doen zult."
"Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen,
dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon."
"Een halve waarheid," vond Grootmoeder.
"Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik
schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover
Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet
voor de waarheid durfde uitkomen."
Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.
"Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk
de waarheid."
Wies aarzelde.
Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze
stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen,
ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou,
de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op
tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.
"Ik kan niet, Grootmoesje," zei ze, "heusch, ik kan niet."
ELFDE HOOFDSTUK.
HET SPROOKJE.
Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel
een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten
en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten
ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas
's avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.
Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de
rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve,
ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.
Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet,
iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.
Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan,
Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen
blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.
"Het zal best gaan," verzekerde Grootmoeder, "ik kan immers bellen,
als ik iets noodig heb."
"U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?" vroeg tante Marie dien
morgen, "u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me,
er is zooveel water in de buurt."
"Ik beloof het," zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich,
of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen
om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?
"Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?" vroeg ze.
Tante Marie keek verwonderd.
"Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen."
"We kunnen haar toch geleiden."
"Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes
te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te
vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?" voegde ze er aarzelend bij,
zich tot haar moeder wendend.
"Neen, neen, ik blijf thuis," haastte deze zich te zeggen, "zoo'n
tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch
wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag."
Tante Marie keek ontevreden.
"Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin
bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien
niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u,
ik zou geen oogenblik rust hebben."
Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.
"Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het."
Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in
haar binnenste.
Zou zij thuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen
stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet
willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze
te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen. Dan kon ze met haar
naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.
Zou ze het doen?
Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op
dezelfde boerderij zoo'n dolle pret gehad, het was wel hard, daar
afstand van te moeten doen.
Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen
op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun
genoegen niet vergallen.
Arm Grootmoesje.
Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een
verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit--ze zou
bij haar blijven.
Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde
ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat
last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er
iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies
moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar
van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat
ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren
niet gelooven durfde.
Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij
het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets,
van ook wel thuis te willen blijven.
Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om,
toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering,
die ze zich daar opgelegd had.
Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!
Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze
had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen
vertrokken waren.
Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar de serre,
waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op
haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand
gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven
mond en gesloten oogen.
Wies trad voorzichtig nader.
"Is daar iemand?" vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.
"Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies."
"Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig
wegreed?"
Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.
"Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik
ben niet meegegaan, ik blijf bij u."
"Bij mij?"
Grootmoeders lippen begonnen te beven.
"Ja, lieveling."
"Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij
gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten
doen."
Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het
hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.
"Dat hadt je niet moeten doen," zei ze nog eens, het gezichtje
kussend, dat zich tot haar overboog, "ik had werkelijk best alleen
kunnen blijven."
Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien
van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.
"U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf."
"Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag, dat overvalt
me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt
de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te
denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter
een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan
ook hebben mag. Ik ben heel blij, alleen spijt het me, dat je nu je
prettig dagje mist."
"Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje
hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer."
"Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk."
Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.
Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht,
vervuld van geuren en van aardige geluiden.
"Zoo goed?" vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar
grootmoeders rug plaatsend.
"Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt,
heel dankbaar."
Wies kreeg een kleur.
"Zeg u er niets meer van, als 't u blieft," en op een voetenbankje
aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:
"Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden
gedroomd heb?"
"Gedroomd, beste meid?"
"Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het
raam, 's avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien
avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in
zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en
het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen
geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald,
en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik
was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe
en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje,
dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de
schoonheid van zoo'n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende
en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en
niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters,
neen, wat ik zag, was heel wat anders.
Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat
bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er
een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een
zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende,
donkere, spookachtige armen.
"Maaneffect," dacht ik, "gewoon de werking van het maanlicht,
maar toch.... ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik
tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte
boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren,
die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het
was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een
langen witten baard en daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte
zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan,
knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde
te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en
kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half
vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen
een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de
maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in
een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen
te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder,
de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?"
"Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard
van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren."
Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.
Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest
te kunnen halen.
"Kinderen," sprak het mannetje, "er is van avond veel werk te doen. Een
paar van jullie moeten naar de stad."
"Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur 's nachts kunnen we
ons niet aan de menschen vertoonen," vroeg een bijzonder klein ventje.
"Natuurlijk niet, kleine wijsneus," antwoordde de aanvoerder, "dat
behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert
mijn kroon niet in de maneschijn?"
En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen
was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.
"Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet," ging het koninkje voort,
"en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de
stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat
meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij wat ze op het oogenblik
doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan
niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze
eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat,
als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar
te hebben, vóór ze naar school ging, ze den volgenden Zondag niet
naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes
gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls en als ze vroeg op is,
komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze
heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer
veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk
voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven,
zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?"
De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes
de aarde aanraakten.
"Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning," vroeg een hunner
met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een
dun glas tikte.
De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje,
dat sprak.
"Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt."
Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.
"Goliath," herhaalde hij, "wie is dat?"
De koning lachte.
"Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens
bestaan, veel grooter nog dan de menschen."
Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende
boomen.
