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die

door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor

de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de

verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: "_en_."

"_En_, geliefden, _en!_ Uwe zaligheid berust op, hangt af

van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met,

is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelyke _en!_

"Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer

dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven

verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting

der waarheid....

"Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door

uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven

leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken

wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet

dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke _Stoffelien_

uitloopt op uwe beschaming? Was _Hy_ niet heilig, _Hy_ de

eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men

dit toestemt--wat dan toch wel niet kàn ontkend worden--moet

dan niet ook _hy_ heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en

woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En

aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er

dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder

den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken

Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven

door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen

heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen

waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien

hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?

"Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze

zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons

niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan

de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenen

_Stoffeliums!_ Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel

gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel,

roepen wy juichend uit: "_Gij was een goeie Vrouw en een

knappe Baker!_"

"Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper

nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen

onzer toekomst.... _Hy zal altyd 'n goeie vrouw en 'n knappe

baker blyven!_ Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy

was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren

of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was,

altyd, eeuwig... _'n goeie vrouw en 'n knappe baker!_

"De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: _Hy_ zal

blyven! De zon zal maan worden, of in 't geheel niets! _Hy_ zal

blyven! Het heelal zal verzinken: _Hy_ zal blyven voortbakeren

ten einde toe!

"O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen

van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren

tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven

voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit

denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt

er niets van, aanbidt en... zwygt.

"Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie,

o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie

onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare

mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan

blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles

vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner

jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en

de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als

uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: "_dat zeiti!_"

"En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor

my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit

we onzen tekst kozen: "_mijn heele Familie zal je altyd

gebruiken!_"

"Ziet gy, Geliefden: _zyne heele familie!_ Wat is de

familie van iemand die eene _zoo_ hooge stoep heeft, en een

windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker

van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn

Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker,

Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons

allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers

en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.

"Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt,

die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels

en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe

gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige

verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!

"Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! "_Ma_, staat

er verder, _als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of

je 't niet hoort!_" De bedoeling dezer verhevene woorden is:

het zal gebeuren dat uw zuigeling--het ingebakerd menschdom,

namelyk--wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend

teweerstelt... doe of je 't niet hoort, Baker! Speld er maar

dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware

beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen

voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen

met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de

aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven

stoepsels en des windkloks!

"_Doe net of je 't niet hoort, Baker!_ Stop uwe ooren voor de

gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die

meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste

natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker,

speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker

blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der

eeuwen. "_Gloei eeuwig door_ zooals de psalmist zegt,

"Gloei eeuwig door van Kindermin/

En speld ons in Uw Luiers in!

"Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt--of volgens

sommigen, minder--Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje

van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en

iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen

moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: "_Dankie/Juffrouw

Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel._"

"_Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het

wel!_ Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte,

ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd

Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige

handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby: _dat zieje wel!_

"Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid,

maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen

beweren dat het woord "koppie" in den europeeschen grondtekst

tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden

van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang

gebruikt werd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te

werpen op de deftigheid van Multatuli den _Stoffelist_. Doch,

zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des

rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist

dat wedergeven van vrouw Stotter's aanbiddelyke taal, letterlyk

zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door

juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen

boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy

't beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen

of krulgewaden...

Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit

pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog

inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.

De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik 'n fragment

meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik

verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag

van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en

dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige

godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7, _b_1 (Pp) de

elementen byeentezoeken tot 'n bruikbaar windselsysteem.

Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen

zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m'n

boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd

gezelschap, na Pennewip's beslissing, zich bepaalde tot den uitroep:

"Z...ó...ó...ó!" zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander

molest aan te doen.

Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa,

waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer 't nut blyken kan

van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der

dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe

versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!

De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk

gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen,

en waarom 't saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in 'n geval dat

nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?

Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken

der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip's vonnis,

splitsen in drie deelen:

_Vooreerst._ Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.

