"Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist,

hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te

zullen doen?"

"Ja, Grootmoeder, ja."

"Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje

gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig."

Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoeders

woorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze

was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije

natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich

zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was

een genot voor haar.

Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en

dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden

bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.

Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd

maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.

Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen

heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van

lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste

haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar

dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE HARDE LEVENSLES.

"Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?" vroeg

Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. "Tante en ik wilden jam

maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend

vind, dan leert ze het meteen."

"Ja Moes," antwoordde Wies een beetje aarzelend.

Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend,

ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij

haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed

al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp

en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.

Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo

heerlijk de dingen bedenken en 's middags had ze mooi den tijd om

het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder

alleen was, zou ze het haar voorlezen.

Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.

Toen dat: "ja Moes," er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:

"Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga

maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze

geen kwaad."

"Alsof ik niet op hen passen kan," bromde Wies, maar toch beloofde

ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den

tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn

blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet

te wild te zijn.

Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem

Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd

een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier,

die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies

gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat

het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen

wel zou toevertrouwen.

"Waarom niet?" vroeg Tante, "Wies is in 't algemeen niet onwillig."

"Dat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is

altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar

nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We

kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan."

Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies,

blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den

zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van

zich afduwend:

"Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu

mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te

warm om zoo woest te zijn."

De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op de bank

gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan

rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar

daarmee in haar gezicht.

Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te

beschermen voor het takje van Stan.

"Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik

ze koopen."

"Bak je dan mee?" vroeg Jantje.

"Neen, ik moet even uitblazen."

Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart

en fluisterde het wat in.

"Ooo!" zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.

Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wisten langs

de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje

deden, lette verder niet op hen.

Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine

armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan

de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.

"Wil je me wel eens gauw loslaten," riep ze quasi boos, maar ze kon

bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.

"Je moet met ons spelen," schaterden de kinderen en spanden al hun

krachten in, om haar op den grond te krijgen.

"Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los," en Wies

hield zich nog steviger vast.

Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze,

roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle

macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de

bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten

en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.

Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig

van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer

opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken,

het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.

"Stoute bengels," zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend,

daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, "stoute jongens,

jullie hebt me pijn gedaan."

Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar

Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:

"Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?"

Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm

en kuste hem.

Zoo'n lekker ventje toch!

"Over?" vroeg hij.

"Ja hoor, de pijn is weer beter."

Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van

spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden,

schenen ze niet te willen vandaag.

"Ja, wandelen," zei Jan tevreden, "naar den grooten plas, hé?"

Wies keek bedenkelijk.

Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook,

misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine,

wilde jongens, zou ze dat wel mogen?

Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen,

er even zijn en dan weer terug gaan.

"Goed," zei ze dus, "maar bij het water moeten jullie me beiden een

handje geven, hoor."

Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan,

de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel

driemaal afleggend.

Ze staken een paar weilanden over en gingen regelrecht op den

grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te

glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan's handje en hield dat

stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever,

met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat

verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op

het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de

groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die

plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!

Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de

waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode

lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend

op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden

in het zonlicht.

Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in

de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht,

met hier en daar een wit wolkje.

Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, ze werd

er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te

staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te

rukken, om los te komen.

Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.

"Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje"

en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een

vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil,

of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen

dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp

zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was

blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee

naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden,

had hij het in een kooitje kunnen zetten.

Wies lachte.

"Ik geloof, dat het een rietzangertje is," zei ze, "die kunnen niet

in kooien leven."

"Hoe weet je dat?"

"Daar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we

nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de

weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe."

Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen

zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de

schuld.

"Kom nu naast me in het gras zitten," zei ze, toen ze een beschaduwd

plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, "jullie moet nu

ook wat rusten."

"Vertel je dan wat?" vroeg Jantje.

"Ja, vertellen," beaamde Stanneman.

"Goed, laat me dan even denken," en Wies strekte zich gemakkelijk

uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.

"Ik ga ook op mijn zakdoek liggen," zei Jan.

"Ga je gang," antwoordde zijn zuster.

"Ikke ook," zeurde Stan.

En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle

geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel,

totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.

Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had

van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest

waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en

plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen,

als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels,

zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had

de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te

voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks

gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal,

dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.

Wies zweeg.

Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het

scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.

Maar neen, daar klonk Jantje's stem, hoewel wat dof:

"Meer vertellen" en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig,

"meer vertellen."

