Van den eenen boom naar den anderen, of zacht gewiegeld op de golvingen
der lucht, dwarlen de herfstdraden der phantasie, licht bewogen door
elken luchtstroom, verguld door de zon, als een teeder weefsel
gevlochten over het ruim der aarde. Het zijn geen touwen, vriend, waar
men eene katoenbaal mede kan ophijschen in het pakhuis--maar snaren kan
men er van maken, wier trillingen liefelijk en bevallig klinken in de
wereld des goeden en schoonen.
Als gij maar niet zegt, dat zij langdradig zijn, of dat het maar rag van
spinnen is.
Daar zat er eene--eene spin meen ik eene groote, achtbeenige,
diklijvige. Tusschen de ranken van een weelderigen wilden wingerd, die
langs het raamkozijn oploopend, in steeds geler, bruiner en vuriger
tinten, tot gloeiend rood toe, voortklom naar het dak, had zij hare
webbe uitgespreid. Zij had haar middelpunt gekozen, en daaruit vele
stralen getrokken als de spaken van een rad, en van de eene spaak op de
andere klimmend, met den kleverigen draad achter zich, verbond zij die
de eene aan de andere, den eenen veelhoek om den anderen scheppend,
totdat het geheel was afgeweven, en zij zich in het middelpunt plaatste
als de vorstin des rijks. De onnadenkende kleine vliegjes, met zilveren
en lichtgroene vleugeltjes, bijna onstoffelijk fijne wezentjes,
fladderden op de schoone kleuren van den wilden wingerd af en raakten
jammerlijk in het kleverige net verward en vastgeplakt. De
spin--koningin bleef gerust in haar middelpunt hangen, en zag met
welgevallen haar voorraad toenemen en de vruchtelooze worstelingen der
arme kleinen. Alleen, wanneer eene groote vlieg in de spaken van het
wiel verward raakte, rende zij, trillende van drift, op haar af en
omwond de gevangene met haar onuitputtelijken voorraad van draadstof.
Ik moet bekennen, dat ik iets zeer stuitends vond in de wijze, waarop de
arme kleine vliegjes, die niets verlangd hadden dan een weinig te rusten
en te eten van de schoone bladeren, door den barbaar werden gevangen en
gemarteld; dat hare stuiptrekkende pogingen om zich te bevrijden mijn,
gemoed in beweging brachten.
Wat, dacht ik, doet zulk eene vuile spin in de wereld? Hebt gij niets
beters te doen, dan schoone vliegjes te martelen? Is dat uwe eenige
levensbestemming? Zal ik dulden, dat gij voortgaat met uw barbaarsch
werk, en niet liever de onnoozele slachtoffers uwer vraatzucht
verlossen?
Één duw met mijn stok, en het weefsel hing gescheurd ter neder. De spin
liet zich pijlsnel vallen. Nu, daar is kunst aan noch moed, als men
weet, dat men toch aan een draad uit zijn lijf blijft hangen en niet
dood valt. Echter, in het weefsel der verschillende aandoeningen, die in
dat oogenblik in mij heen en weder werkten, was een draad van berouw.
Het verstand schijnt eerst terug te keeren, als de dwaze daad bedreven
is,--en eene dwaze daad was het, de arme koningin zoo ruw uit haar rijk
te stooten.
Ook een draad van beschaming liep er door het weefsel--ik kon niet eens
herstellen, wat ik misdreven had.
De gevallen koningin, zittende op de bouwvallen van haar kasteel, deed
mij bittere verwijten.
--Gij vernielt mijn nijveren arbeid, gij hindert mij in mijn
levensonderhoud, gij, die zelf honderden onschuldige dieren verslindt!
en gij waant u wijs!--zei de verontwaardigde spin, zoo kwaad als ... als
eene spin.
--Gij zijt eene onbeschaamde, zeide ik, boos, want ik had
ongelijk;--verbeeldt gij u, dat gij in uw web het middelpunt der wereld
zijt, en dat alle arme vliegjes u ten dienste moeten zijn?
