II.

Ik was er niet geheel en al op onvoorbereid, carrissime, door u gehekeld

te worden om den weidschen aanhef van mijn eersten brief, die u niets

minder dan de gansche wereld door zou voeren, en waarin wij zoo lang op

een stuk heigrond en in het bespreken van een paar denkbeelden bleven

ronddraaien. En toch ben ik nog op die hei, en zal ik er u nogmaals

heentronen.

Quousque tandem....![5] zoudt ge mij plagen met den al of niet

Ciceroniaanschen uitval tegen Catilina.

Stil!--de ontboezeming is eene mimosa, raak hare teedere bladeren niet

aan: en daarenboven, ik weet immers toch, dat, wat uw vernuft ook

spotte, gij evenwel met mij deelt in het genot van het schoone, vrije

natuurleven; ik weet immers toch, dat gij het mij niet zult

tegenspreken, hoe men op een beperkt stuk gronds, in éénen toestand eene

wereld van gedachten of gewaarwordingen kan beleven.

Weet dan, dat ik die wereldreis koos om in onzen geestesomgang geen

nauwe grenzen te hebben, maar ruimte, waar gemoed en verstand stoeiend

of ernstig konden omzweven in zoo wijde banen als zij zouden gelieven.

Ik voor mij kan er nog geen afstand van doen, onder mededeeling aan u,

het rijke levensgenot te herdenken, dat mijne natuurbeschouwing mij

schonk op dien herfstdag. Te meer, omdat uwe bedenkingen zoo juist

overeenstemmen met de gedachten, die mij toen bezielden.

Want gij klaagdet in uw antwoord over de maatschappij en het gezelschap,

in het algemeen over de samenleving. Juist deze zijn het, die mij

bijwijlen nopen, verademing te zoeken in de natuur, den ouden sleur te

ontvluchten en in eene omgeving van oprechtheid voor de gekunsteldheid

vergoeding te vinden.

Ik stem het u toe, dat zij ziek zijn, of, zoo wellicht deze stellige

uitdrukking te sterk is, dat zij niet gezond zijn,--en, zij willen niet

genezen worden. Dat is het geval bij zielszieken. Wie lichamelijk lijdt,

haast zich, van zijne kwalen bevrijd te wezen, maar de zielszieken

willen meestal niet genezen worden. Hoe zouden zij ook willen, daar hun

wil mede ziek is? Zij consulteeren en medicineeren er wel tegen, maar

voeden te gelijk dagelijks hunne kwaal, aanvullend, wat de geneesheer

wegnam, en gij kunt ze niet meer grieven dan door hun te zeggen: gij

wordt beter. Ook onze samenlevingsmensch is zielsziek. Door gemaaktheid,

conventie, oververfijning, die weekheid is geworden, door gebrek aan

hoogere overtuiging, door leugen en schijnzucht, en alleen waarheid kan

hem redden, waarheid en die schoone verschijning, waarin de waarheid

vleesch geworden is, de natuur.

Die onnatuur, dat geveinsde en gekunstelde, heeft ook het

gezelschapsleven verwaterd of bedorven. Onder conventioneele vormen

beweegt het zich voort op den stroom der meening, maar derft te veel de

geestesbezieling. Wat er zich tegen verheft is maar eene reactie van

onverschilligheid. Hoe dikwijls waart in de gezelschappen der wereld die

melancholische gestalte onzichtbaar, maar voelbaar om,--wilt gij haar

Hamlet of Shakespeare noemen,--met de bittere woorden op de lippen:

Hoe mat, oudbakken, geestloos schijnen

Der wereld vormen en gebruiken.

* * * * *

De algemeene beschaving berust te weinig op inwendige vorming, te veel

op uitwendige, en deze is het fatsoen, dat alles beheerscht, de afgod

van alle standen, naar wiens gunst allen streven, en het groote einddoel

der zedelijke opvoeding. Het spreekt overigens vanzelf, dat dit fatsoen

slechts tot het uitwendige leven beperkt is en tot het niet openlijk

schenden van de wellevenskunst.

Ten gevolge van dit alles heeft er ook in de taal en spreekwijze eene

geheele verschuiving van beteekenis plaats gehad. Een aantal woorden

heeft zijne kracht verloren, is verlept, verschaald, afgestompt en wij

moeten, om vroegere kracht te behouden, ze opflikken met adjectiva, of

er uit vreemde talen nieuwe voor in de plaats stellen. De taal is ook

onoprecht geworden, gemaskerd, geblanket; valsche munt, geeft zij uit,

als zij de beteekenissen verdraait en aan leelijke dingen schoone

woorden schenkt.

