INLEIDING.

In de eerste jaren na 1860 heeft Multatuli zijn lezende en denkende

landgenooten in heftige beroering gebracht: door de _Max Havelaar_,

door zijn geschrift _Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië_ en

door zijne _Minnebrieven_ wekte hij geestdrift eenerzijds, sterke

afkeuring andererzijds door zijne excentrieke persoonlijkheid.

Voor den groeienden kring zijner aanhangers begon hij in 1862 zijne

_Ideen_ uit te geven. Deze verschenen op ongezette tijden per vel

druks in een lossen omslag, dien M. als correspondentieblad met

zijne lezers en lezeressen gebruikte. Zoodoende kreeg hij voeling

met zijnen lezerskring. De strijd om recht te verkrijgen voor den

Javaan werd verruimd tot een "strijd tegen Droogstoppelarij in

alle beteekenissen": "Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk,

maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of

benauwd is", verklaart M. in I. 403.

En dit deed hij--schrijvende naar den indruk van het oogenblik--in

kernachtige spreuken en prikkelende paradoxen, in parabelen en

betoogen, soms zangerig en dichterlijk van taal, dan weer vlijmend

scherp van toon.

M. leefde voor en in zijn geestelijken strijd. Hij was vol moed

en vervuld van hoop, toen zijne Ideen bij velen insloegen. Maar

nieuwe denkbeelden dringen tot de groote hoop, ook tot die der

intellectueelen uiterst langzaam door: ondanks een groeienden kring van

geestverwanten lieten werkelijke hervormingen op zich wachten. En dit

maakt geestelijken strijd zoo ontmoedigend. Deze ontmoediging heeft

M. ruimschoots gekend en het heeft hem vaak bitter gestemd, ja het

vervulde hem met walging. En dan barst hij uit in een wanhoopskreet:

"Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel

walglyks òm my." (I. 360-361.) En dan zegt Fancy hem tot troost een

sprookje voor, een sprookje geboren uit heimwee naar de heerschappij

van 't goede, schoone en ware.

Een zeer eigenaardig sprookje is de _geschiedenis van Woutertje

Pieterse_: geen zweverig sprookje, dat buiten het alledaagsche

leven omgaat, maar het wonderverhaal van een ontwakende dichterziel

temidden der meest stuitende alledaagschheid en van zijn streven

naar goedheid, waarheid en schoonheid in een wereld, waar platheid,

zelfzucht en eigengerechtigheid hoogtij vieren. Het is de strijd van

Multatuli's eigen kinderjaren, dien hij eerst onbewust, later bewust

gestreden heeft.

Toch moet de Woutergeschiedenis niet opgevat worden als M.'s

autobiographie. In dieperen zin is dit wel het geval: het leed,

de droomen, de innerlijke strijd en ontwikkeling zijner kinderjaren

zijn er in geteekend. Maar _niet_ zijn ouderlijk huis, _niet_ zijn

moeder vooral. Alleen de schepping van Stoffel staat eenigszins

in verband met herinneringen aan een niet zeer beminden broeder en

Leentje is historisch. Episoden als het romanlezen, de pepermenthandel

met de Hallemannetjes, de kantoorcarrière bij de firma Kopperlith,

en het twijfelachtig genot van de uitnoodigingen op hun "buiten",

Femke en Pastoor Jansen (voor wien een braaf dorpsdominee tot model

diende),--dat alles is min of meer historisch.

De groei van een kinderziel in een gezin en een maatschappij, die

door conventie verwrongen zijn, en die door de kracht van dien

zuiveren, innerlijken groei bestemd is om eenmaal de knellende

vormen te verbreken, maar voorloopig moeite heeft zich te schikken

in de grootemenschenwereld, die hij niet verstaat: dat is de

Woutergeschiedenis.

Voor het eerst heeft Multatuli in ons land den ontwikkelingsgang

van het kind in een kunstwerk geschetst. Wat Rousseau met zijn

_Emile_, Bernardin de St. Pierre met _Paul et Virginie_, von Sallet

in _Contraste und Paradoxe_ hebben gedaan, dat deed Multatuli op

zeer oorspronkelijke wijze in zijn Woutergeschiedenis. De Fransche

schrijvers plaatsen hun kinderen _buiten_ de werkelijkheid. Maar

Multatuli plaatst Wouter _midden_ in het leven. Hij laat Wouter

opgroeien in een uiterst-bekrompen, kleinburgerlijke omgeving. Deze

omgeving schetst hij met scherpe humor; hij laat zien hoe bekrompenheid

van woning samenhangt met die van lichaam en ziel: "begrippen van

deugd, zedelijkheid, godsdienst zijn veelal geschoeid op de leest

van de ruimte waarin men zich bewoog", en "er bestaat 'n zeer innige

verwantschap tusschen de benauwde tweede-achter-verdiepingsche

denkbeelden, en de bekatechiseerde stofferigheid van zoo'n

omnibus-bedstede. _Alles is in alles._" (I. 401.)

Wouter nu doorbreekt dien samenhang tusschen uiterlijke en innerlijke

bekrompenheid. Hij ontwikkelt zich juist in sterke tegenstelling

tot zijn omgeving. Bij deze heerscht harmonie tusschen uiterlijke

omstandigheden en innerlijk leven. Maar Wouter groeit innerlijk

tegen de verdrukking in door den adel van zijn aanleg. Telkens

ontvlucht hij het ouderlijk huis om te droomen bij slooten en molens

en bruggetjes. Daar gaat de romantische boekenwereld voor hem open,

daar vindt hij Femke en de liefde en uit al die sensaties wordt

Fancy geboren.

De tegenstelling tusschen Wouter en zijn familie vinden we terug in de

tegenstellingen in de omgeving, waarin hij opgroeit: 't huis Pieterse

en consorten staat tegenover Vrouw Claus en Femke, huisdominee en

Pennewip tegenover Pastoor Jansen, de holle deftigheid der Kopperliths

tegenover de wezenlijke superioriteit der Holsma's.

In het tweede gedeelte der Woutergeschiedenis krijgt Wouter een

lotgenoot: tegenover Wouter, die aan kleinburgerlijke bekrompenheid

tracht te ontkomen, verschijnt Prinses Erica, die zich tegen

vorstelijke geesteloosheid en vormelijkheid verzet.

Wouter ziet in Erica de ware verschijning zijner Fancy, door wie de

liefelijke Femke wordt verdrongen. Erica waant in de ruwheid van

het volksleven, in den degelijken eenvoud van Vrouw Claus de ware

menschelijkheid te hebben gevonden.

En onbewust spreekt ze waarheid, als ze bij vergissing in de donkere

kroeg Wouter _Mein Bruder_ noemt: want als zusterzielen zoeken beiden

naar poëzie en ware menschelijkheid in de sfeer tegengesteld aan

de eigene.

Het verzoenende beeld, dat deze uitersten moet opheffen, is geteekend

in het gezin van dokter Holsma: niet in hoogheid van rang of eenvoud

van leven, maar in zuiverheid van gemoed, in innerlijken rijkdom

schuilt de ware menschelijkheid. In de uitspraken van Dr. Holsma,

Zielearts en Opvoeder in den waren zin des woords, vinden we

Multatuli's eigen denkbeelden terug.