_Ten tweede._ Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag

met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan 't

wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met

aangeboren talent de taktiek van 't "verdeel en heersch!" Mèt de

mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen 't "huis" der

Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip's

meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken

uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon

op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of

misschien juffrouw Zipperman zelve, zou overgaan tot den vyand, al ware

het uit bekrompen eerbied alleen voor meester's bewegelyke pruik? Neen,

neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie

voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: "'k zal je

later wel krygen!" en als we ons haar, en al de verhoudingen van 't

gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen,

zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene

"onder invloed staande" Juffrelapsche krant te lezen: _"De verhouding

met het ryk der_ Pietersens _is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van

'n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder 't

minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders

aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren

omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur

van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy

die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld."_

_Ten derde._ De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand

was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf,

of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou

niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat

aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer

dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam

ware geweest in meester's oogen, hadden die oogen waarschynlyk 't

lot ondergaan dat hun in zoo'n geval door den archaeoloog Klesmeyer

eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.

--Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse--na op 't overwonnen zoogdier

'n blik te hebben geworpen die gelden kon voor 'n: "waar blyf je

nou?" met rang van overwinningsbulletin--maar meester, wat heeft die

Wouter dan nu weer uitgevoerd?

--Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw

Laps, die zich verheugde omdat het gesprek 'n andere wending nam,

en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo

godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar 'n ding waarop

men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we

gezien hebben.

Juist zou Pennewip 'n begin maken met de akte van beschuldiging, toen

de bel ging... nogeens...--"'t was f'r ons"--en de arme delinkwent

trad de kamer in.

Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren

vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...

--Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op

Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?

--Och ja, meester.

--Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar

heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en

deugd staan by my op den voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen toonen

over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy

ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg

ik... zelfs heb ik 'n zoontje gehad van iemand op Wittenburg--van den

blokkenmaker--en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over

de verbetering van 'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.

--Gut, meester!

--Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien

ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos--de man was doodgraver,

en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste

figuren op de zerken--maar juist dáárom--ik bedoele om de godsdienst

en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben--voel ik my verplicht u by

dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school

te zien verloren gaan door uw deugniet van 'n zoon die dáár staat!

De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan 'n pauselyke

aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had

zoo-even 'n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.

Z'n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en

hem 'n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen

te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond

stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er

aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den

patiënt inniger te maken.

--Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers,

moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...

Meer niet.

"Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige

christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is 't

mogelyk! Wat 'n mensch moet beleven!" Zoo omtrent--maar ik sta niet

in voor de juistheid--was de stortvloed van uitroepingen waaronder

de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter

bedolven werd. Arme Wouter!

--Ik zal u 'n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna

nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...

't Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk

dat de meester daarop voorlas, was dan ook van 'n aard dat die twyfel

heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held,

zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was

als-i er uitzag in z'n vreeselyk

"ROOVERSLIED.

Met myn zwaard.

Op m'n paard.

En myn helm op het hoofd.

Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,

En vooruit!

--Christenzielen, riep 't heele gezelschap, is-i dol?

"En vooruit!

Op den weg,

Langs de heg,

Met een houw en een stoot

De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...

--Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde

de moeder.

Om den buit!

--Zieje, 't is om den buit, zei juffrouw Laps, _ik_ zeg maar altyd,

men begint met 'n bybel, en...

"En die buit

Is myn bruid...

--Hebje van z'n leven... z'n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!

"En die buit

Is myn bruid...

My gekocht met m'n staal...

--Met z'n st...a...a...a...l!

"En die buit

Is myn bruid,

My gekocht met m'n staal,

En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal,

Naar de grot...

--Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?

"Als de wind

Zoo gezwind,

Jaag ik voort met myn vracht,

En ik sla op haar schreien en kermen...

--Och, gerechtige vrede, 't mensch kermt 'r van!

"En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,

Wat genot!

--Dat noemt-i genot! Ik word 'r koud van!

"En dan weer

Op-en-neer,

Rechts en links door het land...

--Lieve Jesis, daar gaat-i weer!

"En dan weer

Op-en-neer,

Rechts en links door het land,

Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,

Tot vermaak!

--De hel zit in dien jongen... tot vermaak!

"En dan voort

Weer gespoord

Naar een nieuw aventuur...

--Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? 't Is om

te bezwyken...

En dan voort

Weer gespoord

Naar een nieuw aventuur,

En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,

Om de wraak...

--Goeie god, wat hebben ze 'm toch gedaan?

"Want de wraak

Is de taak

Van den koning van 't woud...

--Is-i razend... 'k zal 'm koningen!

"Want de wraak

Is de taak

Van den koning van 't woud...

Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...

--Wat 's dàt voor 'n ding?

"Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,

En banier!

Op, hoezee...

Wie gaat mee?

't Gezelschap rilde op die uitnoodiging.

"Op, hoezee...

Wie gaat mee?

Nu geen schepsel verschoond,

Nu de mannen gehangen...

--Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...

"Nu de mannen gehangen, de vrouwen...

--Lodderyn... lodderyn!

"de vrouwen gehoond...

--Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!

"de vrouwen gehoond,

Voor pleizier!"

--Voor pleizier... herhaalde meester op 'n graftoon, voor

pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!

't Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel's pyp was uitgegaan. Maar

Wouter had iets kalms in z'n wezen, en toen z'n moeder hem genoeg

geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet

ontevreden neer in 'n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep

om te droomen van Fancy.

Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen

van deze geschiedenis, na de katastrofe.

Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken,

en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy

ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben

doorgebracht, zullen we in 't voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel

weer aan 't bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan

't bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg

werden toevertrouwd tot 'n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid,

zeker om den pasgeborenen 'n prettig denkbeeld inteboezemen van hun

nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken

luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun

geboorte.

Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren

onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z'n pruik, nog niet

geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend

naar zondag.

Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met 'n plechtig:

"ga zoo voort, myn zoon!" Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik

gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid,

bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen

zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan

de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen

dien laster. 't Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou

't voor 'n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren

worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft

voort in z'n volgelingen, en dit vind ik 'n schoone onsterfelykheid.

Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar

ben ik zeker van.

Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk 'n zoogdier was,

en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde

na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de

helft. "In dit geval: de laatste" zeid-i er binnen-'smonds by.

Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar

ze had het er voor over, want ze was 'n "schikkelyk mensch." Alleen kon

ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar

vader "in de granen" en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy,

was niet _in_ de granen geweest, maar er _onder_. Hy had ze namelyk

gedragen in 'n zak op z'n hoofd, dat heel anders is dan granen te

verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat

draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar

deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller

die zulke zware bakkebaarden had. "'t Was niet om 't mensch te

skandeliseren, heere neen! 't Was maar dat men 't wist, en dat men er

van sprak... dàt was 't maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen

van 'r deugd." Juffrouw Zipperman wou echter "de zegs_man_ niet wezen,

omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller

keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!"

Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor

't venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar

gezichten in 'n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden

"terechtgebracht."

De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou

"want 't was 'n schandaal by de Pietersens... 'n wààr schandaal." En:

"er had juist wat onder gestaan!"

Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als 'n

"mensch". Van-tyd tot-tyd "deed" ze haar godsdienst op de kinderen

die, als ze 't voor 't wenschen hadden gehad, gewis liever waren

ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat

minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.

Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen

doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór

me omdat ik nooit m'n onderwerp uitput.

Stoffel was naar z'n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd

verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van 'n gedicht

dat gemaakt scheen op 'n vliering, door iemand die vermoedelyk niet

veel last had van z'n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en

schenen maar niet te vatten welk genoegen 'r in stak geen geld te

hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner

harten toe aan Wouter's wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van

den aanslag op 't leven van dien markgraaf, en van dat zonderling

logeeren in 'n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel,

dan hem toekwam als derden ondermeester met 'n verlengd buis.

En Wouter?

Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots

verdiend had, want z'n moeder had hem te kennen gegeven dat de

"terechtstelling" van den vorigen avend maar 'n voorloopige

godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging

zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken

met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst,

heeft de dominee--huis- of niet--'n stem. Hy wordt er voor betaald,

en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de

geestelyken uit z'n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.

Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan,

kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen

uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. "God weet wat

je weer uitvoert als ik je-n-uit m'n oogen verlies" zei de moeder,

die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters,

maar eigenlyk alleen daarom 't verlof tot uitgaan weigerde, omdat

Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het

voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.

Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd

te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd

tot zedelyke verbetering, en dan had-i 'n bezoek kunnen brengen aan

z'n molens.

En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen "hem niet

konden zien." Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van

roovers en Wouter's verdorvenheid uit.

Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker

geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de

dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp).

Als 'n looden domper drukt zoo'n verblyf iemand op 't hart, en

ik mag niet toegeven, aan wat misschien m'n plicht was, aan de

begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo'n hol, om niet oorzaak

te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by

zulke beschryving. [10]

Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door 'n zot sprookje.

Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als 'n nieuwe

Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van

'n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter

zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk

toegehaalde banden van z'n geheel bestaan.

De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte

af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met

_twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes,

mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten,

zwarte mannen voor stoute kinderen, "oogjes toe" voor en na 'n boteram,

slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over gescheurde

broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van

gevoeligheid... arme Wouter!

Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar

juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen

opwekt tot de klacht: arme _wouters!_

En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor

'n ander, en Wouter's ziel was van ongewone leest.

Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen

boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door

de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind,

en bovendien 'n _goed kind_. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan,

zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam

uit de zucht om op-eenmaal 't _hoogste_ te grypen, het _verste_

te bereiken, de _eerste_ te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke

fantazie hem had ingeleid.

Roover... goed! Maar dan ook 'n flinke roover, 'n roover boven alles,

'n roover zonder genade, 'n roover voor pleizier!

Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om

't rym, en wyl-i uit 'n paar zinsneden van z'n boek had opgemaakt

dat het zoo'n byzonder aangename uitspanning was.

Als-i voor z'n veertien stuivers toevallig 'n _Karel

Grandisson_--vervelender gedachtenisse!--had te lezen gekregen, zou

z'n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had

misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan

Slachterskeesje, en dien wellicht nog 'n paar griften toegegeven,

met volkomen vergiffenis voor 't onjuist verhuizen van dezen of

genen graaf.

Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze

geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan

oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen 't

eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te

wachten zyn, wanneer niet het toeval--d. i. deze of gene natuurlyke

oorzaak die we niet kennen, en die we _toeval_ noemen uit schaamte

over dat gebrek aan kennis--wanneer niet zoo'n toeval zich vermaakte

de Wouters te doen geboren worden in 'n kring waar ze niet worden

begrepen... en dus mishandeld. [11]

Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd

rusten. Hy scheen verdiept in 't _over'shandsche_ naadje dat Leentje

bezighield, maar we zullen terstond zien dat z'n gedachten elders

waren, en wel zeer ver van _Burgerstand III_, 7, _b_1(Pp).

Men had haar verboden te spreken met "dien kwajongen" en slechts

van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje

gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon 't haar in

't oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen

zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister

en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die

zaak aftedoen.

--Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?

--Och... ik meende... sjt!

--En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?

--'t Was 'n markgraaf... sjt!

--Wat is dat voor 'n graaf? Zeker weer uit 'n ander huis?

--Ja... 't was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik

heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!

--Amalia? Wie is Amalia?

--Dat was m'n bruid. Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!

--Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?

--Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef

daarheen... toen kwam er 'n eend... maar, Leentje, dat is de zaak

niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!

--Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?

--Amalia. Ze zat in 't kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!

--Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom

toch wou je die vrouwen...

Arme Leentje... _zy_ was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor

over gehad!

--Die vrouwen stonden in 't boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!

--En dat klooster?

--Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal

't je zeggen, Leentje ... sjt!

--M'n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!

Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik

naar de balken, legde de rechterhand op 't hart, stak de linker uit

als om 'n spaanschen mantel te drapeeren...

Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en

zeide:

--Leentjen, ik ben 'n prins!

Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met 'n paar oorvegen

uit Leentje's tegenwoordigheid.

Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.

Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.

Lang voor het begin dezer geschiedenis--ja, zéér lang geleden was

er 'n koningin der geesten, juist als in _Hans Heiling_. Ze heette

A-OO.

