Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.

"Maar ik ga met je mee."

"Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat

Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter,

dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het."

Lottie zweeg bedrukt.

Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.

"Wij hebben elkaar ten minste weer," zei ze na een poosje op

hartelijken toon.

"Zoolang als 't duurt," antwoordde Wies.

"Zoolang als 't duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten

we er nu niet meer aan denken."

"Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen

bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter

met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan,

dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan."

Lottie keek haar van terzijde aan.

"Zou jij zoo doen?" vroeg ze eenvoudig.

"Ik? Natuurlijk niet."

"Denk het dan ook niet van mij."

Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind,

Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het

leelijk vond, zoo te handelen.

Ze drukte Lot's arm tegen zich aan en zei:

"Je bent veel te goed voor me."

Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar,

toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.

Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.

"Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik

feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio."

Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep

door, zonder verder om te kijken.

Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar

binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.

"Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?" vroeg deze verschrikt.

"Jawel," snikte Lottie, "maar die arme Wies."

Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen

haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet

over was en zoo'n verdriet had.

Lottie's moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze

behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies' eigen schuld

en eerlijk gezegd, kon ze niet eens medelijden met haar hebben,

ze kreeg, wat ze verdiend had.

Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep,

dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die

volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat het haar eigen schuld was

en dat ze maar beter op moest passen. Maar zij had medelijden met haar

en zou haar een volgend jaar toch helpen, als 't noodig mocht zijn,

dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar

worden, nooit.

Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan,

diep ademhalend.

Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel

heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande

zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde

niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.

Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het

sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:

"Wel?"

"Blijven zitten," was het nauw hoorbare antwoord.

Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar

werktuigelijk.

Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand,

waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.

Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en

speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.

Waarom zei Moeder niets?

Wat moest ze nu doen?

Kon ze heengaan, de kamer uit?

Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren

gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar

dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze

niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.

En Moeder naaide maar door.

"Mag ik gaan?" vroeg ze eindelijk zacht.

Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?

Wies liep naar haar toe.

"Moesje," zei ze smeekend.

Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.

"Het doet me zoo'n verdriet voor Vader," zei ze.

Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.

Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren,

en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.

Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig,

maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp,

toen ze zei:

"Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat

komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen

luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je

handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt

houden, zal ik nader met je spreken."

Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te

kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar

voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en

onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten,

dan was het achter den rug.

Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:

"'t Is mis, dat zie ik al."

Henk's jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens

gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.

Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:

"De ziel."

Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna

staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed

op te passen.

Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en

begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na

zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan

en te dragen, wat komen zou.

Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken, om zich

een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar

Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.

Wies' hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.

Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar

te gaan zitten.

"Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?" vroeg ze.

Wies knikte van ja.

Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen,

of wat anders moeten hooren?

"Hoor eens, Louise," begon Moeder, "ik was al bang, dat het mis met je

gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je

schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt,

je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik

Vader voorstellen, je maar van school te nemen."

"Me van school nemen?" vroeg Wies verschrikt.

"Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een

huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult

zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken,

je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn."

Wies was een oogenblik stom van schrik.

"Maar Moeder," barstte ze toen los, "ik heb een hekel aan alles wat

met huiswerk in verband staat."

"Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje

is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe

ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming

kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje,

zooals jij, doet veel beter, haar handen te leeren gebruiken, zoodoende

kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden."

"Maar ik ben niet dom!"

"Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.

Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers

krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de

studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt

blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren."

Wies stond verslagen.

Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare

lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school

uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast

overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat

waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder

niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.

Eensklaps ging haar een licht op.

"Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken

voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen."

"Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen

en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging,

te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen

een maand hebben."

"Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?"

"Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je

hem zelf schrijven."

"Och neen, Moeder!"

"Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail."

"Kunt u het niet doen?"

"Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet."

"Ik vind het zoo afschuwelijk."

"Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat

verdiend, dunkt me."

Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze

wilde of niet.

"Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik

ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend," zei ze.

Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op

knorrigen toon, maar licht kleurend:

"Nu geen spitsvondigheden, als 't je blieft. Je schrijft vanavond

aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit."

Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.

Wies lachte nog even.

"Daar zat Moeder vast," dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar

dat duurde niet lang.

De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van

school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden,

het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond

aan Vader schrijven, dat ze zoo'n berouw had en best leeren kon. Maar

vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit

genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op

die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.

Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet

beter kon!

NEGENDE HOOFDSTUK.

NAAR GROOTVADER EN GROOTMOEDER.

"Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?" vroeg Jantje voor de zooveelste

maal in de laatste dagen.

"En naar Omoesje," voegde Stan er bij.

En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen,

hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag

daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.

Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes

voet hoog.

Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf

verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en

door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij

al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.

Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen

buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.

Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?

Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze

tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.

Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst

oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn

hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee

mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben,

kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.

Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel

te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te

beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich

genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er

net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.

Daar riep Moeder.

"Ja, Moes, heeft u me noodig?"

"Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen."

Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje

mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te

worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig

te hebben.

"Ja Moes, ik kom," riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen,

die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad

en de straat op rende...

"Jan is de straat op," riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze

toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar

het kind kijken.

Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder

stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.

Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende

hij door.

"Wil je wel eens dadelijk terugkomen," riep ze, "stoute jongen,"

maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd,

wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het

rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.

Wat te doen?

Ze kon het kind op die manier niet inhalen.

Daar kwam redding in den vorm van Henk.

Als hij nu Jantje maar zag.

Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den

weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret

gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.

Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden

vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed

gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te

moeten laten.

"Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten

aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft."

"Het stond nog open, maar ik heb het gesloten," zei Wies.

Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.

"Jij?"

"Ja, ik," en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien,

hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof

ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets

gedacht had.

"Wel, wel," zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.

"Het is meer dan tijd," merkte de koetsier op.

"Als we maar niet te laat komen," zei Wies.

"Dan gaan we een treintje later," beweerde Henk kalm.

"Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden."

"Welnou, dat kan toch wachten."

"Ik hoop maar, dat we op tijd zijn," zei hun moeder zenuwachtig,

"het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net

tegen etenstijd aan."

"Om half vijf toch, is 't niet?" vroeg Marietje.

"Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging."

Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van

verluchting, dat ze het station uitstoomden.

Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin

ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren

de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar

al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten

en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond

glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten,

die tegenover hem zat.

"Stil blijven zitten, jongens," zei Moeder, Stan vasthoudend, die het

voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje

weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.

"Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft," zei hij, van zich af

trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte,

die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking

tusschen zijn tanden brommend.

Jan hield ineens op met trappelen.

"O, wat zeg je daar?" vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer

vestigend, "wat leuk woord, zeg het nog eens, als 't je blieft,

anders kan ik het niet onthouden."

De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn

lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden,

door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.

Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.

Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich

onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn

lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:

"Toe, zeg nog eens wat leuks."

Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in 't verst verwijderde hoekje

van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.

"Dat's flauw," beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar

hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend,

vroeg hij:

"Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent

u boos op hem?"

Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje

en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.

Dat vond hij aardig.

"Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop

kindertjes, kom gauw, gauw dan."

Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was

niets meer te zien.

"Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden," vond Jantje en Stan

wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats

te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.

Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had,

beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest,

ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.

Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld

gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van

chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze

uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte

het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.

"Ze zijn anders nooit zoo," zuchtte hun moeder.

"O neen, dat spreekt vanzelf," merkte de oude heer sarkastisch op,

"kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is," en het in

zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: "Beroerde

bengels."

Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde

bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden

en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch

wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier

van Grootvader op de voorste bank.

Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen

hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk

niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de

belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja,

als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net

zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd

tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het

een mooi jasje vond.

Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes

op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.

Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje

kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.

"Ik op het andere paard," viel dadelijk Jantje in.

"Goed hoor," beloofde Piet, "maar dan nou stilzitten, anders rol je

er uit."

Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil

en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels

wilde trekken, toen Piet het hem verbood.

Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.

"Wat waren ze lastig," zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje

schikkend.

"Opgewondenheid," beweerde Marietje wijs, "er is veel te lang van te

voren over de reis gesproken."

Henk lachte witjes.

Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo'n klein wijs nest.

Wies genoot.

Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als

bestrooid met schitterende diamanten.

Ze werd er stil van.

Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met

Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar

bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs

en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels

uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet

net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt

je Woudrichem.

"Schilderachtig plaatsje toch," merkte ze hardop aan.

"Een broeinest van besmettelijke ziekten," antwoordde Moeder prozaïsch.

Henk lachte.

"Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet,"

zei hij.

"Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw

genoeg van vergeten," beweerde Marietje.

Wies zuchtte.

De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat

had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.

"Kijk, Loevenstein," wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.

Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen

was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren,

zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat

er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal,

ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de

oude, veel gebruikte bijbel te zien, maar die holle vertrekken waren

voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt,

ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote

plannen, van hoop en gespannen verwachting.

"Loevenstein, Wiesje," plaagde Henk, toen ze zweeg, "krijgen we nu

geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig

slot, dat daar zoo poëtisch...."

"Schei toch uit," zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.

Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht

van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het

schrikken van de paarden.

"Heb je het fluitje wel, Piet?" vroeg ze, "om den molenaar te

waarschuwen."

"En of ik," en Piet haalde een, aan een koord zittend, fluitje uit

zijn jasje.

"Een fluitje," riep Jan verheugd en Stan herhaalde: "Een fluitje."

"Mag ik ook eens," smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.

"Ikke ook," vroeg Stan.

"Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden."

Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te

hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.

"Nou ikke," vroeg Stan.

"De peerden schrikken er van, jong."

"Ik zal 't heel zachtjes doen."

"Nou, vooruit dan," en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje

en gaf het toen tevreden aan Piet terug.

Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten,

nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen,

zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.

Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis

naar hen stonden uit te kijken.

Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in

de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze

betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken

gezichtjes.

Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en

voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.

"We eten een kwartiertje later vanmiddag," zei tante Marie, "Moeder

dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden

willen hebben."

Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die

heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar

niet overgaan.

Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij

onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan

was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer

belangstellend naar hare gesloten oogleden.

"Slaapt Omoesje?" vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.

Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.

"Neen, lieveling, ik ben klaar wakker."

"Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?"

"Omdat ze toch niet zien kan."

Een oogenblik zat het kind in gedachte.

Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een

vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.

"Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman

kan ook niet met dichte oogjes zien."

Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje

en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind

bleef afgetrokken.

Na een poosje vroeg het:

"Wil Omoesje liever niet zien?"

Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen

wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje

vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.

"Laat hem bij mij," zei ze, "hij is zoo lief."

Zich toen tot het kind wendend:

Wies Ongeluk · 第 6 / 13 段