Wouters ontwikkeling wordt zeer uitvoerig geschetst: zijn kleeding,

zijn leeren, zijn omgang met kameraden en vriendinnetjes, zijn

reageeren op moederlijke en Pennewipsche paedagogie, zijn tobben over

de z.g.n. levenswijsheid der groote menschen en dan het ontwaken in

zijn gemoed van liefde en begeerte naar macht om het goede te doen

zegevieren, zijn tobben, waarom een almachtig God zooveel onrecht

duldt, de botsingen van zijn ontwakend idealisme met het bestaande

thuis, op school, in den handel.--dat alles wordt in fijn gevoelde,

humoristische tafreeltjes geschetst.

De Woutergeschiedenis is onvoltooid gebleven. Wel is het Multatuli's

plan geweest Wouter tot diens dood toe te volgen, daarom liet hij hem

dan ook omstreeks 1800 geboren worden. Maar de bittere stemming over

kritiek op zijn werk en persoon, over het uitblijven der zoo vurig

bepleite hervormingen, verduisterden voorgoed de Fancy-verschijning

in zijn gemoed.

En zoo verliezen we Wouter uit het oog als een jongen, die op het

punt staat het groote leven in te gaan. Hij is bezield met goede

voornemens--maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegt Multatuli

er aan toe.

En zijn de eerste daad als hij met Pastoor Jansen op pad gaat om

_eigen_ domheid te herstellen, is een poging twee meisjes van _hare_

domheid te redden: en dit stemt sceptisch of Wouter zijn goede

voornemens inderdaad ten uitvoer zal leggen.

Multatuli beperkt zich niet tot het schetsen van Wouters

wederwaardigheden: hij wijst telkens op fouten in opvoeding en

onderwijs, op bekrompenheid, op maatschappelijk onrecht. Hij trekt

telkens een parallel tusschen de ontwikkeling der kinderziel en

die der menschheid: hij vindt hierin aanleiding opmerkingen over

taalontwikkeling, mythologie, folklore en geschiedenis te plaatsen.

De grens tusschen deze uitweidingen en de Woutergeschiedenis is vaak

moeilijk te trekken: soms zijn het korte kernachtige spreuken, soms

dijen ze uit tot lange vertoogen.

Zoo vinden we _hoofdstukken mèt_ en _hoofdstukken zònder ideen_,

ook wel eens _Ideen zonder hoofdstuk_, herhaaldelijk hoofdstukken

met zijsprongen op 't gebied van kunst, geschiedenis, zedelijkheid,

politiek of literaire kritiek.

Zoo is de Woutergeschiedenis in en door de Ideen heengewerkt, maar toch

als een bewuste tegenstelling tot die Ideen. In de Woutergeschiedenis

geeft Multatuli de idee op de wijze van het sprookje, de idee

gekleurd door het schoone licht der fantasie. Maar telkens weer

wekten de beelden door Fancy hem voorgetooverd den beschouwenden,

kritischen geest van den schrijver; dan onderbreekt hij Fancy om

redeneerend, afbrekend en opbouwend aan _hare beelden zijne ideen_

te demonstreeren. En dan gebeurt het niet zelden, dat hij van idee

tot idee voortredeneerend, Fancy laat glippen.

Zoo is de Woutergeschiedenis zeer nauw, ja haast onverbrekelijk met

de _Ideen_ verbonden: en tòch, wie de bekoring van Fancy's sprookje

ten volle wil genieten, zal bij voorkeur achter elkaar die stukken

van de _Ideen_ opslaan, waarin de Woutergeschiedenis wordt voortgezet,

en de betoogen, die deze onderbreken, zooveel mogelijk overslaan. Want

ondanks alle uitweidingen is ze in zichzelven een eenheid van groote

schoonheid. Dit nu komt beter tot zijn recht in een afzonderlijke

uitgave, dan in de _Ideen_ zelve.

Wegens den innigen samenhang met de _Ideen_ echter is Multatuli

nooit overgegaan tot het bewerken eener afzonderlijke uitgave en

heeft zijne weduwe sterk geaarzeld, eer ze er toe kon besluiten.

In deze nieuwe afzonderlijke uitgave zijn weer meer stukken weggelaten,

dan in die van Multatuli's weduwe. De eenheid en samenhang dezer

kunstschepping zuiver te doen uitkomen is hierbij richtsnoer geweest,

doch allerminst was het de bedoeling den samenhang met de _Ideen_

weg te doezelen; wie de Woutergeschiedenis volkomen wil leeren kennen,

leze deze zoowel in de afzonderlijke uitgave, als in de _Ideen_.

Daar vele der weggelaten betoogen in zeer nauw verband staan tot de

Woutergeschiedenis, is in noten met enkele woorden naar deze _Ideen_

verwezen; minder belangrijke coupures zijn echter niet aangegeven.

Dat thans eene geïllustreerde uitgave verschijnt is geheel in den

geest van den schrijver; dat vaderlandsche kunstenaars zich niet

geroepen voelden Wouter in zijn pittoresk milieu uit te beelden,

was hem steeds een grievende teleurstelling. [1]

Door besprekingen met den Heer Van der Valk over de keuze der

illustraties en met ondergeteekende over het al dan niet weglaten

van sommige stukken heeft Mevrouw de Weduwe Douwes Dekker--Hamminck

Schepel ook aan deze uitgave hare vriendelijke medewerking verleend.

Dat een en ander _hare_ goedkeuring verwierf, moge gelden als waarborg,

dat de bewerking dezer uitgave het werk van Multatuli tot zijn recht

doet komen.

J. van den Bergh van Eijsinga-Elias.

Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.

Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over

zooveel walg'lyks òm my.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen? [2]

_Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer

geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in 'n

stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van

valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen 't vermoeden

van misdaad. Apothéose van Glorioso. 't Gevaar van den roem, en de

veiligheid van 't bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van

Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had--ik meen de Kat--als de

kinderen die z'n versjes moesten leeren--de versjes van Van Alphen,

meen ik--en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze

moesten aanhooren._

Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip

te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt,

zal ik 'n paar punten opgeven als _jalons_.

M'n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. 't

Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze

meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. "Dat

was zoo zuinig, meende de ziel, om 't schoeisel." Daaruit zou men nu

weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.

Hoe dit zy, 't is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb _bepaald_

pyn in 't hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de _inkomende

Rechten_ bestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen

nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, 't is

lang geleden.

Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat _hartenstraat_ genoemd

wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit

heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook

hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde

die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker

beteekent.

Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het 'n

straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die

ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een

der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.

Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet

blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar

volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men

ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke

stand wordt geregeld bygehouden... er is geen _Ghetto_ geen

_Templebar_, geen "Chinesche kamp", geen _Cour des miracles_... wie

er 'n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of

Jansjen. Alles proza.

Er is moed noodig om 'n verhaal te doen aanvangen in 'n plaats die op

"dam" uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence's of Héloïzes kan

laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang

geprofaneerd zyn.

Hoe maken 't toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions

aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri's

en Ernesten die evenzeer doen denken aan _M'sieu_ Henri en _M'sieu_

Ernest uit den _nouveauté_-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?

Göthe was 'n moedig man: _Grietje_, _Klaartje_...

En ik: in de hartenstraat!

Maar ik schryf geen roman, dat 's waar. En al schreef ik 'n roman, dan

nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En

wel van iemand die in z'n jeugd verliefd werd op 'n houtzaagmolen,

en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.