Het valt moeilijk te ontkennen, dat met den loop der beschaving deze

verschijnselen gelijken tred hebben gehouden, en dat zij elkander op de

hielen, zitten; ja, het is zeker eene vrij juist schijnende redeneering,

de gekunsteldheid, de verbastering, de afwijking van de natuur aan de

beschaving toe te schrijven. Wij hopen toch eene bevredigender uitkomst

te vinden.

* * * * *

In de beschouwing van de hei was ik met u blijven staan. Verbeeld u mij

later aan mijn landelijk maal van wat ik had medegenomen, een dergelijk

als wij meermalen samen plachten te gebruiken op onze tochten, wanneer

wij--gij met de lange blikken bus, door dien boer eens voor een

verrekijker gehouden, over den schouder,--gingen herboriseeren. Ik was

op het punt om van den bodem, die mij tot tafel en stoel strekte, op te

rijzen, toen de stilte en het daardoor gewekte gevoel van eenzaamheid

opeens verbroken werden door den klank van een klokje, een geritsel in

de struiken, en twee geiten, niet ver van mij weidend, mijne oogen

troffen.

Eene tegenstrijdigheid moogt gij het misschien gaan noemen, en eene

overwinning der gezelligheid op de afzondering, als ik u beken, dat dit

teeken van levende wezens mij opeens eene gewaarwording van genoegen

gaf. Doch het is ook waar, dat deze dieren en het meisje, dat ik iets

verder ontwaarde, geen storende klanken waren in de stille

natuurharmonie om mij heen, zij stemden er geheel mede samen. Ik kan

niet zeggen, dat zij de stilte braken.

Deze dieren zochten naar de jongste en zachtste planten, en dicht bij

hen bespeurde ik een meisje, dat ze moest hoeden. Daar ik in half

gerezen en half liggende houding door de hooge bremstruiken verborgen

was, die met hun sappig groen hier en daar in groepen over den bodem.

verspreid, eene schoone wisseling van kleur gaven aan het eentonige

heikleed, zag zij mij niet. Het was een hoogst schilderachtig

beeldje--het hoofd voorovergebogen, op een langen stok, om de geiten te

drijven, tusschen schouder en arm leunend, het bovenlijf met een rooden

doek omknoopt, waaruit de hoog opgestroopte hemdsmouwen kwamen, die de

armen bloot en vrij lieten; de heupen, de linksche sterk geteekend door

het rusten op het been aan die zijde, achteloos met eene dikke stof als

rok omhangen, die de bruingebrande, maar fijne enkels zien liet, terwijl

de voeten scholen onder de heistammen,--zóó was zij een beeld van

slechts even gerijpte jeugd, slank, lenig, veerkrachtig, een natuurkind

met eene merkwaardige sierlijkheid en harmonie van verhoudingen in hare

vormen.

Straks bukte zij, en zich in een kleinen waterplas spiegelend, ging zij

de dicht en rijk groeiende, los golvende, blonde haren bijeenvlechten.

Eerste daad van een nog duister, maar zachtkens uit zijn natuurslaap

oplevend zelfbewustzijn.

Wat ging er bij die handeling om in het hoofd van dat natuurkind,

geboren en opgewassen in de eenzaamheid? Zoo mogen wij wel vragen, als

wij bedenken, dat zij in den leeftijd was, waarop wat het sterkst

heerscht de verbeeldingskracht is. Wat al visioenen kwamen in dien

tooverspiegel des waters haar voor den geest? Wat voor nikkers keken van

onder door het heldere medium haar in de oogen? Kind, wat doet gij! Het

is de eerste voetstap, dien gij zet uit uw Eden, uit uwe volstrekte en

onbewuste onschuld, uit uw natuurstaat. Helder is toch nog de spiegel,

waarin gij kijkt, helder als uw gemoed tot nu was; maar gij hebt de

betoovering verbroken, van nu af _moeten_ er wolken overheen gaan,

_moet_ die heldere oppervlakte door het slib, dat op den bodem ligt,

verduisterd worden.

Zooals ik haar bespied had, bracht ik haar snel met eenige trekken op

mijn teekenboek, maar nauwelijks snel genoeg of zij zag het plotseling,

en trok, met een donkeren blos over hals en wangen, de pas gevlochten

haren uiteen, als door een duister instinct gedreven om mij een bewijs

te geven van het argelooze harer daad, maar juist daardoor de kleine

wereld van haar binnenste openbarend.