--Och ja, evenals gij, die dit ook denkt van uzelven. Of meent de mensch
niet, dat de aarde het middelpunt is van het om hem geschapen heelal en
hijzelf het allermiddelste egoïstische punt, waar alles om draaien
moet?--De geheele wereld bestaat uit eene reeks van wezens, die elkander
opeten en uitzuigen; de meerdere den mindere, en die wordt op zijne
beurt door zijn meerderen verslonden. Vroeger aten de menschen elkander
ook op, maar sinds zij zoo geweldig in waarde gestegen zijn, dat is,
sinds zij elkander zoo hebben opgevijzeld, zijn zij te duur en eet men
ze niet meer. Maar dat belet niet, dat zij elkander toch uitzuigen, en
het zeldzame voorbeeld opleveren van individuen van hetzelfde genus, die
elkander vernielen. Als gij redelijk wilt zijn moet gij die groote wesp
dáár verhinderen mij te verslinden en ook oppassen, dat die vogel, die
deze wesp wel zou lusten, haar niet vangt.
--Gij zijt zeer vernuftig, schijnt het; misschien zijt gij wel een
afstammeling van Darius of Alexander, eene van de twee spinnen, die
Spinoza er op nahield; misschien hebt gij van daar uwe redekunst
ontleend, maar uw vraatzuchtig stelsel bevalt mij niet. Gij zijt zeker
een dogmaticus,--Baco zei, dat de dogmatici spinnen zijn, die hunne
stelsels weven uit eene zelfstandigheid, die zij in zichzelve bevatten;
gij, hebt als een dogmaticus uw systeem uit uw buik geweven, en de
geheele wereld doen berusten op een stelsel van vraatzucht.
--Gij zoudt het gansche weefsel der natuurorde willen veranderen,--gij
kunt nog geen spinneweb herstellen, dat gij vernield hebt!
Zij was al weer bezig de schering van een nieuw net op te zetten tegen
de rosse bladeren des wingerds.
Ga maar voort, dacht ik, half boos en half beschaamd, gij zijt toch maar
een dogmaticus, en het zijn in allen gevalle maar bitter magere
vliegjes, die gij stilzittende vangt. Ik ga liever als empiricus de
wereld in en naar buiten, daar is meer te vangen dan met stilzitten--al
is het in het schoonste stelsel.
* * * * *
Nu had ik weer eens gelijk en ging dus tevreden de deur uit.
* * * * *
Waarheen? Naar de natuur, de vrije, de krachtvolle, de ware. Met den
breedgeranden vilthoed, den stok, de tasch om de schouders, ga ik op
reis. In die tasch zitten een potlood, enkele verven en een schetsboek,
het boek, waarin schrift en beeld, uitwerksel en veraanschouwelijking
der gedachten elkander beurtelings opvolgen en aanvullen. Soms moet er
een boom op komen, doch wordt het een sprookje, of in de plaats eener
lyrische ontboezeming, zie ik er uit de half onwillekeurige bewegingen
der hand eene zacht hellende heuvelkling, een bemost hoekje muurs met
eene schuilende kudde, of een wijd verschiet van duinen op verrijzen.
Dan naar buiten! Onbekend door achterstraten geslopen gejaagd en
kloppend, want een is er, die mij op de hielen zit, of dien ik opeens
bij het omslaan van een hoek der straat kan tegen het lijf loopen. Gij
kent hem, het is Fatsoen. Als die mij betrapte in dezen toestand en deze
kleeding, dan was ik verloren, of minstens een onbruikbare zonderling
geacht: als hij eens wist, dat ik een ganschen dag ga zwerven in de
bosschen en op de heide! als hij mij eens herkende en toesprak!--mijn
dag was bedorven en mijn genot vergald. Daarom loop ik zoo snel, dicht
tegen de huizen aan, en ren eene zijstraat in, als ik meen hem te zien
aankomen in de verte. Dan de stad uit: bijna ben ik gered, maar nog kan
hij mij verschalken: eindelijk, den landweg op, eene rijzing van den
grond bedekt de stad voor het oog, eene boomgroep doet torens en
geveltoppen verdwijnen, het geluid in de straten gaat in, gegons over en
versterft geheel: het bosch langs, met een onwederstaanbaren dwazen
glimlach om de zonderlinge ontsnapping en de gelukte list:--nu stil
gestaan, om de versnelde ademhaling te bedaren, en omgezien--ik ben
alleen, vrij, vrij!