Want verliefdheid is 'n kwaal, al is 't maar op 'n molen.

Men ziet dat m'n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig

eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als 't me wat al te mager

voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de

Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geen

_Eau de Lob_ hebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit

'n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.

In de hartenstraat dan was 'n leesbibliotheek. Een kleine jongen met 'n

stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het

was hem aantezien dat-i gebukt ging onder 'n plan boven z'n kracht.

Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens

veranderde hy die halfvolbrachte beweging in 'n onnoodig neertrekken

van 't rechthoekig hemdskraagje dat als 'n juk op z'n schouders lag,

of in 'n even onnoodig tegenhouden van 'n gemaakte kuch.

Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten

die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot 'n

staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke

soldaten, dwaalde z'n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die

vreest betrapt te worden op misdryf. 't Was duidelyk dat-i 'n opzet

in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de

blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de

krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder 't opgeschort

kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z'n broekzak,

zou allicht op 't denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was

huisbraak te plegen, of zoo-iets.

Want hy heette Wouter.

't Is wel gelukkig dat ik op 't idee ben gekomen z'n geschiedenis te

verhalen, en ik beschouw 't als 'n eerste plicht u te zeggen dat-i

volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.

Maar 't zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken

van andere vergrypen. 't Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in

z'n linkerbroekzak, was wel geen _rossignol_, geen _passe-partout_,

geen _casse-tête_, geen _tomahawk_ of _machine infernale_... maar

toch 'n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z'n

Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman op

_d'ouwenbrug_, en 't plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep

in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z'n intrede in de

tooverwereld der romanlektuur: hy wilde _Glorioso_ lezen.

_Glorioso!_ Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!

Al de Rinaldini's en Fra Diavolo's van later tyden mogen niet op één

dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte

by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen,

en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.

Maar dit laatste was Glorioso's schuld niet, zeker niet. Men zou

schromen 'n held of 'n genie te wezen--of 'n roover zelfs--als men

daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na

jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.

Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na

m'n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis

myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m'n weg naar roem niet

laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal 'n Nieuw-Testament

met gezangen kon worden verkwanseld voor 't "_Leven en de daden van

Multatuli_", schoon ik 't niet duur vinden zou.

--Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.

Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen van

_Glorioso_. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als

'n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden

toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i

eenmaal toornig was gemaakt door doelloos "malen" aan de deur. Althans

Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet

wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... 't was of de boekwinkel

hem inslikte.

--_Glorioso_... asjeblieft, m'nheer, en hier...

Hy haalde z'n _machine infernale_ voor den dag.

... en hier is _geld_!

Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met

de romanziekte, dat men in 'n leesbibliotheek "pand" eischte van

onbekende klanten.

De boekenman scheen zich "gedekt" te achten door de neergelegde

veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast 'n deeltje dat, vet

en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk

genot.

Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun

bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de

lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld

gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar 't is

niet moeielyk rein te blyven als men op de bovenste plank staat,

en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk

hadden. En dat vind ik van veel preeken.

Na met 'n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette,

verstopte Wouter z'n misdadig geluk onder 't helend kieltje, en vloog

de deur uit, schichtig als 'n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze

"uren lang gedoken zat."

Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den

schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent

den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman

op Wouter's heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en

de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met 'n

wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote

menschen bezien door de kleine.

Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar

toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte

was bekrompen.

Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan 'n poort die hy zich

herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook

niet. 't Was 'n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar

asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje

Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter

niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl,

en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z'n durven.

Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis

was in _Habakuk_, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven

tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien 'n barometer in z'n

verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd

waarschuwde als 't regenen zou.

In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter's overgang van

de kinderlektuur tot de boeken waarin van "groote menschen" wordt

verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z'n

eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken

der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet

voorkomen in 'n burgerhuishouden.

Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z'n grootere

makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er

gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in 'n koets rydt, steden

verwoest, prinsessen trouwt, en 's avends opblyft na tienen, al is er

niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en

heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen. [3]

Een Italiaansche roover op 'n buitensingel te

Amsterdam. Proefje van 't bitter lyden der deugdzame

Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige

waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen

der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe

eerlykheid ryk maakt.

Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig

voor de afwezige schoonheid van 't landschap aan 'n moddersloot kwam,

waarover 'n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar,

na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was,

en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z'n roover.

Ik heb 'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot

te maken van Wouter's genot, door 't leveren eener schets van 't

onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso's

geschiedenis niet recht ken--wat me trouwens niet volstrekt beletten

zou er over te spreke--heb ik u veel andere zaken te verhalen van

dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de

hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg

te nemen over _d'ouwen-brug_. Laat het u genoeg zyn te weten dat het

"heel mooi" was. "De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht,

aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber

cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den

edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen,

met derzelver zilte tranen... kortom, 't was treffend. Ook was er meer

zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende

waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond

'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt

werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen

die Wouter vergeefs tegen 't licht hield om er meer van te weten.

Hy las tot "sterf verrader". Toen was 't donker, en hy begreep dat

het tyd werd 'n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de

Hallemannetjes "_dat_ zulke fatsoenlyke kinderen waren." Met weerzin

sloot hy 't dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde

beknord te worden over z'n lang uitblyven.

"Hy zou nooit weer permissie krygen" werd er by zoo'n gelegenheid

gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe

wist-i te goed dat men graag de kinderen "eens van de vloer heeft,

als men zoo klein behuisd is." En: "de Hallemannetjes waren zoo

buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast 'n huis met 'n balkon,

en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen."

Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de

andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef

van m'n geloof, wil ik hier 'n voorval inlasschen dat iets vroeger

had plaats gevonden.

Wouter ontving geen zakgeld. Z'n moeder zei dat hoefde niet omdat hy

thuis alles kreeg wat-i noodig had. 't Stuitte hem altyd te moeten

wachten op vergunning om "meetedoen" als z'n kameraadjes met den

bal speelden, en hem verweten dat hy 't zyne niet had bygedragen

tot aanschaffing van dat meubel. 't Kostte drie duiten in Wouter's

tyd. Nu zal 't wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de

staathuishoudkunde.

En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z'n voortdurende

geldeloosheid. Later zullen we zien of 't waar was, wat z'n moeder zei,

dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men

hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid

te beschikken _naar eigen wil_. Wat toch zoo heel prettig is voor

kinderen. En voor menschen.

De Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk waren--gaven hem heel

duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te

dragen van 't verkeer. Fransje berekende dat Wouter's vriendschap hun

al negen stuivers gekost had--wat ik duur vind, niet om de vriendschap,

maar om 't berekenen--en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat

ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig

had om z'n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou

omdat i 'n insteekpakje droeg. [4] Maar de griften had ze aangenomen,

en overgedaan aan Gus voor 'n zoen.

De bittere verwyten der Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk

waren--maakten Wouter wanhopig.

--Ik heb gevraagd aan m'n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.

--Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes

d. z. b. f. w. Je bent 'n klaplooper.

Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets

maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.

--Klaplooper, klaplooper... ik ben 'n klaplooper!

Schreiend liep hy heen, en koos 'n omweg om de straat te myden, waar

lange Ceciel's vader 'n lappenwinkel "deed". Och, als ze gezien had

hoe hy als 'n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was

èrger dan de broek boven 't buisje.