Ik.--Waar woont gij?

Het meisje (bedremmeld).--Wat?

Ik.--Waar uw huis is?

Ginds--wees zij met den uitgestrekten, arm naar een kleine hut, in de

verte nauwelijks van den grond te onderscheiden, en meteen op twee

vingers fluitend, bracht zij de geiten naar zich toe, en ging ze met

haar langen stok den weg huiswaarts opdrijven.

Ik.--Laat mij met u gaan: vertel mij intusschen iets van uw huis: wie

zijn daar te huis?

Zij (aarzelend en met zeker wantrouwen, omdat ik haar in hare naïeve

handeling gezien had).--Thuis zijn wij met ons vijven,--de oudste is

weg,--ik ben nu de oudste.

Ik.--Hebt gij vader en moeder?

Zij.--Vader hakt hout en rijdt hout en keien, die hij delft: moeder

werkt in 't veld, hier en daar, als ze kan,--nu moet ze op den jongen

passen,--en ze werkt in huis en op ons veld.--Raapt gij dat op?

Ik.--Weet gil, wat dit is? Het is een fraai geslepen--wig, zooals ze

hier vele eeuwen geleden als beitels gebruikten.

Zij.--Die vinden wij zoovele hier. Vader bewaart er een; zij zeggen, dat

ze goed zijn om den bliksem af te weren.

* * * * *

Toen een stilzwijgen. Van ter zijde zag ik haar dikwijls aan. Zij was in

het schoone tijdperk der wordende rijpheid, waarin de vormen voller

worden, het vermeerderde bloed met sneller omloop naar hals en wangen

vloeit, de zintuigen scherper zijn, de verbeelding gaat heerschen; de

uitgang uit de algemeenheid, de intrede in de individualiteit; physisch

en moreel eene zoo belangrijke en critische periode:--ik had lust, het

kind der natuur te bespieden in haar zieleleven.

Ik.--Wat doet gij gewoonlijk?

Zij (met een blos).--De geiten hoeden, en sprokkelen, en dan werk ik in

huis....

Ik.--Hebt gij niet op school geleerd?

Zij.--Een korten tijd;--wij wonen te ver af, en zij kunnen mij niet

missen voor de beesten.

Ik.--En blijft ge hier zóó leven?

Zij.--Ik weet het niet; ik wilde liever weg; 't is hier doodsch.

Ik.--Kunt gij dan niet hier vandaan?

Tranen verduisterden hare oogen. Ik bukte mij om eene plant te plukken,

en deed alsof ik het niet bemerkte. Waarom, dacht ik, verder snaren

aangeroerd, die haar wellicht kwellen, en ik liet den tip los van den

sluier, dien ik wilde oplichten. Toen weer een lang stilzwijgen.

Zij de geiten voortdrijvend, en ik in mijmering verzonken, zoo kwamen

wij weldra bij de woning. De lage hut was als één met den grond; het

werk der menschenhand was maar weinig merkbaar, en de woning scheen een

voortbrengsel van den bodem zelven. Denneplanken en klei vormden de

wanden, waar ze helden, door een paar jonge dennestammen geschoord; het

dak, dat als de kroon van een paddenstoel het geheel overhuifde, was één

plantaardig geheel geworden; bladmossen gaven er eene groene kleur aan,

die hier en daar door sterker licht steeg tot het diepste, sappigste

groen; het huislook leefde daartusschen en schoot zijn langen

bloemstengel omhoog, en de donderbaard, naar Thunars rooden baard

genoemd, beveiligde het dak tegen het onweer.

De geiten waren de hut ingeloopen, en toen ik mij onder den lagen

deurpost gebukt had, verwelkomde mij eene vrouw met een knaap, die met

beide handen zich aan hare rokken vastklampte; eene krachtvolle vrouw,

in hare gestalte eenigszins tot den mannelijken vorm naderend. Zooals in

de beschaafde wereld het mannelijke tot het vrouwelijke, zoo nadert bij

het volk het vrouwelijke type tot het mannelijke.

De vrouw.--Laat mijnheer gaan zitten,--hier is eene bank, en wat melk,

als mijnheer wil. Komt mijnheer jagen?

Ik.--Neen, ik zwerf maar voor mijn genoegen op de heide.

En ik moest glimlachen om de onmogelijkheid van haar te verklaren, wat

ik eigenlijk kwam doen. Op de jacht?--Ja, juist op de jacht,--van

menschen, van toestanden, van beelden en gewaarwordingen, van schoonheid

en van waarheid....

De vrouw.--Ik dacht het om die tasch--maar daar zijn kruiden en planten

in, zie ik nu.

Het meisje (blozend).--Hij heeft de geiten uitgeschilderd....

Ik.--En uwe dochter er bij, moeder.

Eene hooge kleur overdekte haar hals en wangen.

De vrouw.--Dus is mijnheer een schilder:--schilders komen hier veel.

Ik.--Ook dat niet: ik kom een dag leven in de natuur, de stad

ontvluchten met haar drukte en gewoel, en buiten uitrusten.

De vrouw.--Zijt ge dan niet tevreden in de stad?

Tevreden? Wat is tevredenheid? Is het stilstand, die niet meer werkt,

die niet meer wenscht, dan is zij apathie. Of de gemoedsstemming, die

wel vrede kan hebben met wat is, maar waarbij het streven naar iets

beters niet is uitgesloten? Dan ben ik tevreden. Maar geen stilstand,

geen afgesloten leven; oneindig is het streven des geestes. Het geheele

leven is streven, en misschien is zelfs sterven hetzelfde, en slechts

een zeer gewone letteromzetting van streven.

Ik.--Tevreden? Ja--maar in de stad verliest men zichzelven, men moet

zich terugvinden in de vrije velden en bosschen.

Het meisje (blozend).--De stad! eenzaam en stil is het leven hier. Wat

ziet of geniet men hier? Hoe vroolijk en druk en heerlijk is de stad!

Hoe gelukkig is het, onder de menschen te wonen!

Ik (tot de vrouw).--Zijt gij tevreden met uw leven hier?

De vrouw (verwonderd).--Waarom zou ik ontevreden zijn? Wij hebben niets

te verlangen; de grond geeft plaggen om te branden, en ons bebouwd veld

geeft vruchten; mijn man verdient veel geld met het delven van keien,

waarmee de grond hier gevuld is; met de zon staan wij op en werken

totdat de zon ondergaat; wij eten, slapen en werken goed, wat wilt gij

meer?

Ik.--En hindert u de eenzaamheid niet?

De vrouw.--De afzondering geeft vrijheid; wij leven vrij en gerust, en

hebben het noodige.

Het meisje.--Niet altijd,... of het noodige is heel weinig.

Ik.--Verlangt gij dan niets?

De vrouw.--Wij verlangen zon en regen voor ons veld, en keien in

overvloed in den grond.

Ik.--Gelukkige eenvoud.--En zal die jongen, die uw kleed maar vast

blijft houden, er ook zoo over denken? Een flinke knaap, moeder!

De vrouw.--Ja, flink, is de jongen, niet waar? Zoo wou ik hem houden,

wat hebben wij anders aan de kinderen? Mijn oudste, mijn zoon is naar de

stad, hij werkt daar,--maar voor ons is het alsof hij niet leeft.

Ik.--Wat kunt gij er aan doen? Het is eene noodzakelijkheid van het

leven. De vleugels zijn om te vliegen, dat is om het nest der ouders te

verlaten.

De vrouw.--Had hij niet hier kunnen werken met ons?

Het meisje.--Wat zou hij hier gedaan hebben? Moeder, moeder! ach wanneer

gaan wij ook naar de stad! Daar is alles schitterend, zeggen zij, en

vroolijk, en meer dan duizend menschen wonen daar!

* * * * *

Ik dacht het wel. Het is de zucht tot maatschappelijk leven, die in

opstand komt tegen den natuurstaat. Die traan, die blos hebben het al

lang gezegd, en getoond, hoe diep het er reeds in zit. Vrij moge,

moeder, uw leven in rust, in eene geslotenheid liggen, die er eene soort

van plantaardig of dierlijk bestaan aan geven, deze natuurtoestand is

een onafgewerkte, een onvolkomene, en indien gij al niet, dan zal de

dochter zich aan dien toestand ontrukken, wellicht met al het geweld,

dat uit de noodzakelijkheid van deze ontwikkeling voortvloeit. Daar hebt

gij weder eene dier geheime drijfveeren, die de wereld en de

maatschappij in beweging stellen. Is er dan eene gebiedende wet, die

alles uit zijn rust en eenvoud, naar den strijd en de tweespalt des

levens heenjaagt?

Onvoorzichtig kind, wat gaat gij beginnen! Wilt gij uwe schoone wereld

verlaten? Ja, de jonge maagd zal dat paradijs van onbewustheid, van

onschuld verlaten,--in dien éénen blos van verrukking, op het hooren van

den naam der stad, is het al te bespeuren. Welk drama ligt er voor haar

in gereedheid? Wolkjes komen op, aan den gezichteinder zijn zij al

gerezen, om den helderen spiegel, waarin zij straks tuurde, te

overschaduwen. Zooals duizenden vóór haar, zooals de menschheid met

haar, zal zij het Eden der volstrekte onschuld verlaten en de wereld

ingaan, om daar in de beschaving, in het kunstmatige, in eene versierde

en mismaakte zedelijkheid te zwoegen, te worstelen, te lijden, te

struikelen en voort te strompelen; misschien, zoo het haar gegeven zal

zijn, zich op te richten.

De vrouw.--Zie, de jongen snuffelt al in uwe tasch, en pas op, de geiten

knabbelen aan de planten, die er uit steken; wat doet gij daarmede?

Ik.--Wij willen alles kennen; ik zal ze onderzoeken, de wortels en de

bladeren, de bloemen en het zaad, om te ontdekken, hoe de plant leeft.

De dieren plukken en eten ze zonder nadenken, uit instinct; doen zij

niet beter? Wij zijn reeds te ver van de natuur verwijderd, om haar

beeld geheel te ontsluieren. Zij genieten zonder te kennen, wij moeten

kennen om bevredigd te kunnen zijn.

De vrouw.--Wat, jongen? Durft gij 't zelf mijnheer niet vragen? Hij wou

zoo graag dat potlood hebben, om poppetjes te teekenen; nu trekt hij ze

maar in 't zand.

Ik.--Wel zeker en ik zal hem wat papier daarbij geven;--en gij moogt dit

beeldje van uwe dochter behouden. Nu dank ik u, moeder, voor uw

frisschen dronk, de lage zon waarschuwt mij terug te keeren. Vaartwel en

leeft samen gelukkig.

* * * * *

Toen ik een eind verder eens omkeek, zag ik het meisje, de hand boven de

oogen houdend, mij staan nastaren.

Mijn weg liep langs de kleine beek, die, uit eene welige ader der natuur

opborrelend, zich voortslingerde in den bodem, gereinigd over de kiezels

in hare bedding. Lang vergezelde zij mij, maar eindelijk verliep zij in

een grond met dichter groei van mossen, varens en struiken bewassen.

Toen ik mij nog eens omkeerde, alvorens de hei te verlaten, zag ik in de

verte de hut bijna niet meer. Het donker begon te vallen, de zon was al

onder; de meerdere gloed van licht en de meerdere beweging van wind, die

haar ondergaan plegen te vergezellen, hadden voor de schemering en voor

eene groote stilte plaats gemaakt; kalmte heerschte zoowel in het rijk

des lichts als in dat des geluids.

De kleine woning zag ik niet meer, en zij werd mij als een ver, zeer

ver verleden der menschheid.

Gelijk die vrouw, was eens de natuurtoestand des menschen, met een

streven, dat maar weinig verder ging dan dat van planten en dieren.

Kon de mensch zoo blijven?

Daar ontwikkelde zich met den grond, dien ik betrad, de geschiedenis der

menschheid.

De kinderlijke volken zijn geheel in de natuur verzonken, één er mede;

zij denken haar niet tegenover zich als voorwerp van waarneming. Zoo

leven zij naar hun instinct, hun natuurdrift.

Maar dit zelfs is niet eens een volstrekte natuurtoestand meer; vrijheid

van alle maatschappelijke banden is slechts denkbaar in het aanzijn van

één mensch op aarde. Zoodra twee niet al te domme wezens te zamen

moesten blijven leven, zal hun de noodzakelijkheid gebleken zijn, dat

ieders vrijheid beperkt werd door de eischen der vrijheid van den ander.

Reeds in het bestaan van twee menschen op aarde dus is de wet gegeven

van opoffering ter wille van elkander, van beperking van zelfzucht, en

met deze conventie is de maatschappij al gegrond, en gerechtvaardigd

tevens.

Daarna zichzelven en de wereld buiten zich waarnemende, opgevoed in den

strijd om zich te handhaven tegenover de andere wezens en de

verschijnselen der aarde, verminderde de mensch voortdurend zijn

instinctleven en nam zijn kennisleven toe. In de paradijsmythe is het

volkomen juist, dat de kennis den mensch uit dat Eden verdrijft. Maar

onjuist is de voorstelling, dat hij toen _viel_. Integendeel, deze

verdrijving uit het instinct, deze verlossing uit de dierlijke

onbewustheid was een groot voorrecht. Menschelijke schuld is een hooger

trap dan dierlijke onschuld; en oneindig hooger het onvolmaakte

kennisleven, dan het volmaakte instinctbestaan. Eerst dan is het

onderscheid van kwaad en goed begrijpelijk; eerst dan kan er sprake zijn

van eenige verdienste in het bestrijden van het eerste en het streven

naar het tweede; eerst dan is een leven van den geest en de geboorte van

idealen daarin mogelijk.

