Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door 't
verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:
--De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft
gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens
loopen 'm na ... kyk hier!
En ze wees door 't raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens
met veel gejuich 'n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden
te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen
... houd je staart recht!
Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar
dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en
Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid
te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand de pyniging
van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen
door huisdominee zelf, die in 't wynhuis had hooren spreken over
die geschiedenis van den briefbesteller, en by z'n aankomst in de
woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i
behandelen moest.
--En, voegde Leentjen er by, 't is niet nu alleen ... 't is niet
altyd even erg, maar laatst met Habakuk...
--Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd
was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee
bearbeidde.
My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat
ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen
eind gemaakt had.
Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van
juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon,
en leverde hem over aan de straatjongens die terstond 'n liedjen
op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk
niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat
uittegeven als echten _codex_, strydt tegen m'n principes.
Zoodra juffrouw Laps zich 'n beetje hersteld had, koos zy de
verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.
--O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is,
om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de
Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren
Jeruzalem's. Dàt heeft-i bedoeld met z'n briefbesteller. M'n vader was
in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar
ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening,
weetje?
--Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...
--Zoo zegt Leentje, maar...
--En al dat volk op de straat! Hoor eens...
--Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen
op de straat, en toen kwamen er beeren...
"Hei, hei ... pas op je verzenen!" klonk het buiten.
--Waarom zendt de Heer z'n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag
dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller,
bestond in 't verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had
ze alweer gelyk. Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men
wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is
'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie,
drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal.
--Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze
hierin 'n reden vond om huisdominee's taal niet zóó ver wegtewerpen
als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.
--En al waar-i voor 'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft
men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te
doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?
Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.
Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade,
en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en
sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men 'n gebouw
wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar 'n pyler omhalen of
'n hoeksteen wegbreken. _Sit ut est, aut non sit._ Huisdominee was
dus geheel in z'n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de
zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid,
wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.
--Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep
Juffrouw Pieterse in 't eind.
Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn
tot de preek van den dag. Hy behandelde _Ezechiel_ en de afscheiding
van de tien stammen, en deed er wat by uit _Mattheus_. Daarna ging-i
over op de _Makkabeen_, en sloot met Daniel, Paulus, 'n _Onze Vader_
en den H. Geest.
--Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?
Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt,
waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.
--Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken
van de _Openbaring_?
--Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters
... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...
--Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.
--Als we hem eens 'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren,
van-achteren-af?
Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor
den dag gekomen waarin slot en zin stak.
--Als ik hem eens by _my_ nam, juffrouw Pieterse? Om 't geld is
't me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...
Wouter rilde.
--Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven,
en ik zou hem oefenen ... want om 't geld is 't me volstrekt niet te
doen. _Oefenen_, weetje?
Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal
voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen
heeft, en dit vind ik dan ook--alles in aanmerking genomen--maar het
beste. [12]
Doorslaand bewys van Wouter's beterschap, blykbaar uit 'n
kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie
in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.
Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om
hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon
wys worden uit haar beschermeling.
In 't mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over
de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes--dat toch alles is wat
men van heen-en-weertjes verlangen kan--doch haar bevattingsvermogen
schoot te-kort by Wouter's vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon
zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met 'n
medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z'n
verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal
weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten
... helaas, Wouter's ziel was haar pepernoten ontwassen, en de
ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.
--Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het
hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe 't schepsel
heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.
--Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker
dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.
--Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch
vroeger moeten weten, dunkt me.
--Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide,
wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam 't my weer
duidelyk voor den geest.
--Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.
En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar
die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken,
den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht
toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.
En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde
hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis "van
den vloer" wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning
van z'n brugje, en luisterde naar 't geklepper van de molens. Ze
vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.
--Ze zal te veel bezigheid hebben aan 't hof myner moeder, zuchtte
Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.
Maar als-i door 't venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk
tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets
beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze
ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen "naar huis", en
met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:
--Omikron, Omikron! [13]
Na lang beraad, en op Wouter's uitdrukkelyke belofte van
beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden,
en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of
althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen
in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplange
_o_'s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.
Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was,
en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou 't dus ook
wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderen van huisdominee,
want de tegenwoordige "behoorde tot de klasse der wynzuipers." Nu,
dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie "gedaan" by 'n wezenlyken
dominee die na kerktyd uit 'n boekje "vragen overhoorde." Den titel
van 't boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren: