I.

Ik ga de wereld doorreizen, mijn waarde, en u van tijd tot tijd mijne

berichten toezenden.

Gij schrikt reeds, als ik u wel ken, voor eene reisbeschrijving, omdat

gij weet, hoe de meesten reizen.

Zoo zaten er eenigen op de boot met mij, dezen zomer, die ik u veilig

als monsters kon overzenden van het geslacht der hedendaagsche

reizigers. Daar heeft er een zich neergeplant, die maar reist om aan te

komen: hij draagt als eene pyramide zijn lot, en blikt rechts noch

links, tot hij er is. Ginds loopt een ander, die slechts reist, opdat

men wete, dat hij reist; en zijn troost is niet te zien, maar gezien te

hebben en te kunnen zeggen: dáár ben ik ook al geweest. In tegenstelling

met den vorige kijkt hij overal heen en wendt zich tot iedereen. Voorts

zijn er de periodieken, die jaarlijks hun tour doen, even vast en even

onbewust als eene natuurwet.

Maar buiten deze bijzonderheden zijn er nog andere soorten. Zij zijn

uitstekend toegerust met kleederen, koffers, plaids, parapluies,

alpenstokken, tasschen, verrekijkers, blauwe brillen en Guide's. Zij

hebben alles medegenomen, maar alleen vergeten, iets in hunne schedels

te doen; de woonplaatsen van verstand en gevoel staan te huur, of zoo

gij wilt, de werktuigen zijn er, maar de grondstof ontbreekt, of zoo gij

het weer anders wilt, de machines zijn onvolmaakt en de machinisten

ongeoefend.

Eene van dezen had lang staan turen in het stoomwerktuig der boot.

Uiterlijk, wat schoone verschijning! Het koeltje waait de klapperende

linten te gelijk met een paar vlekjes van de blonde haren los en uit het

aangezicht, dat de frissche blos er te frisscher door zichtbaar worde,

en jaagt de kleederen vaster om de gestalte, dat zij zich sterker

teekene in haar schoonen bouw. Wat peinst deze allerfatsoenlijkste en

welopgevoede jonkvrouw over de machine? Ziet zij wel, dat de zwarte,

vuile stoker telkens kolen in den oven werpt? Och, mocht hij eens een

fijn, fatsoenlijk en welgemanierd vermoedentje bij haar kunnen opwekken,

dat, zoo hij dit nalaat, wij weldra stil zullen liggen dobberen midden

in den stroom, of meedrijven met den vloed en terug met de ebbe, opdat

zij er uit opmake, dat een organisme voedsel moet hebben om te werken en

te handelen!--Zij en hare ouders, en haar zuster en broeder behoorden

tot een gezelschap van de meest voorkomende soort. Zij hebben alles bij

zich, zooals ik u zeide, maar alleen geen geestige bagage medegenomen.

Geheel ongevoelig kunt gij ze niet noemen, want zij geven aan de meeste

indrukken toe, die toevallig op hen werken, mits zij oppervlakkig zijn.

Wat zullen zij terugbrengen van de reis? Ik heb deernis met hen, als ik

ze aanzie en dit naga. Een klein getal van uit de zesde hand verkregene

verkeerde indrukken, een paar onbekookte oordeelvellingen over eene

stad, eene verlepte gevoelige zinsnede over den Mont--Blanc, een dozijn

geleende phrasen over natuur, komedie en table d'hôte; misschien eens

anders oordeel over een paar monumenten, en eene leugenachtige

bewondering van een grootsch stuk oude kunst, een Tiziano of een

Correggio. Op bevel van den Murray of Baedeker, zullen zij zuchten in

den kerker te Chillon, even hè! zeggen van de Jungfrau, in het

voorbijgaan, vluchtigjes, vluchtigjes hun lof schenken aan de kathedraal

te Florence, en in hetzelfde vertrek zijn (meer mag het niet heeten) als

de _Stanze_ van Rafaël. En dan naar huis, met even ledig hoofd als bij

den uittocht, met uitzondering, dat er een paar hokjes gevuld blijven

met wat er van den Guide in is blijven hangen.

Zoo zijn er duizenden, en die zijn nog de ergsten niet eens, want wij

wenden gevoel voor en eenige belangstelling, of leenen die van een

ander, zijdelings bewijzend, dat die dan toch vereischt zijn.

Maar er zijn ook duizenden, die alleen reizen voor hun zinnen en wufte

ijdelheid. _Buikreizigers_ moogt gij ze noemen, of zoo gij aan de

phrenologische localisatie gelooft, _achterhoofdsreizigers_. Zij weten

alles van comfort en lekkernij, van uitspanning en uitspatting; zij

hebben vele kleederen gezien en geen menschen, en die de schoonste

kleederen droegen vonden zij ook de voortreffelijkste menschen; zij zijn

ten toppunt van geluk, als zij met graaf Polyplonski hebben gedronken,

gegeten of gereden; hunne wereld is eene groote stad of eene badplaats,

en hun levensdoel zinnendienst. Met duizenden trekken zij uit, om terug

te keeren als een ledig paaschei, aardig geverfd, maar--hol.