Maar dat ideaal kan nooit een terugkeer tot den natuurstaat zijn, en wie

met Jean Jacques dat wenschte, kunnen wij geen beter antwoord geven dan

Voltaire hem schreef:--Après avoir lu vôtre discours, on prend envie de

marcher à quatre pattes.

Vooruit dus, op twee beenen, en recht overeind.

* * * * *

Hier, op den ouden grond, dien ik betreed, verlevendigt zich uit het

doffe verleden een latere phase der menschheid.

Op dezen driesprong, waar de heksen komen dansen en geen gras kan

groeien, schieten als door betoovering de oude geslachten weer te

voorschijn. Ruw is de mensch nog, maar er zijn al maatschappelijke

vormen. Op zijn reis van de oorspronkelijke natuur naar de beschaving is

hij nog aan de natuur verkleefd. Hare kracht is hem eene duistere

overmacht, hare wet willekeur, hij heeft haar noodig, hij vreest haar.

Zoo maakt hij uit haar zijne goden. Merk intusschen op, hoe hij aan den

voornaamsten der goden geen dommekracht, maar verstandsattributen

toekent,--de raven Hugin (gedachte) en Munin (herinnering) zitten op

Wodans breede schouders,--en in die apotheose van het verstand ziet gij

reeds den wegwijzer, die altijd vooruit wenkt naar het land der

_kennis_. Dien weg, volgde de mensch en hoe verder hij kwam, des te

verder raakte de natuur van hem af. Daarom verdween ook eindelijk voor

hem die bovennatuurlijke wereld, die hij zich schiep, en zij keerde

terug tot de natuur. Ik had, bij het heengaan, van de hut een fraai

exemplaar van den donderbaard meegenomen en zoo kwamen mijne gedachten

op den schoonen Thunar, naar wien hij heet. Zoo keerden de natuurgoden

terug tot hun oorsprong, dacht ik, en hunne namen blijven zich slechts

aan natuurverschijnselen hechten. Al wat eens in deze zelfde streken

bovennatuurlijks leefde en heerschte, heeft voor zijne persoonlijkheid

een physisch leven teruggekregen.

De schoone jongeling Thunar, de machtigste met den grooten Wodan, de god

der hemelverschijnselen, rijdt niet meer met zijn gespan van

tandenknarsende bokken[5], raatlend door de lucht. Hij leeft alleen in

den donder; zijn machtige roede baard, waar de bliksem uit schoot, als

hij er in blies, is tot het plantenrijk overgegaan, en de donderwiggen,

die zijne krachtige vuist eens wist te slingeren, liggen rustig in de

aarde te slapen, waaruit de landman ze soms opspit; en de vriend der

oudheid bewaart ze. Bloemen en vruchten strooiend, rijdt Hertha niet

langer over de aarde. De kleine slimme Lichtalven en de booze, zwarte

Nikkers nemen aan der menschen handelingen geen deel meer en voeren geen

guitenstreken meer uit, maar in de lucht, in de planten, in de

waterpoelen en de dwaallichten hebben zij zich teruggetrokken. Vast

blijven de, vonken van Muspelheim nu aan het nachtlijk hemelgewelf

staan. De machtige Wodan zetelt niet langer in Asgard, het lot

besturend, de vader der poëzie en der wijsheid, hij, die één zijner

oogen verpand had om uit Mimirs bron de voorzienigheid te drinken. Voor

de laatste maal heeft hij met Freya over het slagveld gereden om de

gevallenen te deelen; blijvend staat zijn Wagen in het noorder halfrond

onder de starren te blinken; en ook Freya drijft haar met katten

bespannen voertuig niet meer als liefdegodin door het luchtruim. De

wateren en wouden hebben hunne heilige huivering verloren;, de roerende

tragedie van den edelen, blonden Baldur, door den boozen, zwarten Loki

gedood, en zijne Nana, die uit weemoed sterft in zijns moeders schoot,

heeft opgehouden te bestaan.