Ze bewoonde geen hol, zooals in _Hans_, maar hield haar hof ver boven

de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor 'n koningin.

Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met 'n waaierslag

verjaagde zy de firmamenten.

Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die

zoo moeilyk waren weer te vinden na 't wegrollen tusschen 't huisraad.

Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover,

en verlangde gedurig ander speelgoed.

De koningin liet hem 'n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds

waren ook deze weer verloren. Doch 't was Upsilon's eigen schuld. Hy

had maar beter moeten achtgeven op z'n speelgoed.

Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf,

gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was 'n fout

in 't karakter van den kleinen prins.

De moeder, die als koningin der geesten 'n zeer verstandige vrouw was,

begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich 'n beetje te

gewennen aan ontbering.

Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed

laten zou.

Dit geschiedde.

Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan 't kaatsen was

met prinses Omikron, z'n zusje.

Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z'n uitdrukkingen

zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.

Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld--want niets is

verderfelyker dan slechte voorbeelden--wierp met driftig gebaar haar

palet tegen 't heelal. En dat staat niet voor 'n meisje.

Nu bestond er in 't ryk der geesten 'n wet dat wie 't ontzag voor

de koningin uit het oog verloor, of iets tegen 't heelal aangooide,

daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.

Prins Upsilon werd 'n zandkorl.

Na zich 'n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de

heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.

In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat 'n goed mosplantje

behoort te doen.

Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.

Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen

te bereiden met vuur.

Hy bouwde 'n paar werelddeelen, en werd 'n eeuw of duizend daarna

tot belooning van z'n yver veranderd in 'n garnaal.

Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z'n gedrag,

en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.

Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de

zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang

van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op 't land.

Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand,

en hield zich bezig met geologische opmerkingen.

Een paar millioen eeuwen later...

Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in 't oog dat al die tyd

te-zamen genomen in het ryk der geesten maar 'n klein kwartiertje

was... of juister: dat die tyd volstrekt _niets_ was. Want _tyd_ is

uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan

kinderen. Voor geesten is _toen_, _nu_ en _dan_ volkomen hetzelfde. Zy

grypen _gisteren_, _heden_ en _morgen_ te-zamen met één blik, even

als men zonder spellen 'n woord leest. Wat _was_ en _wezen zal_, is.

Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen

hebben 't vergeten.

Fancy begreep dat Wouter niet _lezen_ kon, en daarom _spelde_ ze hem

Upsilon's geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.

Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en 'n

geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren--menschelyke jaren

ditmaal--vóór den aanvang van m'n verhaal, werd-i overgeplaatst in

de klasse der menschen.

Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.

Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen

weinig tyds hersteld te worden in z'n rang als prins van den geeste,

moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets

verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou 't wel gaan.

Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw

Pieterse. "Dit wàs nu eenmaal zoo!" zei Fancy.

Die Fancy scheen 'n soort hofdame van Wouter's moeder te wezen, die

hem 'n bezoek bracht in z'n ballingschap om hem wat optebeuren en moed

in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel,

niet zou opvatten alsof men boos op hem was.

Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...

--Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m'n zusje?

--Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is 'n

lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft

beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft

zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal;

en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén

dat het 'n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf

niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en

voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van

kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te

gebruiken. Weldra werd ze 'n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie

niet geschikt voor 'n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in

'n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.

Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...

--Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár

... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt

ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar

schoot houdt en liefkoost...

Wouter zag het duidelyk, en riep:

--Omikron ... Omikron!

--Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat

uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. 't Is

reeds 'n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen

onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden,

zyn ze heel ver van elkaar gezet.

Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag 'n kus gegeven

aan al die sterren met 'n pop op den schoot, die z'n zusje waren...

--Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!

Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als

iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen

eener hoogstmoeilyke zaak.

Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z'n bede:

--Ach, laat me samenwezen met m'n zusjen ... al moest ik weer gras

eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met

yver als ik mag samenzyn met Omikron!

't Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar

macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te

kunnen geven:

--Ik zal 't vragen, fluisterde zy, en nu...

Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was 't brugje ... dáár

de sloot...

Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...

Hy zag z'n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!

Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?

Die molens heetten _d'Morgenstond_ en _den Arend,_ en zy riepen zooals

houtzaagmolens gewoon zyn:

Karre karre, kra kra...

Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem

daar wachtte.

Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan

de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, 't

huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon,

prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!

Daar de lezer veel ondervinding heeft--ik zoek sedert jaren te-vergeefs

naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar--zal-i weten

dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in

de verte.

Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven 't

hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze

wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.

De man was eigenlyk maar beunhaas in 't vak. Hy behoorde namelyk tot

de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot

'n wezenlyken dominee, als 'n likdoornsnyder tot 'n geneesheer. Maar

voor de eksteroogen van III, 7, _b_1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En

al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering

zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen

aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.

Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw

Pieterse had 'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er

was 'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party

te wezen: "om de stichting" zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar

huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was,

en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.

--Jon_ch_elin_ch_ ... sprak de man, en er scheen al terstond indruk

noodig te wezen, jon_ch_elin_ch_...

Het is zeer opmerkelyk hoe 't geloof en de genade invloed hebben op

de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet

gezegd hebben, _lanche_ pyp of _jonche_ doperwten, maar de heiligheid

verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord-

en zinvorming verandert door 't geloof. Ik ben niet ongenegen dit

aantenemen als 'n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen,

en denk ernstig aan 'n verhandeling: "over den invloed der genade op

de hollandsche taal." Ja, 'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel

koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier,

zonder zalving of gebrouw, my 'n opmerking meedeelt over 't weêr,

of tyding vraagt van m'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet

die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens

op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander?

--Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...

Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan

z'n pyp, met 'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw

Pieterse hield 'n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te

wezen als ze huilen moest.

--Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...

't Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n _lapsus

linguae_. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n

woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.

--Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als

hoochepriester in den Heere... want ieder die 't Evangelium verkondigt,

is 'n hoochepriester in den Heere... in den Heere...

De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.

--In den Heere...

Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik

kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z'n buitengewoon lang

toeven by dien "Heere."

Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.

--Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche

dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met

de koningen der aarde.

Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor 't juist weergeven van

huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid

nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen

veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve

zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.

Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw

Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die

babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen

gaf dat _zy_ nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw

Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden

der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht

geweest zyn. Neen, de verbazing van 't gezelschap had 'n heel anderen

grond.

Men moet erkennen dat meester Pennewip by 't oplezen van Wouter's

zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en

zie, daar komt huisdominee die 't brandstichten overslaat, het rooven

vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen

op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel

onverwacht beschuldigt van "hoerery met de koningen der aarde." Dit

was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak,

juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus 'n bescheiden:

_friskuus!_ het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo

gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier

was 't geval ernstig genoeg om 't gebruik van wat vreemds te wettigen.

--Friskuus, dominee! Wouter heeft...

Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:

--Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho's, gy die 'n huis van ontucht

bewoont op de wallen der stad...

--Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...

--Ja, en m'n vader was...

--Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik

zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...

--Maar dominee, Wouter is 'n jongen!

--Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is

weggezonken in 'n poel van ongerechtigheid...

--Laat 'm begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy

zal op Wouter neerkomen met 'n omweg... dat doen ze wel meer.

Hierin had juffrouw Laps gelyk.

--Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk

die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen

van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's

welsprekendheid, dit meisjen is ... 'n meisje!

--In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.

Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker

te gelooven dan 'n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet,

maken 'n onderscheid.

--In-godsnaam dan...

--Ja ... dit meisjen is 'n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene

vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...

--Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!

--Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp 't heel goed.

--Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die

er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet

je de verzenen tegen de prikkels slaan.

Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur

tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als 'n hulde aan haar diepere

geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de

verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of

de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen

in 't midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen

de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:

--Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder

onderscheid, maar...

--Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de

muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...

--Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.

Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen

aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos

als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.

--Hé ... hoe meent u dat, dominee?

--Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit _Josua twee_ ... er hangen

roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen

der aarde...

Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets

deftigs, en schaadt niet. Maar:

... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke

dikke bakkebaarden heeft.

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld · 第 11 / 20 题