--Klaplooper, klaplooper!

Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren,

maar ze huilden er niet om als Wouter.

--Klaplooper!

Hy zag 'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. 't

Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.

--Klaplooper!

Daar kwam de man van de vuilniskar, die 't woord naklepperde met z'n

ratel, 't Was niet uittehouden!

Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes

d. z. b. f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te

behalen op 'n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had

men 'n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor 'n duit zou

't voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit

hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet

alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan

meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moest _kapitaal_ wezen. Zy

zouden de inkoopen doen, _zy_ zouden zich belasten met den verkoop,

en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.

--Klaplooper... klaplooper...

Wouter _stal_ 'n gulden uit het "knipje" van z'n moeder, en bracht

die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w.

--Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had

om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze

gaf door zwygende verlegenheid.

--Hoe kom je 'r aan--zonder vraagteeken alzoo--zie, nu zullen Franssie

en ik ieder 'n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan

koopen _wy_ de peperment. Op de Rozengracht is 'n fabriek... zóó'n

zak voor vier schellingen! _Wy_ zullen al de moeite doen,

Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten,

weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld--hy zal betalen

na de vakantie--_wy_ zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft

niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...

Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou 'n

daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel

'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van

z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan 'n paar

griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot

'n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den

weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden

ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik

weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig

insliep, in de hoop dat-i weldra 'n goed geweten hebben zou over 't

bestolen knipjen en 'n voldaan hart over z'n liefde tot lange Ceciel.

Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen

van de Hallemannetjes!

Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school

verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder 't

gewicht van 'n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten

of Kris Kloskamp z'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die

brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich

bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen

geen zak peperment droeg, maar bovendien 'n zeer ernstig gezicht

meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.

--Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy

was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag

anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't

vooruitsteken van zyn gelaat.

--Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.

Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z'n geweten en z'n

hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend "moeder's

knipje" weg, houtborend potlood dat 'n opening klieven zou in 't hart

van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!

--Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...

--Ja...a...a, hikte de arme jongen.

--En die Kris Kloskamp, die 'r twaalf besteld heeft, weetje?...

--Ja...a...a...

Of Kris ook smelten zou?

...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.

--Zoo...o...o?

--Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik,

dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment

tegenwoordig heel zwaar is, weetje?

--Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in

levensgevaar 'n "eerst" beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel

zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven.

En hy bood Wouter 'n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig

woog op z'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i

't... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op

dat oogenblik.

Fransje stak 't zware pepermentjen in z'n mond, en zei, al zuigende:

--Ja wezenlyk, heel zwaar... 't is engelsche, weetje? En dan is

'r nog wat... niet waar Gus? 't Fatsoen! Toe Gus, zeg jy 't maar.

--'t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.

--We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.

Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.

--Zeg jy 't maar, Gus.

--Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met

'n zakje, en by ons "op" de gracht...

--Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont

m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft...

--En 'n balkon ...

--'t Is maar om 't fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek

komt, dan prezenteert onze mama...

--Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is

van zilver...

--Né, Franssie... maar 't is net als zilver, weetje Wouter?

De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te

komen wat-i inderdaad _niet_ wist: het verband tusschen al die dingen

en _zyn_ vervlogen hoop. Hy stamelde:

--Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?

--'t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.

--Ja. Gus.

--En braaf.

--Ja...a...a... Franssie!

Arme Wouter!

--En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...

--Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als

't winter wordt kan je 't zien, dan gaat-i rond met 'n weesjongen...

--Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...

--Dat je...

--Die gulden...

--Die gulden, weetje?

--Dat je 'm niet...

--Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die

'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot

versterking zeker na dat beslissend woord.

't Was er uit! Arme, arme Wouter!

--En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maar _gelyk_

deelen... dat is afgesproken!

--Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... _wy_ hebben al de moeite

gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!

De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en

alzoo... Wouter ontving acht stuivers.

--Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is.

--Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies

op zilver.

Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de

buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over

tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel

van Wouter's moeder, omdat ze "nauw behuisd" was. 't Is de vraag of

zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt

hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in

't huishouden. [5]

Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de

rechtbank van 't geweten. De onmannelykheid der natie,

volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de

gebreken van Leentje, beschouwd uit 'n menschenvriendelyk

oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke

spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen

van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip's

eer. Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te

herstellen.

Hoe 't zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte,

Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent

den oorsprong. Over z'n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet

zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z'n

nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z'n

uitstapjen in de Abruzzen, en by z'n terugkeer in Amsterdam viel hem

de herinnering aan z'n boosheid--of liever 't voorzien van de straf

die er volgen zou op die boosheid--drukkend zwaar op 't gemoed.

Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen

vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou 't Nieuw-Testament

niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de

week zou er niet naar gevraagd worden.

Nogeens: 't was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of

zoo-iets van dagelyksch gebruik...

Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten _Glorioso_ achter

de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong

z'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder

't nooit geweten heeft.

Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik

weet niet of "broek" mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken,

vooral omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik "_broek, m._"

in 'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén _m._ achter _natie_. Dat zal

'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.

Of Wouters's broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de

scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en

ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en 's avends 'n boterham.

Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: "goeien

avend, juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien

avend, Wouter"... en de rest.

Want Wouter's moeder heette "juffrouw" om de schoenmakery. De

jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n

broer was "m'nheer" sedert diens benoeming tot derden ondermeester

aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z'n buis

gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en "Stoffel" paste

toen niet langer, meende Wouter's moeder. Maar dezen noemde Leentje

eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy

haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy

haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld

wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.

Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was

foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook

beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze

zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken

in _de Nederlanden_.

Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers

en 'n boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch

niet aangenaam in den omgang.

Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het

gansche gezin "heel" en verstond de kunst om een broek, twee buisjes

en 'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten

er nog lappen over voor de _sous-pieds_ die Stoffel noodig had voor

z'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout

in Euklides.

Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men

bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De

"jonge-juffrouwen" spraken gedurig van "stand" en "dat ieder op

z'n plaats moest blyven." Dit gold háár. Leentje's vader namelyk

was 'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de

jonge-juffrouwen had 'n winkel "gedaan" waarin-i schoenen verkocht die

uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot verschil. Want het is deftiger

iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n ander, dan zelf wat te maken.

De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist

gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid

van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en

geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest,

het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6]

Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z'n hemdsboordjes,

"die zoo nadeelig werkte op 't respekt" en klaagde dat ze hem altyd

zoo mal aankeek, als-i "heeren had."

Dat "heeren hebben" was 'n _privatissimum_ over de leerwyze van

Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd

voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet

geslaagd in 't wegbyten van 'n lach, toen ze Stoffel z'n naam hoorde

spellen, en uitvaren tegen 't onkiesche ouwerwetsche "esse té" dat

dan ook leelyk is.

En dan, die bessen met suiker!

Aldus had ieder z'n grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield

veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam,

misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel

genoodzaakt was, of genoopt althans, z'n troost te zoeken by haar. Want

alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin

in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.

Wouter's moeder noemde hem: "die jongen." Z'n broers--er waren er meer

dan Stoffel--beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig

sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem

'n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De

zusters verklaarden hem voor "sleets" of "sleetsch." Ik weet niet

hoe ze 't spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar

by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond

het schande dat men niet meer "werk maakte van 'n jongen als hy." Ze

scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En

dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis

te vertellen.