Dit alles is voorbij, als de menschenwereld, die het schiep, en

teruggekeerd, tot de natuur, waaruit het geboren was. Zoo ging het in

verschillende tijden, in alle streken der aard. Wat niet tot de natuur

terugkeerde was de menschenwereld; zij ging voort, al weder iets anders

opbouwend, altijd voort op den langen weg der beschaving, zich hoe

langer hoe verder van hare moeder verwijderend, zich hoe langer hoe meer

in samengestelder vormen der maatschappij inwerkend.

* * * * *

Met den grond waren mijne denkbeelden veranderd. Afwateringsbeken en

greppels, die de slangsgewijs kronkelende beek vervangen, snijden nu in

regelmatige lijnen den bodem; overal zijn gronden in bebouwing gebracht,

hier met jong plantsoen, elders met boekweit of met tabak; geregeld

staan de boomen, en hier en daar verheft zich een net, rechtlijnig huis;

ten laatste snijdt eene spoorbaan mijn weg, en een tal van ijzerdraden

trilt en gonst in de lucht. Mijne gedachten zijn nu geen herfstdraden

meer, maar voegen zich naar de ijzeren draden van de telegraaf.

Met een geweldigen gedachtensprong ben ik eeuwen vooruitgestoomd en ik

voel mij opeens te midden der nieuwste beschaving, te midden dier wereld

met hare duizenden kunstmatige vormen, behoeften en denkbeelden, waarin

de mensch niet langer naar zijn instinct, maar naar zijn verstand,--en

vaak onverstandig genoeg,--leeft.

* * * * *

Het is hier de plaats om natuur en cultuur, om Eden en den boom der

kennis te verzoenen, en het ons duidelijk te maken, hoe wij weer tot

natuur kunnen komen zonder op vier pooten te gaan loepen.

Wat er strijdigs is, valt gemakkelijk op te lossen. De menschheid heeft

haar tijd nog niet volbracht, zij is in een toestand van wording en

ontwikkeling. De gebreken, die men in de maatschappij te berispen vindt,

zijn dus geen einduitkomsten, maar de voorbijgaande gevolgen van de

werking en gisting der bestanddeelen van het leven, en de weg, dien wij

gaan, is duidelijk die van het onvolmaakte tot het meer volkomene. Dat

die weg zoo kronkelt, moet ons het einddoel niet uit het oog doen

verliezen. Wij moeten het dus niet tegen de beschaving hebben, maar

tegen hare verbasterde kinderen; en als wij in de geheele maatschappij,

waar zij in allerlei onnatuur en onwaarheid haar vooruitgang zoekt, het

betere leven niet opeens kunnen herstellen, wie belet ons het in

onszelven te doen?

De maatschappelijke wedergeboorte zal er eindelijk wel door gebaat

worden, zoo wij maar aanvangen met onze eigene, en daartoe moeten wij

allereerst beginnen met natuurlijk, eenvoudig en, waar te worden. De weg

om de natuur in ons te herstellen, om den strijd, die tusschen de

cultuur en haar schijnt te bestaan, op te heffen, loopt niet achteruit,

maar voorwaarts en hooger op. Geen terugkeer tot den oorspronkelijken

natuurstaat. Het is een valsch begrip, dat natuurlijkheid slechts bij

naïefheid te vinden is. Zij kan het gevolg zijn dier eigenaardige

afwezigheid van gekunsteldheid, en dan is zij naïef, maar zij kan het

ook zijn van zelfkennis en zelfverbetering, van bewusten en overdachten

terugkeer tot waarheid, en dan staat zij veel hooger. Het is even

valsch, dat wij, om natuurlijk te zijn, tot den oudsten toestand der

menschen moeten terugkeeren, en, uit dit oogpunt beschouwd, wordt de

strijd tusschen cultuur en natuur steeds geringer. Want natuur is niet

enkel die eerste toestand, maar ook de volkomene evenredigheid des

menschen in zijne geheele ontwikkeling. Er is dus in den aard geen

noodwendige strijd tusschen natuur en beschaving, en als de laatste zich

in hare vele vormen en ontwikkelingen voor een tijd van de eerste

verwijdert, zullen beide toch hereenigd kunnen worden. Zooals alles in

de stof naar harmonie streeft, zal ook dit streven zich bij het

verstandelijk en zedelijk zijn openbaren. Eenheid is de grondtoon van de

stoffelijk genoemde schepping, eenheid zal het ook blijken voor de

niet--stoffelijke. Het probleem om natuurlijk te worden, om de natuur en

de beschaving in _Einklang_ te brengen, is dus te zoeken in het

afschudden van het juk eener valsche beschaving, in eene evenredige

ontwikkeling van alle vermogens, is te zoeken in den omgang met de

landschappelijke natuur om ons heen, eene onuitputtelijke bron van

waarheid en schoonheid, waarin wij ons nimmer met vertrouwen zullen

dompelen, zonder schooner en warer te verrijzen.

