Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de

geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het

kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder

de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in

wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op

een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat

er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte

zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met

groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.

Niets, dan de stilte van den....

Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.

Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met

't hoofd.

Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag,

die haar voor goed neervelde.

Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf

geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig

zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder,

Marietje, de broers.

Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur

vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet

breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom,

ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur

denken, ze nam de harde les aan.

Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op

het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig

strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en

blauw zich welfde.

"Ik beloof het," zei ze nog eens.

Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet

ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.

Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden

te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het

niet zijn.

Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.

Zou ze durven?

Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze

wilde weten.

De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon

zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid,

van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast,

om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.

Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante

Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm,

als om een slag af te weren.

"Tante," kreunde ze.

Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.

"Stan?"

Het kwam er schor uit.

"Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de

dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld,

of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad."

Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.

Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest,

dat ze haar pijn deed.

"Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo

aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard

bent gebleven."

Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart

breken zou.

Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE THUISKOMST.

Morgen zouden ze weer naar huis gaan.

Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer

beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke

plichten vervullen.... en standjes krijgen.

Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.

Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk

op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar

lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en

deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren,

als door een sluier.

Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de

lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door

het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in

den mist omringde alle van een stralenkrans.

De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagde vormen gaven

het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar

voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw

verlicht venster van een boerenwoning.

Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.

Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd

had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat

een heerlijkheid, wat een poëzie!

Een heel tijdje stond ze daar en genoot.

Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige

lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen

in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.

Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was

het mogelijk.

Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.

Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek

aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende

van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat

sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie

wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw,

een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en

met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam

naar de diepte.

O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist

zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen

zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen,

die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als

die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar

haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken

haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden....

Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit, haar sterke

verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik

doodsbang geweest.

Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk 's avonds niet

alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen

weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos

op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat

te pakken.

Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer

naar de stad.

Gelukkig allen te zamen.

Dat was bijna anders geweest.

Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke

uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk

en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.

Maar gemakkelijk ging dat niet.

Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord,

alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel

ernstig aangekeken en gezegd:

"Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult."

Dat vreeselijke ooit vergeten?

Nooit, nooit.

Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover

haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond

Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden,

er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets

alsof ze haar niet meer vertrouwde.

Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat

was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen

met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden

kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier

waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven,

maar thuis had ze niemand Moeder en die vertrouwde haar niet meer.

En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare

gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel

vast voornam, moest je dat toch kunnen.

Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo'n

gevoel, dat niemand haar helpen zou.

Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar

schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan

was.

Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.

Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende

duisternis haar hevig, ze kreeg zoo'n echt ongelukkig gevoel, alsof

er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar

huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar

ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.

Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de

oogleden tegen het licht knippend.

"Daar is het verloren schaap," lachte Grootvader, "waar ben je zoolang

geweest, je moeder werd al ongerust."

"Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk

loopen, op zichzelve kan ze wel passen."

"Onkruid vergaat niet," beweerde de galante Henk.

Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.

"Ik maakte me wel ongerust," zei ze hartelijk.

Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad

had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.

Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het

was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels

wel weer wat strakker aanhalen.

"Het was zoo mooi bij de rivier," zei Wies, gretig haar kopje thee

uitdrinkend, "bepaald sprookjesachtig."

Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen,

voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond,

uit haar dagelijksche taal te verbannen.

Moeder zei wat scherp:

"Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo'n warmen dag ligt er een

leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden,

als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen."

Wies kreeg een kleur.

"Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar

school te zullen gaan, al was ik ook doodziek."

"Praat nu maar geen onzin," antwoordde haar moeder.

Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.

Nu zei hij:

"Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink

werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken

heeft op allerlei gebied."

Wies kreeg tranen in hare oogen.

Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest,

dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen

het prettige er weer van weg.

En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat

haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind,

dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield,

dan van haar.

"Kijk toch voor je," snauwde ze, "wat zie je toch aan me, dat je me

zoo aanstaart."

"En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen," zei Grootvader.

"Ja maar Marietje...."

Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:

"Wiesje."

Louise zweeg en keek strak voor zich.

Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.

Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.

Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder

voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken

beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.

Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar

gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond,

zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink

pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade

edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar

bed ging, dan ze had durven hopen.

Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar

door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van

Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield

van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen,

Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest,

iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever

gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het

gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou,

ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk.... alledaagsch.

Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.

Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar

Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste

het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd

was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei,

dat ze dan gaan moesten.

"En mijn kindje," voegde ze er na een laatste omhelzing bij, "ik krijg

goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust

te maken."

"Neen, schat, ik zal mijn best doen," beloofde Wies en ging toen

naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader,

die er haar vlug inhielp en het portier sloot.

"Vooruit," zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en

groetende.

De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk,

als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen

gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs

Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk

buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke

gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.

De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat

ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen

zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een

briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen

week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar

dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.

Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.

Wat een thuiskomst!

Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar

niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp

hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.

De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou

thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een

eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.

Wies had wel willen huilen van akeligheid.

Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier

zoo'n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag,

de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig,

akelig, ellendig.

Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.

"Kom," zei Moeder op geprikkelden toon, "sta daar nu niet te suffen,

maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en

laat Marietje en mij maar sjouwen."

Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.

Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar

en zenuwachtig door de omstandigheden.

"Zet je hoed maar weer op," beval deze, "en ga even brood halen,

de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze

een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij."

Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:

"Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng

ook een paar ons rookvleesch mee."

"En moet er geen boter zijn?" vroeg Marietje, die al druk aan het

stof afnemen was.

"Dat's waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik

dan meer bestellen."

Wies stond verbluft.

"Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat

zoo gek."

"Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg."

Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de

meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.

"Kan Marietje het niet doen?" vroeg ze aarzelend.

Maar nu kreeg ze de volle laag.

Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel

wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon

toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als

ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van

de drukte.

Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.

"Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is

toch duurder."

Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.

"Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat

ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je

wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor

vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar

wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb," en ze vloog

op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.

Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo'n afschuwelijke boodschap,

brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de

school haar zag.

Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen

persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen,

die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.

Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.

Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze

hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur

van het harde loopen, aankwam.

Gelukkig, dat was alweer voorbij.

Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.

Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna

duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei,

dat ze nu nog even melk moest gaan halen.

"Melk?"

"Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben."

"Melk, waar moet ik die halen?"

"Bij den slager," riep Henk achteruit de gang.

Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong

brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen

zacht de straat op de deur achter haar sluitend.

Daar stond ze nu.

Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.

De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nog twee

straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen

om niet te morsen.

Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar

gunstig te zijn.

Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan

gevuld werd.

"Kunt u er niet wat minder in doen?" vroeg ze.

"Het is zoo de maat," zei de winkeljuffrouw.

"Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als 't u blieft

wat uit."

Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.

"Kunt u zoo?" vroeg ze toen.

Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen,

durfde ze niet.

"Onze meid is ziek, ziet u," voegde ze er, verlegen kleurend bij.

"Ja, dat is lastig," vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open,

nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes

vanboven dicht gevouwen.

Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.

O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar

maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht

niet te trekken.

Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen

vroolijk op haar af.

"Dag Wies, ben je terug van buiten?" vroeg Jo, haar hand uitstekend.

Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig

los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien

een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden

in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van

het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders

en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht

gehouden moest worden.

Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter

elkander neer.

"Wat is dat?" vroeg Dien, "het lijkt wel melk."

"Melk," lachte Jo, "Wies loopt toch niet met melk rond."

Wies werd rood tot de wortels van hare haren.

Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes

stonden er om te lachen.

"Het is melk," zei ze benepen.

"Och kom," gierde Jo, "wat moet jij daar mee doen?"

Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar

rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.

"Ja, het is melk," herhaalde ze, bonne mine à mauvais jeu makend en

lachend als een boer, die kiespijn heeft. "Help me in 's hemelsnaam dat

druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn

net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders,"

voegde ze er in één adem bij.

"Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn

rok eens."

Dien wist raad.

Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat

voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.

Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht,

Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat

was al weer in orde.

"Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat

over gaan," klaagde Wies.

"Wil ik een rijtuig halen?" spotte Jo, maar Dien wist al weer raad,

ze zou Jo's zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote,

dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.

Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis,

waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef en gelukkig niets

zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de

zak was en vond het niet frisch, zoo'n vuilen zakdoek over de kan heen.

"Het papier was nat geworden," zei Wies verlegen.

"Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen,

dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten."

Wies' eenig antwoord was een zucht.

Ze was en bleef Wies Ongeluk.

Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de

kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.

"Als ik maar niets breek," dacht ze, het was vandaag weer zoo'n

echte ongeluksdag.

Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje,

toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes

gedaan had.

"Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de

sla schoon."

"Aardappelen en sla," herhaalde Wies verschrikt.

Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.

Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.

"Ja, die heb je immers besteld?"

"Vergeten," mompelde Wies.

"Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen," lachte Henk,

"want het heele rommeltje staat in de keuken."

Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar

stonden zoowel de aardappelen, als de sla.

"Daar begrijp ik niets van," zei ze terugkeerend.

"Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen," antwoordde

Moeder. "Toen je om de melk was, had ik zoo'n voorgevoel, dat je de

groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan

vragen, of je er geweest was."

"Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee

gespeeld. Zoo'n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet

onbeloond blijven en dus...."

"Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je

kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven,"

verzocht Moeder.

Henk aarzelde nog even.

"Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik

soms....?"

Lieve jongen, toch!

"Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een

beetje citroensap wel weer in orde maken."

"Hebt u dan citroen?" vroeg Marietje.

"Neen, dat 's waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar

niet ongerust hoor."

"Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes," schertste Wies,

"wil je dat soms voor ons doen?"

Maar Henk liep lachend weg.

"Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen,"

riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.

De middag ging verder rustig voorbij.

De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een

goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.

Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet

over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde,

dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden

het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten

te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.

Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde

liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg

voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag

zoo lang geslapen.

Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen

te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten,

deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste

zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën

zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.

Wies Ongeluk · 第 10 / 13 段