Tot kort na de expeditie naar _ouwenbrug_, hartenstraat en aschpoort,

was Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen

die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over

de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm "redelyk" gaf,

en "uitmuntend" met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje,

die geen "som" alleen wist te maken en altyd steken bleef in de

hollandsche graven.

--Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis

van Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond.

Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's

vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die

graven en hun gedurig verhuizen.

Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat

Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt

van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van

's mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was

door Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is,

of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander.

Of, als z'n broers hem plaagden met 'n sarrend "professer

Wouter"... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat "mal

gekrabbel op 't behangsel"... of, als z'n moeder hem strafte voor

dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist

zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was 't altyd Leentje die

Wouter's gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze

den winkelhaak in z'n kleeren onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar

"heen-en-weertje."

O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief

gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat

al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk:

--Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje

voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven

die gedurig overgingen van 'n eene huis in 't ander.

Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie

van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende

terugblik op Scelerajoso's dood, dien we, om 't gevoel des

lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreide _binnenlandsche

betrekkingen_, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk

sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven

magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen

eener eigenaardige stofwisseling.

Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van

't wegmaken van z'n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de

man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de

ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig

en beweerde dus dat zoo'n jongen opgroeide voor de galg, want:

--Men begon met 'n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met

wat anders.

Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch dat

_andere_ wel wezen zou, als men begonnen was met 'n bybel. Ik denk dat

zyzelf 't niet wist, en dat ze 't maar zoo zeide om de menschen in

den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de

zaken verstond dan zy uiten wilde. 't Is my wel, schoon 'k niet houd

van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als

't myn zaak geweest was, zou 'k juffrouw Laps den duim tusschen de

deur gezet hebben.

Stoffel hield 'n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee

vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets

dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met

'n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: "dat de eer van de familie

op _d'ouwenbrug_ was verloren gegaan, dat hy, als "eenige" oudste

zoon van 'n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads

tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van 't huis...

--Van Beieren, zei Leentje zacht.

...dat 'n huwelyk of 'n _andere konditie_ voor de meisjes kon

afspringen door Wouter's schuld, want dat niemand zou willen tedoen

hebben met meisjes, die... in 't kort, Stoffel beweerde "dat het

schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg

van 't feit. Hy had duidelyk bemerkt dat "de jongens" er ook al van

wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken."

En eindelyk: "dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt [7] te gaan, omdat

die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling

van juffrouw Laps omtrent Wouter's toekomst."

Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de

heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend

was.

Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken

werd van "dat andere" dat komen zou volgens juffrouw Laps, droomde

hy van z'n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd

door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als

ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.

't Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot

het openbaren der wyze waarop hy 't ontvangen geld had besteed,

ydel waren. Men moest daarvan afzien, na 't vruchteloos aanwenden

van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood,

brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk,

juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de

jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk

gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we

gezien hebben.

Zoodra 't hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes

d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z'n

boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig

oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z'n held, die op 't laatste

blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de

deugdzame Elvira.

Toen Wouter z'n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z'n blik

aangetrokken door amandeltaartjes by 'n banketbakker op den hoek. Hy

handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig

zoo'n held optevolgen, en binnen weinig tyds was 't overschot van

't Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer

veranderde.

Wat het aandeel der "gezangen" betreft in het saldo dat Wouter restte

na z'n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste

stof tot 'n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde,

en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor

de schoolrust.

Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.

Pennewip was 'n man van den ouden stempel. [8] Zoo althans zoud-i ons

nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z'n gryze schooljas, dyvest,

korte broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje,

dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in 't begin der week altyd

zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen

geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.

Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i

niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men 'tzelfde van ons zal

zeggen. Hoe dit zy, de man heette _meester_, z'n school was 'n _school_

en geen _instituut_, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik

vind het 'n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen

dan ze werkelyk heeten. Op z'n school, waar volgens de naïve gewoonte

van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men--of kón

men leeren--lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis,

psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles

was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of

gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in 't verzenmaken,

een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.

Hy maakte de jongens "klaar" tot het "aannemen" toe, en met behulp van

z'n vrouw voerde hy de meisjes op tot 'n merklap met 'n rood vader-ons

op zwarten grond, of 'n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan

waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden

van onzen tegenwoordigen burgerstand.

Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens

ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het

is 'n kind nutter te weten hoe 't koren groeit, dan het te kunnen

toespreken in vreemde taal. Maar 't zou kunnen samengaan.

Buiten 't verzenmaken bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat

hem boven ieder ander aanspraak gaf op 'n troon. Hy was bezeten door

de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar

zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed

begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra

ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van

'n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip's

onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot

familiën, _genera_, klassen, _species_ en onderdeelen, en maakte

alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de

Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot

'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring

van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te

beweren dat Wouter's Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn,

als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man

behoorde, die 't gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.

Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip's

verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m'n

lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner

geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord

zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken--dat _après-tout_

niet verboden is--wanneer ik niet voorzag weldra 'n paar gedichten

van z'n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.

Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield--waarby de

goeieman stoutweg den mensch 'n ziel gaf--volgde 'n stelsel dat

er uitzag als 'n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder

toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen

op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogte

stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en

dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en

kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche

dingen--mits tweepaardig--advokaten en ongedokterde dominees,

kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en

zoo voort. Wysgeeren--maar ze moesten 'n _stelsel_ hebben--dokters

met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry

naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III

klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.

BURGERSTAND, IIIe KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.

_Burgermenschen "op kamers" wonende._

_a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met

achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich

in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en

reciteeren den_ Kerstnacht. _De meisjes heeten_ Lena, Maria,

_soms--maar zelden_--Louise. _Ze borduren, en zeggen: U. De

jongens op 'n kantoor. Houden meid, naaister, en 'n "mensch

voor 't grove werk." De was nat thuis. Lezen preeken van_

v.d. Palm. _Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na

de koffi. Godsdienst en fatsoen._

_b1_) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen

buren die "tweemaal schellen." (Zie b2) Leentje, Mietje,

Jansje. Louise _komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt

opengetrokken met 'n touw dat glimt van lange dienst. Slapen

in één kamer. Kraamschut. Meid, "halve naaister" en 'n

"mensch." Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst

en fatsoen als-boven._

_b2_) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid,

maar met 'n "mensch." Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd

tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.

_c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer

die inspringt om de binnenplaats. 't Heele gezin slaapt in

twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten_

Louw, Piet _of_ Gerrit, _en gaan "op" horologiemaken

of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig

twist met de buren over dien verstopten gootsteen in 't

portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan

"heel fatsoenlyke menschen." Lezen den Haarlemmer samen met

III 7, b2_ (Pp.) _Geen meid of "mensch" maar 'n naaister van

zeven stuivers en 'n boteram..._

Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.

De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving,

en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor

't eerst zagen in de hartenstraat.

Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd

tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering

(daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet,

eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met 'n

luchtreis.

't Was woensdag. Er zou 'n "avendje" wezen by de Pietersens. Juffrouw

Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man

"aan de beurs" was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had

"maar altyd heel in 't fatsoenlyke." Dan de weduwe Zipperman, "die

'n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster,

of zoo-iets." Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet

anders, want het was "zoo opvallend als men allerhande en janhagel

liet halen zonder haar meetevragen." Dan de juffrouw van onder-achter

die wel niet komen zou, dacht men "maar men wou graag de minste wezen

na dat gekibbel over 't gebroken glas." En kwam ze nù niet, dan was

't ook _uit_, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de

juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet

gekomen is, en dat het dus met die juffrouw _uit_ was.

De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n

kop koude saliemelk aan 't ontbyt "als men ze den heelen avend niet

hoorde." 't Is ook lastig de kinderen te "hooren" als men 'n avendje

heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om

te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest

thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op 'n toon die hem

deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer

uitbleef. Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was, en gewoonlyk

's avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party

te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't

tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf--ze

hadden de belydenis en den merklap achter den rug--en Stoffel zat

voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de

juffrouwen kwamen halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen

over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder

sterk was.

Leentje zou blyven tot de "menschen" er waren, wyl 't anders voor de

jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon

ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder

dat onafscheidelyk is van 'n avendje. "Maar ze moest wat vlugger wezen,

of anders deed men 't waarlyk liever zelf."

Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk

zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de

bestellen, "maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst

zoo droog waren."

't Zou allerprettigst wezen "als nu juffrouw Laps maar niet altyd

het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak." Ook was

het te hopen dat de weduwe Zipperman "wat minder opsneed van haar

schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst." En de

juffrouw boven den melkkelder "mocht ook wel wat bescheidener wezen,

want ze had niet altyd in 'n _toehuis_ gewoond, en 'n _winkel_ was

geen schande, en _op-kamers-wonen_ ook niet... heere, neen!" Ook kon

niemand weten waar-i toe komen zou.

Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd

zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den

burgerstand, "en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook

maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen

volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe 't hoort."--En

"dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging

juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om

haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z'n

beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n stoel... ja, zóó... 't is

heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol geworden... Leentje,

ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns even naar juffrouw

Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes wil leenen, zonder

leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen,

dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de juffrouw, en

zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de juffrouw wacht

tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw, en snuit

je neus."

Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was

zoo onbeleefd, vond ze.

Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z'n brug, die

ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens

van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot,

en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy

gedachteloos of vol gedachten--wat byna 't zelfde is--daarin wierp,

werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd

moesten worden door de beide molens: "_d' Morgenstond_" en "_den

Arend_" welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.

Na _Glorioso_ namelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te

vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig

weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige

romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld

uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de

grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken,

dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe

hy ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.

Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van

dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden

maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat

voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel

beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n

moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen

sleep, zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat

is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar

dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer

op z'n muts, zooals in 't boek stond.

Ook verveelde hem z'n broer Stoffel, en z'n zusters, en juffrouw Laps,

en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie

niet naar Italie ging, om daar 'n behoorlyke roovery optezetten. Maar

Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.

't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers...

Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend

waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar

den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had

opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel gekregen,

niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den

wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke

verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en

hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i

de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem

't naast aan 't hart lag, de roovery.

Hyzelf was, als alle schryvers--en menschen--zeer ingenomen met z'n

werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en

hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de

deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden

gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter

tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.

Zoo droomde hy, en wierp z'n strootjes in 't water. Ze dreven langzaam

voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig

begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der

strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar

ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia

had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:

hy naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit

haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt

door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's

laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hy duidelyk

Amalia's verwytend geklaag:

Warre, warre, warre, wou.

Waar is warre, warre, wou...

Wouter die me redden zou?

Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden 'n steen te

werpen naar den eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's

twyfel aan z'n riddereer.

De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben

uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet te

storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper

voort.

Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat

weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die

ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening

dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat

ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles

wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de

weerklank der aandoeningen in z'n eigen gemoed.

--Wie 't snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk

beginnen... zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens.. nu! Och,

weer verkeerd!

Wie nu 't eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van

die wolk af. _Morgenstond_, pas-op... mis weer! Ik kan 'r geen oog

op houden... wat 'n gedraai!

Zoo, ben je moê? 'k Wil 't wel gelooven!

Als ik eens op zoo'n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat

zou de molenaar gek kyken!

Waarom heetje _Morgenstond_? Hebje wat in den

mond? En... _Arend_... kunje vliegen? Wilje my meenemen? _Ik_ zou

wel willen... wat 'n ruimte daarboven... en geen school!

Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n

school of 'n meester?

Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die

eerste school moet toch 'n meester gehad hebben...

Of zou de eerste meester vanzelf...

Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den

wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens,

_Arend_... toe! Kryg de _Morgenstond_... gauw, gauw... pak 'm

beet... mooi!

Nu weer samen... _karre, karre, kra, kra_... steek-uit je armen... neem

me mee... wilje niet? Goed _Arend_! Zet je hoed op... wat fladderen

die linten... hoe heetje? _Warre, warre, warre, wou_... ik kon 't

niet helpen... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? _Fanne, Fanne, fan,

fan_... heetje _Fan_? En jy, _Morgenstond_, hoe is je naam? _Sine,

sine, sine, si_... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu tegelyk,

komaan... samen... zingt 'n liedje samen:

Fanne, fanne, fan, fan...

Sine, sine, si, si...

Fanne, sine, fanne, sine,

Fanne sine... Fan... cy...

_Fancy_... wat meenje daarmee? Heetje _Fancy_! En... wat is

dàt... hebje vleugels?

Ja, "_d' Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden

vleugels en heetten _Fancy_.

Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.

Toen ze hem weer neerzette op de brug, was 't al lang donker. Wouter

schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit,

en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch

moeten daartoe 'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet

te _collet monté_ is tot het aannemen van m'n uitnoodiging op de

saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf

maakte, en alles van Parys kreeg.

In 't voorbygaan echter, wenschte ik 'n kort bezoek te brengen by

meester Pennewip.

_Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop._

De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen

daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa

keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes

lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes

en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten

aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al

haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school was geen school

meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk.

Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote

hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra

blyken.

Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip

de dichterlyke voortbrenselen van 't genie zyner leerlingen keuren

zou. Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die

hem bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden

genoeg om over z'n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te

worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.

Pruik: recht en in rust.

"TRYNTJE FOP, _op haar muts_.

Ik heet Tryntje Fop.

En heb een muts op myn kop."

--Niet kwaad... maar... laat zien--ja, zóó is 't beter--die beide

laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver

overtolligheid.

Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje

Fop heel eenvoudig 'n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.

Pruik: iets of wat links.

"LUKAS DE BRYER, _op het Vaderland_.

Vaderland, koek en amandelen.

Ik ga in de maneschyn wandelen.

Koek, vaderland en brandewyn,

Ik ga wandelen in de maneschyn.

Vyf vingers heb ik aan myn hand

Ter eer van 't lieve vaderland."

--Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet

brandewyn, en 't vaderland daartusschen.

Pruik: rechts.

"LYSJE WEBBELAAR, _op het beroep van haar vader_.

De kat viel van de trappe,

Myn vader verkoopt aardappe-

Len en uyen."

--Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur

ik af.

Pruik: links.

"JANNETJE RAST, _op een windwyzer_.

Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.

En wyst aan den wind hoe hy waaien moet."

--Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als

dichterlyke vryheid kan het er door.