* * * * *

Weldra hoorde ik het getjingel van torenklokken en zag de hooge spitsen

der oude torens in de lucht steken. Onder de met starren bezaaide lucht

ligt de stad uitgestrekt, eene zwarte massa, wier onregelmatige silhouet

zich tegen de lucht afteekent. Als een evenbeeld van het natuurlijke,

blinkt uit de donkere massa der huizen een ander starrenheer in de

lichten der vensters, die ook als starren schijnen. Dat zijn de sterren

der beschaafde, der maatschappelijke wereld, ook al dikwijls werelden op

zichzelve, evenals wellicht die verre lichten van het hemelgewelf.

Menigeen van die stadsstarren is een haard, waar het vuur des geestes

flikkert en gevoed wordt, een lichttoren, waar de een of andere geest

phantaseerend en dichtend schittert in het rijk van het schoone, of

peinzend en zoekend arbeidt op het gebied van het ware; menig ander is

een altaar van huiselijke trouw en liefde, van werkzaamheid en

zelfopoffering, en al zijn er vlammende lichten bij, die het middelpunt

zijn van onbeduidende feestelijkheid of van boosheid, dat hindert niet

het geheel aan te nemen als een heerlijk, weldadig starrenheer, waaruit

symphonisch de hymne rijst van een groot menschengezin, dat arbeidt in

het leven, van een leven, dat rijker, dieper en veelzijdiger is,

naarmate het verder is voortgegaan, en dat eerst zijne hooge beteekenis

heeft gekregen, sinds het uit zijn natuurstaat tot den toestand der

beschaving is gekomen. Want eerst in de beschaafde maatschappij kan het

leven worden wat het wezen moet, kunnen onze zedelijkheid en onze geest

door de aanraking met anderen vooruitgaan. Zedelijkheid, wetenschap,

kunst, de drie hoogste punten van menschelijke ontwikkeling, zijn alleen

onder beschaving en in eene maatschappij mogelijk.

In die stemming vallen als door eene zuiverende zeef de schillen en

bolsters van het bijzondere, toevallige en wisselende weg, en blijven

slechts de kernen over van het eenig ware.

Al worden dus in vele opzichten natuur en waarheid door eene verkeerde

richting van beschaving verdrongen, dat zijn tijdelijke afwijkingen, om

welke men de beschaving niet zal kunnen veroordeelen. Haar wezen blijft

er even edel door. Alleen, zoolang wij onder die tijdelijke afwijkingen

leven, zal men niet ophouden, somtijds de behoefte te gevoelen om zich

daaraan voor eene wijl te onttrekken en nieuwe lucht in te ademen.

Wanneer in een vertrek vol menschen de lucht bedorven wordt, verwenschen

wij daarom de lucht zelve niet, maar zetten een raam open. Zoo is het

ook in het geestelijke. Ook daar moet somtijds een raam open ter

verversching. Die dringende behoefte naar zuiveren dampkring, naar de

vrijheid der bosschen, den geur der velden, naar natuur en

natuurlijkheid, is het bewijs van wat der maatschappij ontbreekt. Het is

een instinctmatige prikkel, die ons vermaant, de lucht te ververschen en

een gebroken evenwicht te herstellen. Wij moeten ook hierin van het

instinct tot de bewustheid opklimmen, dat wij ons maatschappelijk leven

en onzen geest van tijd tot tijd met opzet opfrisschen in de natuur, dat

de cultuur en de natuur in ons tot harmonie komen.

Als men dat ondervindt, houdt de trek naar de natuur op, een verzet

tegen de beschaving, en de beschaving een strijd tegen eenvoud en

natuurlijkheid te schijnen. Het bewustzijn wordt geboren,. dat zij in

ons verzoend te zamen kunnen zijn, en de morgengloor van een nieuw leven

heeft aangebroken. Eenheid te brengen in de verscheidenheid, harmonie in

het uiteenloopende en een evenwicht te scheppen van alle bijzondere

deelen, ziedaar een der grootste vraagstukken in de levenskunst.

* * * * *

In de rust van dit evenwicht sluit ik mijn brief. Ik behoud mijne

maatschappij en hare beschaving,--maar ik behoud ook mijne

natuurwandelingen. Wees hartelijk gegroet van

Vogels van diverse pluimage · 第 23 / 29 题