* * * * *

En zou ik u dan nog het recht betwisten om bang te zijn voor de vruchten

van zulk reizen?

Maar hiervan staat u niets te overkomen. Ik reis dezen keer maar met

mijn schetsboek en mijn potlood; menschen en dieren, een hek of eene

stad, kunst en zeden, het verledene en het tegenwoordige, er komt van

alles in dat boek, en er waait als vliegende bladen, van alles tot u

uit. Ik wil reizen met mijne voelhorens ver uitgestoken, en met het

honderdvoudig facettenoog der vlieg. Ik zal ook eens buiten de plat

getreden banen gaan zoeken. De bloemen en vruchten groeien niet op de

gladde heirwegen, maar daarnaast in een greppel of een ander verborgen

hoekje. Zaken en menschen zijn schier overal gelijk geworden, eene

gelijkheid ongelukkig meer door afslaan van het uitstekende dan door

verheffing van het lage verkregen. Met alles slechtende kracht gaat de

gelijkmakende werking der beschaving voort,--een nivelleeringswerk als

dat van het water, dat de hooge punten afschuurt;--overal dezelfde

kleeding, dezelfde gezichten, dezelfde manieren, hetzelfde eten,

dezelfde maatschappij, dezelfde denkbeelden. Als ik mijne medereizigers

bezie, zoowel de oppervlakkige als de buikreizigers, moet ik bekennen,

dat zij even goed--Engelschen, Franschen, Duitschers, als Hollanders,

Russen of Amerikanen kunnen zijn. Wat moet er diep en ver gezocht worden

naar eene oorspronkelijkheid, naar een individu!

Beschaving! Wij zullen de oude thesis van Dyon niet weer aan de, orde

stellen, wij blijven u huldigen; en toch is het mij somtijds of u een

klein vischstaartje uit het zijden kleed komt kijken,--schoone vrouw,

zooals Horatius zegt, maar die in een vischstaart uitloopt. Doch liever

werp ik met verontwaardiging dit denkbeeld weg. Neen, dat staartje

behoort slechts aan uwe nagemaakte bastaardzuster, die licht en dicht,

met een imitatie-stofje gekleed, met een dun laagje verf is opgeflikt,

dat zij heel wat schijnt. Het is die, gij weet wel wie en wat, die

wisselzieke, die kleur- en karakterlooze, die men niet pakken kan en

zeggen, nu heb ik je en nu zal ik je dood knijpen, maar die men overal

en telkens duidelijk ziet, die zich meest in het, gezelschap van

beschaving vertoont; dat ding, dat men dan maar bij benadering

fatsoenlijkheid moet noemen, hoewel het geen fatsoen heeft.

Fatsoenlijkheid,--het woord toont in zijn vorm reeds zijne

gemaniëreerdheid.

Fatsoen, dat is nog goed, dat is vorm; fatsoenlijk is reeds eene

afleiding, dat is afwijking; het is iets, dat den aard van fatsoen

heeft, dat er na lijkt, maar het niet is; en dan nog--_heid_--dat is

weer een verdere afstand van de bron, van den stam.

Daar hebt gij den moordenaar van vrijheid, van oorspronkelijkheid, van

natuurlijkheid. Durf eens _waar_ zijn, als hij er bij is!

* * * * *

Nu zullen wij er toe komen te weten, wat voor wereld wij gaan bezoeken.

Gij ziet al, dat het niet de groote kosmos is, noch die wereld, die met

minder grootspraak eenvoudig de aarde heet, noch, overdrachtelijk, de

bol, dien keizer Karel in de hand houdt, de staatkundige, noch de

zeepbel, die de groote wereld heet, noch die onzichtbare, maar overal

ingrijpende, overal gevreesde en gevierde tyran, van wien het heet de

eischen, de opinie, de convenances der wereld, en die in den vorm van

_wat zou de wereld daarvan zeggen_? maatstaf is van handelen en

oordeelen. Maar die vereeniging van menschelijke aandoeningen,

gewaarwordingen en gedachten, die bij den omgang der menschen elkander

kruisen; die wereld der phantasie, die ons omvoert in alles, dat de

menschheid doorleefd heeft en nog doorleeft; die wereld, wier ruime

kringen het gebied der natuur, van het zedelijk bewustzijn, der rede,

der kunst omvatten, het ware _leven_, dat zich in gevoel, in daad en in

denken uit, maar toch altijd één is.

Ook de zon was op hare schijnbare reis om de wereld. Zij was aan de

_Waag_ gekomen, en in gelijke schalen lagen dag en nacht tegen elkander

opgewogen. De herfst was begonnen. Mijn eerste reisdag is een herfstdag,

en gij moogt boven dit blaadje zetten:

Vogels van diverse pluimage · 第 21 / 29 题