Pruik: vooruit.

"GRIETJE WANZER, _op een rups_.

Het rupsje zonder schromen,

Springt rond op alle boomen."

--Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van

die onbeschroomd rondspringende rups.

Pruik: in rust.

"LEENDERT SNELLEMAN, _op de lente_.

In de lente is het heel aardig.

In Mei is myn broertje jarig.

Maar nu heeft hy wintervoeten.

Zoodat wy de lente pryzen moeten.

Dan gaan wy samen kuieren.

En op paasch, vacantie met eieren."

--'t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn

inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is

zeer eigenaardig.

Pruik: in den nek.

SLACHTERSKEESJE, _lofdicht op den meester_.

Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,

Maar meester Pennewip is nog in leven.

Soms waren zy mager en somtyds vet.

En hy heeft zyn pruik op zy gezet."

De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.

--Hm... 't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?

De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.

--Wat heb ik met die ossen te maken?

De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen

alle verwantschap met die ossen.

--Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers _humor_

noemen?

De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.

Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...

De pruik kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid

uittedrukken over meester's voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg

onder-handen te nemen.

"LUKAS DE WILDE, _op de godsdienst_.

De godsdienst is een goede zaak.

En geeft het menschdom veel vermaak."

--Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve

had iets meer uitgewerkt behooren te worden.

De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.

TRUITJE GIER, _op juffrouw Pennewip_.

Het pad der deugd wyst zy ons aan.

Wie zou niet gaarne medegaan?

En in verloren oogenblikken

Leert zy ons naaien, stoppen en stikken."

De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden

elkaar. Meester kon niet nalaten z'n vrouw terstond deelgenoot te

maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den

schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.

By 't volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar

onbewogen, maar de oplettende beschouwer had 'n hysterische

geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.

"KLAASJE VAN DER GRACHT, _op God_.

Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven

Met stof, en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal!

Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,

Wie zegt ons waar 't gewoel, een einde nemen zal?

Tot weêrklank van Genaè, met Eng'len op de transen,

Gevaar van 't smalle pad, uit onbekend genot...

Een vader weegt zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen,

Zich spieg'lend in, en door, en op, en onder God.

Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.

Het zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht,

Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.

_Dit vers is saamgedicht door_ Klaasje van der Gracht _van den

katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud

dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de

vliegende theeketel uithangt._"

--Verheven! Als z'n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het

verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en

telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my

boven het hoofd... het is verbazend!

Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.

"LOUWTJE DE WILDE, _op de vriendschap_.

De vriendschap is een schoone zaak.

En geeft het menschdom groot vermaak."

De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd

voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes

vriendschap.

--Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één

denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of

zyn.

"WIMPJE DE WILDE, _op het hengelen_.

Het heng'len is...

--Hoe... wat is dat?

Ja waarachtig, 't stond er:

"Het heng'len is een schoone zaak.

En geeft het menschdom veel vermaak."

De pruik was in voortdurende beweging. 't Scheen wel dat ze

meehengelde.

Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de

voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje

de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden

met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen,

bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak

gaven aan 't menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en

vermakelykheden.

Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden

't beste was, en meer kan men niet verlangen. Na 't inzien der

vruchteloosheid harer bemoeiingen om onderscheid te vinden tusschen

hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool,

hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in 't juiste

midden, met 'n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag

naar 't vervolg, als de lezer.

"LEENTJE DE HAAS, _op admiraal de Ruyter_.

"Hy is op een toren geklommen,

En heeft daar touw gedraaid.

Toen is hy op zee gekommen,

En werd met roem bezaaid.

Hy wou 't er niet by laten,

En heeft _Saleh_ geveld.

Toen hebben heeren Staten

Hem aangesteld als held.

Toen is hy aangekomen

In 't roofziek Engeland.

Dat heeft hy zonder schromen

Belegerd en verbrand.

Hy heeft veel christenslaven

Met vryheid overstrooid.

Toen hebben Neêrlands braven

Zyn glazen ingegooid.

Tot afschrik van verraders

Toen hy de zee bevoer.

Was zyn naam bestevader,

Zyn vrouw was bestemoêr.

Hy gaf de eer den Heere,

En was als Christen groot.

Toen kreeg hy door zyn kleeren

Een kogel, en was dood."

De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen

verheugd. Helaas... de vreugde van zoo'n pruik duurt niet lang! Ook

de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet

vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...

"WOUTER PIETERSE, _Rooverslied_..."

--Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?

Meester vertrouwde z'n oogen niet. Hy keerde 't blad om en bekeek de

achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...

Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter's

blaadje!

Arme pruik!

Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit 'n pruik

onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op

'n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van

de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze

tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort:

_heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven_,

hoe komt-i er aan!... plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n

schedel... dekte haar toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog

de deur uit als 'n bezetene.

Hy ging den weg op naar Wouter's woning, waar we hem weldra zullen

zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld

als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.

Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke

gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet

wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel's

zoölogische geestigheid, oorzaak van 'n laatsten punischen

oorlog. Pennewip homoeopaath en vredestichter _malgré lui._

Arme Wouter!

--Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou

die stoel wech, en cheef ereis 'n tessie in die stoof... toe as 'n

meit, of 'k doe 't liefer sellif. En-oe maak je 't, mens? Juffrò-Laps

k'mt ook, weet je?--Myntje, denk 'm je deeg, en skei uit mê-kamme--ze

ken niet f'n d'r hare blyve, die meit, as 'r folk is... ga sitte,

mens... né, niet in die hoek... 't tocht 'r so...

Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw

Stotter was 'n "vrouw" en geen "juffrouw." Ze had dus geen recht op

de eereplaats, want eens-vooral, 'n juffrouw gaat boven 'n vrouw,

zoo goed als 'n mevrouw gaat boven 'n juffrouw. Ieder moet op z'n

plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7. _b1_ of c, (Pp) waar

de _préséance_ nauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan 't hof te

Madrid, jazelfs met 'n angstvalligheid die 't ceremonie-meesterschap

op die hoogte der maatschappy, tot 'n hoofdbrekend werk maakt voor

menige juffrouw Pieterse.

Ik zeg dit maar, om door 't woord "hoofdbreken" ongezocht te

geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de

juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik

niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor

't afleggen van 'n bezoek op dezen of genen III. 7, _b_1. (Pp).

Want als 't nu eens later iemand in 't hoofd komt, vrouw Stotter

te verheffen tot algemeene baker van 't heele menschdom, zal 't

dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd

heeft, en hòe ze 't gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist

hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft,

'k wasch m'n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.

Ik ben er geweest! Ziehier:

--Och me lieffe juffre Pieterse... 'k was so bedaan toe Louweris

me kwam fraache. Want 'k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt,

weetje--né, dankie f'r fuur. Strakkies, Pietje--'t zech al so teuche

Wimpie, hoe sou juffre Pietersen 't make, 'mdâ-'k in so lang niet

fâ-je chehoort-ep, weetje,--ja, lech 'm m'r neer,'t is m'n outje--je

neemt ommes nie kwalik, dâ-'k m'r m'n outje hep omchedaan?... en doe

sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...

Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het "outje"

van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan 't voeteneind op de

bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt

lagen, de beenen niet uittesteken, om baker's "outje" niet te bederven.