* * * * *
Mijn verschil met de spin, had mij de oude sage van Arachne te binnen
gebracht, en van haar weefsel, ook eens door de verbitterde Athene
verscheurd, en ik had het kleine deeltje niet Ovidius' Metamorphosen in
de tasch meegenomen. Gij kent het oude verhaal, maar willen wij het nog
eens lezen, hier aan den zoom van het bosch, in het gras uitgestrekt,
_lentus in umbra_? Misschien, dat wij er, buiten de school of het
boekvertrek, en in deze omgeving...,
Patulae recubans sub tegmine fagi,
een nieuw en versch genot van kunnen smaken, want die ouden blijven
altijd frisch en nieuw.
Pallas had van de nieuw ontstane hengstebron vernomen, en spoedde zich,
in eene lichte wolk gehuld, naar den Helicon.
--Wees welkom in onze schoone streken, zegt Urania, eene van de negen
maagdelijke kunstenaressen, en laat uwe oogen weiden over de dichte
bosschen, het heerlijk tapeet vol kruiden en bloemen, de kristallijnen
bron, onder des hengstes hoefslag geboren.
--Gelukkig, zegt Pallas, gelukkig dit verblijf der kunst!
--Ach, zuchtte eene andere uit het zustrental, ach, indien wij slechts
in vrede waren!
Wat was de klacht der Muzen? Piërus was een overweldiger, die de Muzen
aan zijn hof had willen verbinden, die haar allen zijne liefde had
willen bewijzen. Maar zij waren onwillig,--nu, later, in Italië, bij
voorbeeld, zijn zij aan de hoven der kleine overweldigers niet zoo
eenkennig geweest. Toen hij ze nu wilde vasthouden, schoten zij vleugels
aan en ontsnapten, en de ongelukkige kunstliefhebber sprong haar na uit
een toren en verbrijzelde zijn hoofd.
Doch er was vroeger meer gebeurd, dat de Muzen ontstemd had en ziet,
hier worden wij opeens door een geheel nieuw aanzicht van het verhaal
verrast.
Negen Macedonische zusters, Piërus' dochters, hadden zich verstout, de
Muzen uit te dagen tot een zangstrijd. Het ware schande geweest, zoo de
Muzen den strijd geschroomd hadden. Toen zich eene maagdenrij, die tot
rechtspraak gekozen was en bij de stroomen gezworen had, ter berechting
had nedergezet in een kreits van uit den levenden steen gehouwen zetels,
ving eene der Piërieden aan en zong de nederlaag der goden voor de macht
der Giganten. Calliope zong haar tegen; het haar met klimop omwonden,
rijst zij op, drukt met het plectrum de klankrijke snaren der citer en
bezingt de macht, den lof der goden. Het eenparig oordeel stemde haar
overwinnaar. Maar de negen Macedonische maagden hielden eene scherpe
anticritiek, wat in die dagen niet paste, en zij werden tot straf
daarvoor in snaterende eksters herschapen.
Gij begint te begrijpen, waar de schoen wrong: de Muzen waren nu eenmaal
de erkende vertegenwoordigers der kunst en hadden daarvan, als officiëel
lichaam, het monopolie; het kwam dus volstrekt niet te pas, dat een
ander zich ook op kunst liet voorstaan, en haar op zijne wijze
uitoefende. Wie had gedacht, toen wij ons op den Helicon waagden, dat
wij daar al den strijd tusschen de vrije en de academische kunst zouden
ontmoeten?