De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de

kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de

jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder

te verzinnen van die goede fee, die haar geluk vond in het helpen en

bijstaan van arme menschenkinderen.

Hè, zelf zoo'n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te

kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de

nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het

fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op

het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend,

zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans,

gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die

heel zacht in elkander overgingen en tusschen de schouderbladen vier

ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas

gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets

leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te

veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een

wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en

uit dat stokje straalde licht af en haar oogen.... die...

Wies was ingeslapen.

Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar

en keek haar oplettend aan.

Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster

heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.

Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf

dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den

gek te houden.

Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het

gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze

gerust.

Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.

Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.

Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde

resultaat.

Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan

begon te niezen.

Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.

Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.

Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder

en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar

zijn hoofdje.

Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:

"Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan we saampjes naar den

plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep,

ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken."

Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op

zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp

hij hem voorzichtig opstaan.

"Zachtjes," fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.

Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen

ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd

werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten

den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het

zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet

geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg,

alleen den rand konden ze zien.

"Zijn er eitjes in?" vroeg Stan.

Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes

in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest

zonder eieren.

"Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek

van tante Rie," zei hij opgewonden, "allemaal rood en paars en een

heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?"

"Ja," zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje

leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde

het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen,

waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden,

maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en

het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds

boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen

grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde,

hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend,

lagen beiden in het water te spartelen.

Wies werd met een schok wakker.

Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.

Had ze geslapen?

Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.

Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.

Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen

nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.

In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.

Waar konden ze heen geloopen zijn?

De plas!

Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd

gekregen had.

Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.

Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze 't zich, of hoorde ze

schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen,

ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo'n benauwd gevoel op haar borst

en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven,

ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar

was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.

Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen

droomen en nog wel in slaap gevallen was.

Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die

losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas,

ze zag geen kinderen, maar--haar hart stond bijna stil--ze hoorde

een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas.... een snik wrong

zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!

Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij

ook wat gehoord?

Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast

niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar

adem stokte.... daar lagen ze in het water, niet ver van het riet,

waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het

kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.

En Stan? Waar was Stan?

Ze zag hem niet.

Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was,

ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:

"Help, help!"

Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag,

losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al

gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het

punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken,

voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje

van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn

verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken

rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij

met de andere het handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun

zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan

naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het

gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.

Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.

Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?

Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.

Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar

daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar

levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen,

het was vreeselijk.

En door haar schuld, alles door haar schuld!

Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet

stond.

"Loop om," schreeuwde hij tot haar, "dan kunt u me helpen."

Helpen!

Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk

en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel,

liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.

"Neem eens aan," beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend

en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.

Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.

Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd

naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.

Een golf water kwam uit het kleine mondje.

"Doet u nu net zoo met Jan," beval Teun.

Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er

niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen,

dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moest ook naar huis om

zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.

"Kan je loopen?" vroeg hij het nu hevig huilende kind, "toe vooruit,

zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort," vervolgde

hij tot Wies, "en loop dan vlug naar huis om te waarschuwen, dat ik

kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit," zei hij nog,

Jantje een duw gevend, "loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor'

je doodziek."

En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren,

gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje

en dreigde:

"Vooruit hoor, of ik zal je."

Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragen

had, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.

Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind

aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest;

hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.

Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust,

dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.

Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan,

die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen

uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte

kind ziende, vroeg ze angstig: "Wat is er gebeurd? Waar is Stan?"

Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder

vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: "Breng Jan naar

tante Marie."

Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee

naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.

Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had

overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar

Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet

wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger

voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen

en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.

Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en

ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei

gedrukt.

"O neen, neen, neen," kreunde ze, "o neen, dat niet, dat niet."

En toen weer kermend:

"Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan."

Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen

kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine,

druipende, levenlooze lichaam van haar broertje, zooals ze het Teun uit

het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend

en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan

het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet,

ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en

paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken,

lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.

Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.

Zou de dokter er al zijn?

Zou ze naar beneden durven gaan?

Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was,

te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid

dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een

gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich

lucht te verschaffen.

Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met

die schuld bezwaard, mocht ze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar

ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld....

En Vader? En Grootmoedertje?

Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast

het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd,

schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.

En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had

toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker

was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop,

dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men

hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord,

haar plicht gedaan had....

Wat had Grootmoeder ook gezegd?

"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het

leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg."

Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen,

die het goed met haar meenden.

Gevolg: ze was de schuld van den dood....

Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat

onherroepelijke woord.

Wies Ongeluk · 第 9 / 13 段