Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet

weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde

niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had

gegeven tot zulk een wantrouwen.

Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de

kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.

De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich

bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.

Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het

duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel

op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij

het raam aan het spelen.

Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje,

toen ze Jan's stemmetje naast zich hoorde roepen:

"Kersjes, mooie kersjes te koop!"

Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het

ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand,

waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode

balletjes.

"Wat heb je daar?" vroeg ze, hem het mandje afnemend.

"Kersjes."

Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes

van de gordijnfranje waren.

"Hoe kom je daaraan?" vroeg ze ontsteld.

"Geplukt van de boomen," en Jantje wees naar de overgordijnen,

waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.

Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden

in lachen uit.

Jantje en Stan schaterden mee.

Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.

"Zoo'n pret, jongelui," zei ze opgewekt.

Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies' hand, hare

oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:

"Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?"

"Kersjes geplukt," verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er

zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel

was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.

Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.

"Jou ondeugende jongen," zei ze, hem bij een armpje schuddend, "hoe

krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven."

Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te

lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder... nu Moeders

lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach

dan boosheid.

Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel

netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.

"Dat is een goed werkje voor jou, Wies," zei ze, "dat moet je maar

eens dadelijk netjes gaan doen."

"Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog

geen tijd voor gehad."

"Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al

zoo weinig kan toevertrouwen."

Henk schoot alweer in een lach.

"Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes," zei hij, "nu eens

daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig

uitgedacht door zulke jonge hersens."

"Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel

te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt,"

zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje,

dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling

geweest was.

Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar

opgedragen werkje.

Henk rekte zich eens uit.

"Daar kom jij weer goed af," beweerde zijn zusje, "jongens hebben

het veel beter in de wereld, dan meisjes."

"Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman

toch een zotten kabouter, jij niet?"

"Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als

ik iets op me neem, schijnt het mis te moeten gaan."

"Ja, als de feeën je verlaten!"

"Toe, zanik niet."

Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo'n slecht

begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets

meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel

vervelends gebeurd.

Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WORSTELEN EN OVERWINNEN.

Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het

schoolleven gewend.

De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een

vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer

van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich,

maar ze had zoo'n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig

opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.

Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat

had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte

ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar,

om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.

Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou

niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen,

omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zoo onbelangrijk

vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.

En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.

Ze had hem zoo'n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast

op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te

krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt,

dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar

helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij

een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze

gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend

geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.

"Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies," schreef Vader, "en de

eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen,

dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met

Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer

onder de 8 is."

Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.

En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna

gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij

dan wel van haar denken.

Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.

Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend,

dan verleden jaar.

Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou

best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader

haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.

Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij

zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet

opletten waren ingekomen.

Deze keek haar ernstig aan en zweeg.

Blijkbaar dacht ze over iets na.

Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapporten

waren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.

Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend,

die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:

"Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar

je hebt niet gewild."

Wies schokte op.

"Ik niet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag

zitten."

De directrice glimlachte.

"Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je

nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt,

dat begrijp ik me niet."

Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw

en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had

voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze niet kon nalaten

aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden

jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan

zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze

nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel

gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje,

dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers

meer kreeg.

Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze

Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf

ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg,

ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar

wel gelukt zijn.

"Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?" vroeg ze,

nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen

de directrice te durven zeggen.

"Omdat je cijfers daarvoor te laag waren," was het kalme antwoord.

Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging

Wies voort:

"Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had,

geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een

sterken prikkel noodig," voegde ze er bij en ineens had ze moeite

niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten,

die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.

De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.

Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was,

naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei,

dat zwijgen was zoo benauwend.

"Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je

jezelve te kunnen overwinnen."

"Ja juffrouw, dat geloof ik wel."

"Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen,

met goed te werken?"

Wies kleurde.

"Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik

wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo'n sukkel ben, als ze denken,

dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en

zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen,

dat ik tot iets bizonders in staat ben."

"En ben je dat dan?"

Weer bloosde Wies.

"Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet

dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in,

dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde."

"Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd

bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou

je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je

bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken

en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te

leggen, om te zien, of je na Nieuwjaar in de volgende klasse zoudt

kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?"

Wies wist niet, of ze goed hoorde.

Ze werd donkerrood en stotterde:

"Zou dat kunnen?"

De directrice glimlachte even om haar ontroering.

"Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben

ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo

ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust

heb, het eens te probeeren en je een kans te geven."

Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield

haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte

zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.

"Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na

Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse,

dan is dat werkelijk iets bijzonders," voegde ze er glimlachend bij.

Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan

ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.

De directrice keek nu weer ernstig.

"Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de

eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in

de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen

onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten,

want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor

de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben

voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen,

je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we

alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise,

of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken,

dat je je krachten overschat hebt en zijn we nog even ver."

Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.

Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond,

dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.

"Ga nu maar, kind," zei ze, "en kom dan na vieren bij me, dan zal ik

je werk opgeven."

Wies aarzelde nog.

"Wat is er? Wilde je nog iets weten?"

Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:

"Kunnen we het niet geheimhouden?"

"Geheimhouden, voor wie?"

"Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een

verrassing van willen maken."

"Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je

voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard

moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je

grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook,

want 's avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je

niet door al te grooten ijver ziek wordt," voegde ze er lachend bij.

Wies lachte ook.

Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de

wereld niet uit zijn.

Maar werken zou ze, werken....

"Dan moet Moeder het maar weten," stemde ze toe, "als ze het dan maar

niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen."

"Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder,

of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan

bespreek ik de zaak zelf eens met haar."

Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze

dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht

van Moeder, toen ze haar de boodschap van de directrice overbracht.

"Heb je weer wat uitgevoerd?" vroeg ze streng.

Wies had moeite haar lach in te houden.

"Niet dat ik weet, Moeder."

"Waarom moet de juffrouw me dan spreken?"

"Dat weet ik niet."

Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde

zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.

"Als er ernstige klachten zijn," dacht ze, "dan zal ik dezen keer eens

zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen,

zoo kan het niet langer."

Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig

verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel,

om den toestand te verbeteren.

Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht

had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat

ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet

zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo'n jaar zitten

blijven niet zoo'n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te

geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot

afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om

haar met alle geweld te laten overgaan.

"Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak,"

legde ze uit.

Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar

zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.

"We kunnen het probeeren."

"Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich

half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek

en later gaat alles weer zijn oude gangetje."

"Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw

hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk

besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen, doordat ze afdwaalt of

niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van

de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat

die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere

plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal,

haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren

gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?"

Mevrouw Schotter knikte toestemmend.

"Ja zeker, ik begrijp u."

Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel

dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:

"Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te

willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn."

"O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles

een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het

dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, dat ik zoo

zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat

is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen,

want het zal een zware dobber voor haar zijn."

"Ik maak me er niet veel illusie van," en na de directrice nogmaals

bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter

de school.

Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.

Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.

Maar gemakkelijk ging dat niet.

Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte

aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik

mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk

worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang

niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en

verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar

werk haastig afgeroffeld te hebben, door gebrek aan tijd. Moeder

was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over

den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest

er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij

de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat

ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen

zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek

haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze

had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel,

dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon

het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.

Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te

onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.

Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een

uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist

pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als

je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had

heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was

me iets, om je op zoo'n middag te moeten bezighouden met die saaie,

drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte,

en het in het bosch nog zoo prachtig was.

Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd

thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd

om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.

Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde

er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat

het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze

geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den

mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet

naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald

en niets uitgevoerd.

Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen,

wat daar stond.

Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?

Datief en Accusatief.

O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.

Vooruit maar.

Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid

van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde

voor haar gericht, begon ze:

"An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen."

Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.

Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het

verschil in het gebruik was.

En ze begon weer: "An, auf..."

Even kijken.

"An, auf, hinter, neben, zwischen."

Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.

Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele

mond er naar vertrekken, zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te

zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst....

Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen

moed begon ze:

"An, auf, hinter, neben, in," en zoo verder, totdat ze wel dacht,

dat ze er achter was.

Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.

Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep

ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing

er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze

mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven,

hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.

Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.

Gudrun stand im Schnee am Meere.

Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de

vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer,

wie het eigenlijk was. Even kijken.

Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het

uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.

Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren,

de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil,

ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.

Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met

onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les

hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze

bleef zitten, kreeg ze zoo'n slaap, 's avonds vooral kon ze soms niet

wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk

wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens

krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar

helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig,

over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de

kamer gooide en met het hoofd op de tafel even uit moest huilen,

voor ze weer beginnen kon.

Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige

weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al

wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.

Slagen zou ze. Er hing te veel van af.

Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken

van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar

vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht

had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest

opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar

dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar

uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel

te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan....

Ja, wat dan?

Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de

tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen

brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te

dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze

die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund

had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.

"Rust eerst een kwartiertje," zei haar moeder, haar aanziende,

"je ziet er moe uit."

"Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen."

"Dan ben ik er eerder af," voegde ze er in gedachte bij.

Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken,

dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.

Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd

zijn van ons Wiesje.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

DRAMA MET APOTHÉOSE.

Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en

kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken

niet thuis kon brengen.

Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: "ja,

ik ben al wakker."

Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in

het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat

het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren

van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.

Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.

Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook,

hoe de wind gierde.

Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vaders vertrek

en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar

zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.

Wies Ongeluk · 第 11 / 13 段