Wij zullen nog meer nieuws vinden; luister maar.
Dit hadden de schoone Muzen aan Pallas geklaagd en deze was er door
ontvlamd.
Ja, dacht zij, de president der academie, daar woont in Macedonië de
trotsche Arachne, die met hare kunst de onze, de eenige erkende naar de
kroon wil steken. Ook zij moet gestraft worden, evenals de dochters van
Piërus.
Daar stapt eene oude vrouw naar de Lydische maagd, die er de godin niet
in vermoedt, maar die ook met de daarna geopenbaarde Pallas niet
schroomt den wedstrijd aan te vangen. Beiden weven en stikken de
schoonste tafereelen.
Pallas Athene schept er het geding tusschen haar en Poseïdoon over de
schutsheerschappij van Attica--zij schildert de rechtende goden, het ros
op den slag van Poseïdoons geweldigen drietand uit den grond
ontsprongen, maar ook den olijf door haar, de maagdlijke godin, uit de
steenrots der Acropolis te voorschijn gebracht en de overwinning haar
daarvoor toegekend;--mythe van een beschaafd volk, het land veroverend
en de heerschappij der zee innemend, van de overwinning der beschaving
op de physieke kracht, zooals wij die ook terugvinden in de beeldgroepen
aan den westgevel van het Pantheon. Athene weeft er voorts tot
waarschuwing vier voorvallen bij, waarin de aanmatiging der menschen
tegen de goden gestraft werd.
Maar Arachne weefde heel wat anders. Zich ontslaande van ideaal en
traditie, vertoonde zij er eene reeks van guitenstreken der hemelingen,
en de gevallen van een tal van schoone meisjes, door de godlijke heeren
geroofd en gekust: Europa, Leda, Antiope, Alkmene, Danaë, Mnemosune,
Ceres, enz. in het oneindige als eene repeteerende breuk. Die
voorstelling was niet zeer orthodox, maar zij was satirisch en
karakteristiek; zij was niet ideaal, maar zeer realistisch en pikant.
--Wat! barstte Athene uit, wat voor kunst is dit? Wat treedt gij onze
wetten en regelen en de traditie met voeten! Wie geeft u vrijheid, de
zaken anders voor te stellen dan wij gewoon zijn, en er eene kunst op
uwe eigen hand op na te houden? En vergramd en naijverig scheurt zij het
vernuftige weefsel, slaat de weefspoel op Arachne's hoofd aan stukken,
en doet de Lydische kunstenares in eene spin veranderen, die van haar
vorig bestaan nog het kunstige weven behouden heeft.
* * * * *
--_Daar_ hebt gij het, dacht ik, oprijzend en langzaam voortstappend,
terwijl ik het boekje dichtsloeg en in de tasch deed glijden. Athene en
de Muzen waren de aangestelde uitoefenaars van officiëele kunst, en het
was dus eene misdaad van gekwetste majesteit, dit monopolie aan te
raken; hare kunst is de alleenheerschende, de staatskunst, met haar
traditioneelen stijl en hare conventioneel--ideale voorstelling. Maar
Piërus' dochters en Arachne zijn de democratische kunst, die, uit alles
zichzelve wil ontleenen, haar eigen weg volgt en haar eigen begrip.
Het spreekt vanzelf, dat, toen de academie en de president boos werden,
de vrije kunst in die dagen voor geweld moest onderdoen. Doch de tijden
veranderden. De Piërieden werden toen eksters en Arachne een spinnekop,
maar zij bleven toch natuur, dacht ik. Nu is de academie versteend, en
de president is afgezet, maar de anderen leven nog. Hodie mihi, cras
tibi.