"Zoo groot wel, als die eik?" vroeg hij rillend.
"O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen,
zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun
weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk
dus maar niet zoo benauwd. In het ergste geval zou ik er toch zijn,
om je te beschermen."
Het ventje lachte witjes.
De koning zag dat en werd rood van boosheid.
"Jou kleine schelm," riep hij uit, met zijn voetje op den grond
stampend, "geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het
niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel,
dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en
gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend."
"En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood," waagde het
ventje aan te vullen.
De koning fronste zijn wenkbrauwen.
"Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast," beval
hij, "hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden,
als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou
mogen twijfelen."
Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het
ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi
gekleurden paddenstoel.
Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn,
dat het nauwelijks te hooren was.
"Stel je voor, ik bang voor een reus," bromde nog de koning in
zijn baard.
Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets
had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms
heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:
"En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde."
"Niets," piepte het ventje.
De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn
oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd
en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet,
het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de
banden knelden.
"Laat me dan eerst vrij," smeekte het.
"Eerst moet ik hooren, wat je wilde."
"Mag ik dan daarna los?"
"De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal
je slecht bekomen."
Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij
hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken
gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath
het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.
Hij begon dus te spreken.
"Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk
geen enkele fout in."
"Dat spreekt vanzelf."
"En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik
geloof niet, dat zoo'n meisje geen fouten in haar werk maakt."
"Daar had hij gelijk aan," merkte Grootmoeder glimlachend op.
Wies lachte ook.
"U ziet, dat zoo'n kaboutertje de plank niet ver mis slaat," zei ze.
Toen vervolgde ze:
"De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig
vraagstuk op moest lossen.
Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge
wijsheid beslissen zou.
"Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden,
maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een
uitweg te vinden."
Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met
gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.
Niemand zei echter iets.
Het gezicht van den koning klaarde op.
Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, het oplossen
van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er
ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening
openbaar maakte.
Wat piepte daar zoo?
Het geluid kwam van onder den paddenstoel.
"Ik weet de oplossing."
"Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte,
jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden."
"Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen...."
"Wat zou je zeggen?"
"Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten."
Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.
Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen
fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje
op, alsof hij barsten wilde en riep schel:
"Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn
koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf
slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te
durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed...."
De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn
mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. "Sluit de
gelederen aan," gilde hij toen, "sluit allen om mij heen, bescherm
uw koning!"
Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster
aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes
lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats,
waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de
kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.
Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.
Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op
den grond vallen en verscholen onder de dorre bladeren en in het gras,
kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend
en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van
zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning
hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.
De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al
bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.
Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en
wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.
Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen,
waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.
"Help, help," gilde hij in zijn wanhoop.
En daar kwam hulp.
De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen
der boomen, hare dunne armen boven hun hoofden rekkend, spookachtig
verlicht door het schijnsel der maan.
Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den
paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen
konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen
kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.
Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het
angstig den omtrek.
Was er nog gevaar?
Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem
door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel
niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier
vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er
dan niemand om hem los te maken?
De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde
zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die
een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.
Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam
en vroeg verbaasd. "Wie schreeuwt daar zoo?"
"Och help me, help me, maak mijn banden los," smeekte een fijn
stemmetje.
De tor kroop naar den rand en keek er overheen.
Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken
wijd open, wat bij haar lachen was.
"Hebben ze je vastgebonden?" vroeg ze, "waarom, wat heb je gedaan?" en
meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en
plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat
en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.
"Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?"
"Aan majesteitschennis," piepte het mannetje.
De tor keek ernstig.
"Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend," en ze deed,
alsof ze weg wilde gaan.
"Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven
moet, ga ik zeker dood."
De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo
grappig in zijn angst.
Toen zei ze goedmoedig:
"Dat zou zonde zijn van zoo'n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden
met je hebben en je banden doorbijten," en de daad bij het woord
voegend, bevrijdde zij den kleinen man.
Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg,
dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:
"Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen."
De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op
het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.
Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg,
na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er
zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze
hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor
het goede, dat hun overkwam."
Wies zweeg.
Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen
haar knieën leunde.
Toen vroeg ze glimlachend:
"En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?"
"Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar
partijtje missen."
Grootmoeder lachte.
"Daar was ik wel bang voor."
Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze
dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie
zou ze het hebben durven vertellen.
"Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?"
"Ja, gedroomd, weet u," lachte Wies.
Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.
"Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag
vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar...."
"Wat maar?"
"Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet
graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt,
dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds
aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk
heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?"
Wies werd heel rood.
"Ik had er al een beetje over gedacht, 's avonds, alleen maar over
een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun
hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien
avond klaar te komen," voegde ze er met een verlegen lachje bij.
Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.
"Kind, kind," zei ze toen zacht, Wies' hand grijpend, "ik voorzie nog
zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te
verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf,
zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet."
Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had,
maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van
den toestand mislukten immers.
Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:
"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het
leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van
oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van
zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je
toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel
goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen
en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf."
Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.
"U maakt me bang," zei ze bevend.
Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.