--Wel mens, cha sitte... ja, dâ's f'rons... 't is tweemaal--Leentje,

wâ-benje weer... d'r wordt cheskelt, hoorje niet!--'t Sel juffre

Sipperman wese... w'nt juffre Sipperman k'mt ook, weetje...

Ik weet alweer niet of 't inderdaad juffrouw Zipperman was die

gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen

vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in 't onzekere latende of

't ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den

koekbakker, of juffrouw Krummel "die 'n man op de beurs had" of

juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde

op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was 't heele gezelschap

kompleet, en Stoffel rookte z'n pyp alsof 't zoo hoorde. Leentje

was weggegaan zonder boterham. "Die zou ze morgen wel krygen, omdat

't zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen."

--En toe hebbe ze daadelik 'n and're chenome... uwe weet wel... die

soo'n flakki op 'r neus het.

--Och, 't is soo'n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe,

neemt uwe d'r noch eentje, en lâ-je nie nooie... 't is 'n koekie f'n

j'eiche deech.

--Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met 'n konynenmondje, dat

fatsoen beduidt.

--Kemän, of 'k sou denke dâ-je 't niet lustte.

Dat mocht ze niet laten denken, want ze had 't zelf gebakken.

--Dan mach 'k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en

dankie wel.

--En uwé, juffre Laps, toe, mach 'k 'r j'eentje cheefe?

Juffrouw Laps koos janhagel.

--Skenkerissin, Trui!--Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je

meedrinken, 't wort je f'n harte chechunt, mens!--Pietje, feeg de tafel

'r's of... só, as 'n meit... en cha nou 'r's kyke na de kleintjes,

en sech dâ'k se nie hoore mot.--Och, juffre Mabbel, 't is zoo'n chedoe

mettie kindere... en hoe faart uwe's Sientje mette kinkhoest?

--We hebbe d'r nou 'n machenetisseur bycheroepe, m'r 't wil nie

vatte... 't m'nkeert 'm an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.

--Isset moooochelik... wat 'n mens al beleeft! En w'nneer komt-i... die

kle ... klik... kleer...

--Dat leit 'm an de sénewe, juffre Sipperman. M'r nou het-i d'r

slaapmussie, en d'r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en

nou sel 't chou komme, seit-i.

--Wel mens, wat sech-i! M'r oe cháát 't dan?

--Wel... dan sel de sonnebuul 't seche, wâ-me doen motte.

Juffrouw Laps was er tegen.

--Ik dééj't niet, ik dééj't niet... fô-cheen werels choet! Want

weetje wat _ik_ sech? Ik sech maar, as Chot 't wil, d'n mô-je beruste,

dâ-sech _ik_!

--Ja, juffre Laps, m'r de juffr' uit de chruttery het 't ook chedaan,

en d'r kint is veel beter.

--Dat seit uwé, juffre Mabbel, m'r _ik_ sech dâ-se wat in d'r oochies

het, wâ-me niet befalt...

--Wâ-dan, juffre Laps?

--Se kykt onstichtelik... en ik houw 't f'r sonde... en dàt sech _ik_

maar. 't Benne allemaal m'r kunste die nie te-pas komme... en as Chot

wil, mô-je beruste.

--Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis

'n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken

'n heel fers f'n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook

ken-i al de werrikwoorden f'n 't frouwelyk cheslacht.

--Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-'k

rook.

--Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-'s 'n werrikwoord

opseche.--Je sou seche, w'r haalt de jong' 't f'ndaan, juffre

Sipperman.--Hoe is 't 'k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn,

en hy sou beskonke chewees syn--och heere, begryp 't goet, mens, niet

omdat-i dronke was, gut né, m'r 't kwam so te-pas in s'n werrikwoort,

'tis 'm je slap te lachen, as-i bechint.--Skenkerissin, Trui, en

blaas es in de tuit... d'r sit 'n blaatje foor.

De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over

de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in 't

verder relaas van juffrouw Pieterse's avendje, my eenige afwyking

veroorloof van den juisten tekst der gesprekken. [9]

Stoffel dreunde z'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de

dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken

geweest was, en dat zy 't wezen zouden. Daarop werd de buurt over den

hekel gehaald, en de juffrouw van "onder-achter" kreeg haar deel. Dat

spreekt vanzelf want ze was er niet.

De godsdienst en 't geloof speelden 'n groote rol, en juffrouw Laps

gaf te kennen dat ze van plan was 'n "oefening" optezetten, omdat de

tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet

goed in de hoeken veegden.

--Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is,

riep ze, en dáár kom _ik_ maar op. Men moet 't niet beter willen

weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade

komt door 't geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de

genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat

je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee

maal twee, zieje... en daarom wou 'k zoo graag 'n eigen oefeningetje

houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om 'n zakduitje

op kermis en nieuwjaar. Denk 'r 'ns over juffrouw Mabbel.

Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag 's

avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien:

"'t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat 'n

"werkelyk" beroep was."

--Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat 't wel gaan

zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen

in de schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, gut né! We

zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet

uwé... oefening, weet u?

Juffrouw Zipperman wist 't wel, doch haar schoonzoon van de

assurantie--of van 't kadaster--had gezegd dat de dominees voor die

zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten

wezen zou.

Die heeren van 't kadaster--of van de assurantie--zyn zoo gek niet.

--Wat denkt uwe d'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat

zoo'n oefeningetje...

Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de

beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw

Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke

aanbiedingen te doen aan 'n "vrouw."

--Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als

ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van

de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik

heb altyd heel in 't fatsoelyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met

'n hooge stoep, en in de gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en

wind... en die zei altyd: "vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie

vrouw, zeit-i en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen,

zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar

zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net

doen of je 't niet hoort"--dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is

omgekeerd, dat zie je wel--en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet

weten wat-i doet.

--Maar zoo'n oefeningetje... vrouw Stotter.

--'t Is mogelyk, juffrouw Laps, 't is wel mogelyk... maar ik heb al

zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m'n eigen gang

ga, en dat 's dan ook maar 't beste. Want ik ben in 'n kraam geweest

by m'nheer De Witte die 'n oom heeft aan 't stadhuis, weetje, want

ik baker altyd heel in 't fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo

grappig was, weetje, die zei altyd: "baker, baker, zeit-i, je bent

m'n 'n baker!" Zoodat ik maar zeggen wil dat 'k heel goed weet wat

'k doe, want ik heb 'r al wat ingespeld van m'n leven. Daar heb je

nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen,

op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...

De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van 't punt in

kwestie. Maar dat doen er wel meer.

--En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over 'n oefeningetje?

--Och mensch, ik heb al zoo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet

wat 't is, mensch, om 'r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar

m'n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee

'r wat voor, ik hoor 'r weer.

Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer

ging om kleine Kee er "wat vóór te geven." Men kon 't haar aanzien

dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke

waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.

--Waar was ik weer? Ja, dat is m'n godsdienst, zeg ik maar. 't Is

'n getob met die kinderen, mensch, je wéét 't niet! En ik vind, als

ik ze goed opbreng... ga jy nu 'ns, Pietje, en breng Simon terecht,

die knypt zeker z'n zussie weer, dat doet-i altyd als 'r volk is.

Simon werd terechtgebracht.

--Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik

daar weer? Myntje, ga 'ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld · 第 9 / 20 题