* * * * *
Zoo werd ik door Arachne weder met de spin verzoend. Een mensch wil
altijd langs een omweg verzoend worden. Dat is natuurlijk, want dan ziet
hij zijn ongelijk niet zoo, of voelt de soort van schande niet, die hij
in het erkennen van ongelijk waant. Zoo vond ik het ook eene tamelijk
eervolle wijze om met schik van mijn toorn af te komen, vooral sinds ik
uitgevonden had, dat de spin of Arachne de vrije kunst is. Wat eene
heerlijke gelegenheid voor eene spin om de juistheid, van mijn beginsel
te beproeven, en, van den rand van mijn hoed tot mijn neus een web
wevende, mij ook de leelijke werkelijkheid te laten zien, die mij van
mijn naturalistischen waan weer bekeerd zou hebben tot de ware kunst!
Ziedaar mij dan weer in het evenwicht gebracht, waaruit de woordentwist
mij had gestooten, en bereid de natuur te genieten met dat gevoel van
kalmte en vrijheid, dat ons uit hare kalmte en vrijheid ademend wezen
toestroomt.
* * * * *
Liefelijk is het, rond te, dwalen in deze herfstdagen. Dan genieten wij
nog zoo gretig van de laatste zachtheid en teederheid der natuur, te
liever, omdat zij ons zoo spoedig dreigen te verlaten. Want ook hierin
zijn wij zoo, wij kinderen, dat wij het speelgoed in een hoek werpen, en
er om dreinen, als men het ons afneemt. Thans verwijt ik mij, dat ik
haar niet lief genoeg gehad heb en haast mij, in vurig genot, haar
schoone wezen als met alle zintuigen te omhelzen. Het liefst is mij in
dezen jaartijd toch de heide, dat grootsche van hare uitgestrektheid,
dat vrije, dat eenzame, gedachten bezielende. Daarom spoed ik mij voort,
hoe mij de eiken- en beukenbosschen ook tarten met al den gloed hunner
stoute en schitterende kleuren. Allengs begroet ik de kenteekenen van
den heigrond. Terwijl de eiken met hun kantige bladmassa's en hun
knoestigen, gekromden takkenbouw, de beuken met hun gladder, fijner
vormen, hun scherper, meer horizontaal gestrekte bladerengroepen, en de
slanke berken met hun blikkerend loof, hun teedere gestalte en wuivend
gepluimde toppen, reeds alle achter mij gedompeld liggen in den rijkdom
van tinten, die de toonladder van goudgeel tot bruin of vurig rood
oplevert; terwijl hier en daar al eene enkele groep de ontbloote toppen,
als kale schedels, uit het loof heft, kunnen de dennen, die ons nu
omringen, nog op al hun groen bogen, al is dit wat gehard of gebruind
door de zomerhitte; en het dichte naaldgebladerte geeft den schichtigen
eekhoorn nog eene schuilplaats, die voor mij vlucht, als ik--voor, ge
weet wel wien. De koningen der hei, de statige dennen, wier ruischend
lied en geurig aroma mij altijd zoo bekoren, bewassen in lange en dichte
rijen de zoomen van den heigrond. Ik spoed mij voort tusschen hunne
afgeschilferde, roodbruine stammen, voort over den met tengels, schors
en pijnappels bedekten grond; tot waar de stammen ijler worden en de
lucht laten doorschermen; nog eene kleine, zandige streek, waar het
bosch ophoudt, de laatste hoog opgeschoten stammen de kruinen zachtkens
wiegelen, en een jeugdige opslag, de vrucht van door den wind hierheen
gestoven zaden, weder een stuk gronds heeft veroverd, en wij zijn op de
wijde vlakte, waar de voet het schoone vloertapeet drukt der
veerkrachtige erica's.
Achter mij liggen nu de lange reeksen van pijnbosschen, die het
landschap aan die zijde omlijsten, eene lijn, rijzende en dalende te
gelijk met den bodem, versmeltend in steeds dampiger tonen en wegloopend
in den gezichteinder.
En vóór mij, wat een rijkdom in die twee eenvoudige gegevens, eene
wijduitgestrekte vlakte en het koepelgewelf des hemels daaroverheen!
