Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat "ze wat hadden omgegooid."

Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van

"achter-onder." 't Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van

achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien,

achter. Vreeselyke opschudding.

Eindelyk:

De kinderen waren "terechtgebracht." Juffrouw Zipperman zat weer in

den hoek "waar 't zoo tochtte" waaruit men ziet hoe alle aardsche

grootheid 'n keerzy heeft, en dat 'n schoonzoon by 't kadaster--of

de assurantie--regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw

Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen

waren gekastyd. "'t Was juist als in de Schrift stond", zei ze, en ze

haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar

't staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het èrgens staat. Want

in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.

--Kom, Stoffel, vertel jy nou 'reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw,

die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.

--'k Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste

sokratische hovaardy.

--Och toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... och toe--zoo

is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden,

anders gaat 't niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwe zien--toe,

Stoffel!--hy zal moe wezen van z'n school, weet u... 't is 'n gedoe

met zoo'n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is 'n heele boel aan

vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk

zyn. Is 't niet waar, Stoffel?

--Né, moeder.

--Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je--'t is maar, weet uwe,

juffrouw Zipperman, om 'm aan 't praten te krygen, maar dat kan zoo

in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z'n school--verleden zei

je, dat alles...

--Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.

--Nou hoort uwé 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Begryp

'ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook--je

korrenet, weetje--en jy ook...

--Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en

baker ook.

Baker keek heel vreemd. _Zy_ mannelyk... dat had ze nooit geweten.

--Baker is mannelyk, ging Stoffel voort--nou begint-i! riep z'n

moeder--alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker,

bakker... raker, maker, baker.

--Is 't mogelyk! riepen de gasten uit één mond.

--Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd

staan als je 't hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?

--Ik... ik? Wat ik bèn?

--Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?

--Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei 't mensch, maar ze zei 't met wat

twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse,

en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in 't

eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.

De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van

'n byzondere zaak 'n algemeene makende, vroeg Stoffel's moeder,

kringsgewys rondgaande met haar blik:

--En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw

Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat

je bent?

Ze wisten 't geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen

die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende

de hoogschalke Stoffel 't niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps

antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:

--Ik ben juffrouw Laps!

--Mis... mis... glad mis!

--Wel heerem'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?

--J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet

gevraagd _wie_ je bent, maar _wat_ je bent... daar zit 'm 't fyne!

--Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!

--J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is 't nu

niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...

Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal

mogelyk:

--Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk

oogpunt.

--Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op

't punt staat zich beleedigd te voelen.

--Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.

--En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw,

met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan

was vasttehouden aan die meening.

--Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...

--Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.

--Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we

komen voor ons plezier.

--Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek--Stoffel, zeg 't

maar--je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat

't in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen--toe, Stoffel,

zeg 't maar!

--Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig--en er was 'n gewichtig oogenblik

aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse--juffrouw Laps,

je bent 'n zoogdier.

Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er

volgde op dat vreeselyk woord.

Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen,

en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants

in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die

gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. De voorlaatste

fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las,

bepaalde zy zich tot 'n schrikinboezemend violet, en riep... neen,

ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel

tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op 'n wyze

die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien

avend waren komen te overlyden.

Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen

als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in 'n dikken wolk van

rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze

stamelde deemoedig:

--'t Staat in 'n boek, 't staat waarachtig in 'n boek! Och, lieve

menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek!

Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te

bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna 'n oogenblik, hoestte, wierp

't mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:

--Juffrouw Pieterse, je bent 'n keronje. Je mag zelf 'n zoogdier wezen,

jy en je zoon, dat zeg _ik_ je! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te

denken, want m'n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie

zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me

ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder

't zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over 't

bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen,

hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit

is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag,

zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En

ik zeg je nou nog 'ns dat je-n-'n keronje bent, jy en je zoon en je

heele familie--weg, Trui!--m'n vader was in de granen, weetje... en

ik ben te fatsoenlyk om door jou...

--Maar mensch, 't staat in 'n boek... omdeliefdewil, geloof me... 't

staat in 'n boek!

Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die

Godswoord hebt verkwanseld en verdaan op _d'ouwenbrug_...

Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z'n

moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer 't een voor

't ander.

--Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys 't toch aan

de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!

--Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te

wyzen in je boek, dat zeg _ik_ je! En ik zeg je nogeens dat je-n-'n

keronje bent, jy en je lummel van 'n zoon, en je sletten van dochters

die opgroeien als...

Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets

haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. 't Overige

gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd 'n woordje tusschen. Er

kwam weer 'n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de

politie dreigde. De kinderen maakten gebruik van de opschudding,

om hun konsigne te breken. Ze hadden 't bed verlaten, en loerden

door 't sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar "lodderyndoos"

en zei dat ze 't besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar "oudje"

en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.

Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. "Men kon veel verdragen,

maar dàt niet." Juffrouw Krummel zou 't geval meedeelen aan haar

man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of 't kadaster. Vrouw

Stotter zou 't vertellen aan dien m'nheer op de Prinsengracht, dien ze

gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder

wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet

of 't by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de

huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken

door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in

't vorige hoofdstuk.

Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag

van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek

baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje

voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt

dat nog gebeuren moet.

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld · 第 10 / 20 题