ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien."
"Heelemaal niks?" vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne
oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.
"Neen, niets, mijn jongen."
"Mij ook niet?"
"Kom hier, Jan," riep zijn moeder, "kijk eens gauw, wat een aardig
hondje daar loopt."
Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:
"Mij ook niet?"
"Neen ventje."
"En Stan niet, en Moes niet en Ota?"
"Neen, niemand."
Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns
eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.
"Vindt u het naar?" vroeg hij heel zacht.
Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.
"Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie
dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?"
Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.
Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.
"Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?"
"Schaam je," riep Wies, en Henk zei: "wat een aap."
Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader
glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:
"Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor."
Jantje keek heel onschuldig.
"Ik vroeg het zoo maar eens," zei hij.
Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de
kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met
uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.
"Zal ik ook helpen?" vroeg Wies.
Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen
anders elkaar maar in den weg.
Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen,
zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze
heerlijk vond.
Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.
"Breng me nog een oogenblikje in den tuin," zei ze, "ik wil graag
een kwartiertje rond loopen."
Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen
langs de paden.
Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar,
bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.
Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets
onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had
van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte;
nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets
tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor
ze geheel zichzelve kon zijn.
Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo
bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug,
uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.
"Wat ben je stil, Wiesje," zei Grootmoeder eensklaps, "je bent toch
wel goed?"
Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde,
alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe
en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand
over haar kleindochters wangen.
"Tranen?" vroeg ze.
Wies veegde ze haastig af.
"Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje
zenuwachtig," voegde ze er aarzelend bij.
Grootmoeder had haar begrepen.
"Grootvader zal nog wel eens met je spreken," zei ze, "en dan beloof
je vast, beter op te passen, nietwaar?"
Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar
grootmoeder haar niet zien kon.
"Niet waar, kind?" herhaalde deze, "je zult het morgen aan Grootvader
beloven?"
Wies kreeg een kleur.
Grootmoeder dacht zeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze
niet antwoordde.
"Ja zeker, Grootmoesje, zeker," haastte ze zich te zeggen, "u begrijpt
toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk
niet helpen."
Haar grootmoeder glimlachte.
"Dat is iets, waar wij het nog wel eens samen over zullen hebben,"
zei ze, de hand van Wies drukkend.
"Is Grootvader erg boos op me?" vroeg deze benauwd.
"Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen."
"Ons zegt u, U ook?".
De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.
"Wel een beetje," zei ze toen zacht.
Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.
"Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet
heelemaal helpen."
Haar grootmoeder schudde het hoofd.
"Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens
alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu
naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn."
"Daar is Grootvader ook," zei Wies en keek een beetje schuw naar den
krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.
In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den
trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met een tevreden
gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder
ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar
te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een
gemakkelijken stoel.
De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen
tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men
de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog
deed opbruischen, anders niets.
Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.
Ze wilde nu genieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas
beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid
van het oogenblik.
Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien
zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den
tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige
gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze
nog een kopje thee wilde.
"Ze is weer bij haar feeën op bezoek," spotte Henk.
"Dat is nog zoo'n kwaad gezelschap niet," vond Grootmoeder.
TIENDE HOOFDSTUK.
ZOO'N ZWAK WILLETJE!
Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader
aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.
"Daar zal je 't hebben," dacht ze en met kloppend hart volgde ze
hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te
gaan zitten.
"Je begrijpt zeker wel," zei hij, "waarover ik het eens met je wilde
hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder me schreef, dat je niet
was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is."
Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik
van haar grootvader.
Ze had haar gewoon excuus van het niet te kunnen helpen, op hare
lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.
"Nu, Wies," drong haar grootvader aan.
"Ik weet het niet," stotterde ze.
"Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik
niet tevreden mee. Kijk eens kind," vervolgde hij, wat dichter bij
haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, "de zaak
is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt,
want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je
herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet
gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter,
nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot
de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert,
volgens haar. Is dat zoo? Voel je 't op school niet te kunnen volgen,
al span je je in?"
Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.
"Ik weet het niet," fluisterde ze alweer.
Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.
"Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je
beter werken of niet, ja of neen."
Wies zweeg een oogenblik.
Toen mompelde ze:
"Ja, geloof ik."
"Dus ja. Waarom heb je dan van 't jaar zoo slecht opgepast?"
Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.
"Ik dwaal zoo gauw af."
"Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar
een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?"
Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.
"Neen, Grootvader," zei ze beslist, "ik geloof niet, dat ik daar iets
aan doen kan, het gaat altijd vanzelf."
Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te
verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar
volkomen ernstig.
Daarna zei hij verwijtend:
"Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord,
"willen is kunnen?"
Wies haalde hare schouders op.
"Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen,
als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor,
om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders
bezig ben."
"Waarmee alzoo?"
Wies kleurde hevig.
Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen,
dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.
"Aan van alles," zei ze nauw hoorbaar.
"In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken
mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en dat moet dan maar
gesterkt worden door prikkels van buiten af. Je moet leeren, men komt
er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best
doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af
te nemen."
"Gelukkig."
"Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in
de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je
moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van
je te maken."
"Ik een flinke huishoudster!"
"Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat
nergens nut voor is?"
Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze
zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren
te schrijven.
Ze zweeg dus maar.
"Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?"
"Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit."
"Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar
hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf
vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk
werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de
oplossing zelf."
Wies' oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie
bedorven.
"Maar Grootvader," protesteerde ze.
"Zoo gebeurt het," zei haar grootvader streng.
Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:
"Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je,
na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te
leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte
hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning
beloond te worden door goede resultaten," voegde hij er vroolijk bij.
Wies zuchtte.
"Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten," zei ze,
"want ik kan ze toch niet vinden."
"Kom, kom, dat zal zoo'n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg
helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven,
dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een
boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de
tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige
eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt,
hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou
maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af."
Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met
het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat
dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven
van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen,
ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten
gaan blokken.
Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon
nijdig tegen het houtwerk te schoppen.
Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende
zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest
die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de
lange vacantie.
Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader
niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar
den heelen dag er over te laten tobben.
Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen
te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch
eerst kunnen.
Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.
Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde
wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren,
zou het misschien wel gaan en wat getroost ging ze aan de schrijftafel
zitten en begon te werken.
En werkelijk, het ging.
Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes
overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat
was er tenminste één.
Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.
Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.
En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die
straal vallen?
Ze rekte zich eens uit.
Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.
Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet
gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele
boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die
leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar
stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk,
nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.
Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te
voelen. Wat rolde daar op haar schrift?
"O, een rups, zoo'n ruwe, groene, met een staart."
Wat een leuk beest.
Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar
Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo'n schade deed aan
de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.
"Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo'n vraatzuchtig beest, daarom ben
je zeker zoo dik," zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar
eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo'n groene,
kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder
met donkere vlekjes.
Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat het eigenlijk
geen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en
die groote teere vleugels.
Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo'n vlinder, altijd in de zon
te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.
Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.
"Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het
niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg," en ze
nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.
Kom ze moest werken.
De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon
hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.
Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk
al die lichtkringetjes op haar papier.
Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar
zoo aardig zong?
Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam
uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.
Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit
het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere
vogel zong.
Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar,
dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de
groene bladeren.
Wat een snoezig vogeltje.
Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels
hooren zingen.
Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.
"De spotvogel," schoot het eensklaps door haar brein, "die is
het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen,
wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek."
Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam
haar potlood op.
Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?
Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren,
het klonk zoo aardig.
Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig
geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing
van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze
lachend overlas.
Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,
Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?
Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,
Jij hoeft geen sommen te repeteeren.
Spotvogel, spotvogel, 't staat je niet mooi,
Als men jou eens sloot in een kooi,
Dan zou je 't spotten wel verleeren,
En hartelijk je vrijheid begeeren.
Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,
Ga gerust door met je lustig gezang,
Houd ze maar allemaal voor den mal,
Niemand, die dat deren zal.
Spot er maar lustig op los, kleine vent,
Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.
Moet ik niet dragen gespot en geplaag,
Omdat ik 't nu en dan eens waag,
Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,
Aan elfen, kabouters en zulke snaken,
Aan nimfen, aan rupsen en kapellen
Aan 't water juffertje, de sierlijke libelle,
Aan.....
Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten
te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potlood te knabbelen
en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.
Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was
het niets.
Eensklaps schrok ze op.
Wat hoorde ze daar?
Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.
Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest
er vijf maken.
Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze
zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund,
als ze maar niet zoo afgedwaald was.
"Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?"
"Ja, ik kom," en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak,
nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de
andere naar den inktkoker.
"Geef maar hier," zei Marietje, "je laat je pennehouder liggen en je
potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?"
Wies schudde van neen.
Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven,
want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.
In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank
en nam haar plaats aan tafel in.
Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had
afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante
geholpen had met erwtjes doppen.
"En jij, Wies?" vroeg Grootvader, "eerst je sommen gemaakt en toen
nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen
hooren."
Wies zag er verlegen uit.
"Ik ben niet klaar gekomen," zei ze zacht.
Grootvader keek verwonderd.
"Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Och kom, het
was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet
je me straks maar eens laten zien," en hij begon over iets anders.
Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.
"Ga even mee met je werk, Wies," zei hij.
Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.
"Zie zoo," zei hij, op zijn opgewekten toon, "laat me nu maar eens
zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel
samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt."
Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het
beschrevene nog veel minder.
Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.
Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.
"Kom dan, je werk," en hij stak zijn hand uit.
Wat moest ze doen?
Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat
nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan
laten, dat ze niets had uitgevoerd.
Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken,
Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect
had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar
kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.
Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit
de hand.
Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.
"Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd," en zijne
anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja
zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon
ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot
een leugentje.
"Het blad is weggewaaid."
"Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen
grijpen?"
Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.
"Ik was even opgestaan," fluisterde ze.
"O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu,
kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je
er al af, allemaal?"
"Neen, ik moest er nog een paar maken."
"Nog twee?"
"Neen, drie."
"Kon je ze niet vinden?"
"Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien."
Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.
"Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet
het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden
je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor
zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie
drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld,
je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het
niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld
niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten."
Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen
toestand achter.
Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje
te kunnen doen.
Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!
"Wies Ongeluk, Wies Ongeluk," zuchtte ze.
Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat
gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou
voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn,
want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude
kennissen van moeder. Ze draaide haar stoel zoo, dat ze met haar rug
naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken
en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee
klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield
haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets
anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht
bij haar werk te houden.
En het gelukte.
Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes
overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer
uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.
"Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten."
"Hoe gezellig," en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.
Wies schoof dicht tegen haar aan.
"Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?"
"Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen,
ze zullen wel weer gauw terugkomen."
"Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven," zei Wies.
"Dat vind ik ook," lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend
en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele
jaar naar verlangde.
Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het
samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.
"Zeg, schatje," vroeg ze eensklaps, "vindt u jokken altijd even erg?"
"Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men
doen kan."
"Altijd?"
"Ja, altijd."
"En een leugentje uit nood?"
"Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is,
te jokken."
Wies zweeg een oogenblik.
"Je kunt het soms niet laten," zei ze toen.
"Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt
toch niet gejokt?"
Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar
grootmoeders schoot.
"Dat heb ik wel," fluisterde ze.
Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.
"Dat spijt me erg," zei ze toen.
"Het was maar een klein leugentje," beweerde Wies zacht.
"Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je
gejokt?"
"Tegen Grootvader."
"Tegen Grootvader? Maar Wiesje?"
Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze
niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.
"U mag het ook niet vertellen," voegde ze er dringend bij, "als
't u blieft niet."