Nu eens helder en gespannen, laat die lucht de nog warme herfstzon over
de heide stralen; dàn vormen zich in het westen dampen en groeien daar
tot een paar wolkjes aan, die als de rookwolk van een kanonschot daar
blijven neerhangen bij den gezichteinder; of vluchtend op den adem des
winds ijlen meerdere wolken elkander achterna en werpen evenzoo elkander
naglijdende banden van schaduw op de zonnige vlakte, die er de
verrassendste licht--en schaduwpartijen door wint.
Duizend geestige motieven voor het penseel liggen in dien grond met al
zijn hoogjes en laagjes, dien grond, die, zonder hooge heuvels toch
zachte zwellingen en dalingen der oppervlakte aanbiedt. Nu eens is de
heiplant en de dunne zwarte aardkorst opgerukt en ligt de witte
zandgrond bloot, ten gevolge van natuurlijke oorzaken of door het
afsteken van zeden, die als plaggen elders op den dorren grond tot
bouwaarde moeten strekken; ginds is eene moerassige streek, met eene
harde en leelijke grassoort ten deele begroeid, die bij overvloedigen
regen in deze vlakte een kleinen spiegel zal vormen; elders is de
bovengrond door den regen in slangsgewijs voortloopende groeven en
spleten omgewoeld, en zijn de geel--of roodachtige banken zand--oer
ontbloot.
Het meest karakteristiek is de hei in haar plantentooi. Hier en daar met
andere planten vermengd, varen, russchen en brummels of beziën, bestaat
haar meest kenmerkend gewas toch uit ericaceeën. Duizenden bij duizenden
in dichte bundels groeiend, bedekken de schoone erica's met hare bruine
stammen, hare fijne, donkergroene bladeren, en de stengels aarvormig
bezet met de lila en rozenroodachtige, zelden witte bloemen, den bodem,
en, geven daaraan die paars--bruine kleur, die naar de mate des lichts
hare schakeeringen meer naar het paars of naar het bruin doet
overhellen.
Zoo strekt zich dit landschap tot den verren, verren gezichteinder uit,
eene schier onbegrensde ruimte voor den geest des mijmerenden zwervers,
en geen berg hindert het uitzicht.
Geen berg, die _hindert_?--Ja:--al ontken ik het grootsche schoon der
bergen niet. Ik zal niet onderzoeken, in hoever die hindernis een moreel
of wel een aesthetisch gevoel ten grondslag heeft; maar zeg mij, waarom
gij geen berg zien kunt of gij wilt hem beklimmen, en u zelfs bij
geschilderde bergen de lust bekruipt van te weten, wat er achter ligt?
Is het niet, omdat hij u het uitzicht beneemt, dat gij uw blik zóó ver
in de ruimte wilt laten weiden, als het physisch vermogen van het oog
toelaat?
Welnu, dat kunt gij hier, en laten wij er in allen geval tevens de
krachtige aesthetische uitwerking bij erkennen, die ook aan het vlakke
landschap eigen is.
Somtijds wordt de stilte en eenzaamheid van dit natuurleven gebroken
door eene kudde, die hier grazen gaat, en wier herder in eene greppel
zich uitstrekt of achter eenig struikgewas een plekje schaduw zoekt.
Diep in den grond geploegd kronkelt een oud spoor zich voort, welks
voren reeds gedeeltelijk weer met pruiken van heide bewassen zijn, en
somtijds rinkelt daarover de bel van een paard, dat schuddende het door
een netwerk of een boomtak beschermde hoofd, met langzamen en zekeren
stap de open kar voorttrekt, wier hooge, schuine wielen het oude spoor
weder omwoelen. Lang kunt gij het geklikklak der bel hooren en de kar
nastaren, die zich naar de leemen hut voortbeweegt, wier bemost dak zich
in de verte nauwelijks van den heigrond onderscheidt.
Het is mij alsof ik hier zou willen leven, voor eenen tijd. Het is in
alles een zuivere natuurindruk, dien men ontvangt, de menschenhand heeft
hier nog niets gedaan, en daarom bleef er zooveel, dat tot ons spreekt
uit de eenvoudige bestanddeelen van het landschap om ons henen.
Beurtelings is het een ethisch en intellectueel leven, dat zich
openbaart, een wereld voor het gemoed of het verstand, beurtelings eene
aesthetische kracht, die zich doet gelden. Denker of kunstenaar, beiden
kunnen hier dien toestand van zuiver genot smaken, waarin de mensch, in
de beschouwing verloren, vrij wordt van zijn eigen ik, vrij van wat zijn
wil en begeerte opwekt, en geheel belangeloos tegenover de natuur en het
schoone staat. Vandaar die rust, dat evenwicht, dat gevoel van geluk.
* * * * *
Voor den schilder is de lichtwerking in dezen jaartijd eene rijke bron
van schoonheid. Hij vindt er schaars de kracht en het vuur van het
zomerlicht, de volheid en de diepte zijner schaduwen en beider sterke
tegenstellingen; maar de herfst geeft eene fijnheid van tonen, eene
zachtheid van schakeeringen, die verrukkelijk zijn. Hier spreidt zich
over de vlakte een stroom van nevelig licht uit, ginds werpt de lage zon
hare stralen met scherper hoek; het licht scheert als het ware over de
oppervlakte heen, de toppen van grasspriet of heiplant en bloem
verlichtend en aan deze kleine voorwerpen, aan de kluiten op den grond
zelfs, lange schaduwen gevend. Een andermaal beschijnt het eene groep
van halfontbladerde boomen, die zeer helder bruin van kleur, en uiterst
fijn en teeder van toon, licht afsteken tegen de grijze wolken. Keert
gij den rug naar het zuidwesten, dan ziet gij het landschap in het volle
licht, wendt gij u naar de zon, dan is de boschzoom in het donker, want
hij is vóór de zon, en in stille, vlakke tinten, bijna ééntonig en
zonder diepsels en hoogsels, vormt hij ééne, door de reflex--lichten van
den grond wazige, massa, boven wier toppen alleen een rand van licht
komt schemeren.
De dampkring is niet meer zoo ijl en doorschijnend, hangt lager en vormt
dichter ineengedrongen een zacht waas, dat zich over den omtrek
uitbreidt, dat, hoe verder het verschiet is, des te dikker wordt en
boomen en heuvelen bij den gezichteinder in een steeds blauwender kleed
hult. Daarom geen heele tonen en kleuren, maar gebrokene, en eene
eenheid en harmonie, eene verwantschap van allerlei tusschentinten, die
soms tooverachtig onwerkelijk, die gemoedelijk en liefelijk zijn, en
aldus stillend en weldadig op het oog werken. Zij klinken als een
eentonig wiegelied en roepen eene zachte rust te voorschijn in het
gemoed, eene tevredenheid, een volkomen evenwicht door het uitsluiten
van alle hartstochtelijkheid.
De zomer is gloeiend, hartstochtelijk, schel, levendig bewogen en
bewegend, de zomer is de tijd der alom werkzame krachten, hij is de
jeugd in hare onrust, in haar vuur, in haar zoeken en jagen.
De herfst is de mensch, wiens driften hebben uitgewerkt, de zacht
vlietende stroom na den storm, helder als deze, nadat het slib en
meegevoerde slijk zijn bezonken en die nu slechts een hemel zonder buien
weerkaatst.
De herfst is de man, wiens oogsttijd is gekomen, in rustig zelfbezit, in
wien de drift tot geestdrift is geadeld en het rusteloos zoeken tot eene
beraden werkzaamheid, de man in het evenwicht zijner natuurlijke en
verstandelijke krachten.
De herfst is de vrouw, die gevonden heeft, waar zij tastend naar zocht,
een kring om te werken en te lieven, de vrouw, die moeder is geworden;
niet meer, laat het zijn, met de dartelslanke leest, met de weelderige
lokken, de tintelende oogen en de gloeiende wang, maar met dat
spiegelgladde voorhoofd, met den kalmen en blijvenden glimlach van het
gevonden geluk, van een verworven levensdoel.
Daar is geen droefheid voor mij in het najaar. Droefheid moge er zijn in
de afgevallen bladeren en doode takken, in den looden hemel of in de
neerstortende buien en de kille sneeuwjacht en den mist. Maar dit is de
herfst niet in zijne kracht, het is de herfst in zijn dood en in zijn
overgang om winter te worden. Nu is het natuurlijk leven nog in, al zijn
rijkdom. De zon geeft nog helderheid en warmte, de plantengroei is nog
rijk aan loof, al is het gebruind, en al zien wij daarin de jonge, licht
gekleurde, saprijke spruitsels niet; en is de akker leeg, de boomgaard
is vol. Er is alleen rijpheid, geen verval in het physisch leven der
aarde.
Wel is er ernst in den herfst. Geen, ernst zooals die gewoonlijk
begrepen wordt, geen ernst, die zuur kijkt en de, wenkbrauwen samentrekt
met de sombere voorhoofdsrimpels, die smaalt op alle stof, op alle
zinlijkheid, op alle schoon van vormen en kleuren, en voor wien
eindelijk niets van het leven overblijft dan eene dorre, kale woestijn;
geen ernst, die konfijt in suikerzoet geteem, of veroordeelt in harde
liefdeloosheid. Maar die andere, die de oogen opent en het voorhoofd
glad plooit, die alle levensuiting niet veroordeelen, maar adelen wil,
die schoon, sterk, gezond is, het leven tot zijne bestemming wil
opvoeren, en in alles dit hooger beginsel wil, DE GEEST ZWEVENDE BOVEN
DEN CHAOS.
Die ernst behoeft er niet bleek en mager uit te zien, slaat de oogen
niet wanhopend op dit tranendal, prevelt geen formulieren, is niet aan
vormelijkheid, als een mollusk aan zijne schelp, gebonden; maar hij kan
lachen, zijn bloed stroomt krachtig door de gezonde aderen, zijn oog
blikt helder als eene lichtende vonk van het vuur, dat Prometheus uit
den hemel veroverde en zijn geest is als de ladder Jacobs, waar de
gedachten op en af zweven, en die met hare stijlen hemel en aarde
verbindt.
Eens doen de gedachten op die ladder haar laatsten op- en
nedertocht,--en staan zij naar gelang op eene hooge of op eene lage
sport; dán valt de ladder weg en de geest blijft, wie zal het zeggen, of
nog gebonden, om eerst langs vele ontwikkelingen hooger op te mogen
klimmen, of zoo hij op eene hooge sport stond, terwijl hem de ladder
ontviel, zal ook hij, evenals de GROOTE GEEST VANOUDS, leeren zweven
boven den chaos van stof en vormen.
Tot zoolang, mijn waarde, nu de ladder Jacobs nog overeind staat, en wij
de sporten niet missen kunnen, zullen wij niet op de stof en de
zinnelijke wereld smalen, noch haar dooden in en buiten ons, maar liever
dat stoffelijke bestaan veredelen en zoo homogeen mogelijk maken aan den
geest, waaraan het gebonden is. Wij zullen ze niet beminnen met
ziekelijke gehechtheid, niet uitsluitend voor haar leven, maar wij
zullen ze toch vurig liefhebben die wereld van natuur en zinnen, waarin
wij zooveel schoons en goeds belichaamd zien, waarin zich uitdrukt al
wat de geest, werkt, waarvan ook de uitwendige vormen gemaakt zijn onzer
ouders, onzer vrouwen, onzer kinderen, en ook van u, mijn vriend.
Hierbij laat ik het voor het oogenblik; ik zend u mijnen groet, en
weldra, hoop ik, het vervolg mijner heiwandeling.
_Truly yours_
C. V.
* * * * *