Zoo dacht ten minste de buitenwereld, de schoolmeisjes en de

huisgenooten. Deze laatsten waren erg verwonderd geweest, dat de

onafscheidelijken, zooals ze genoemd werden, niet meer bij elkaar

kwamen, maar toen ze er niets anders uit konden krijgen, dan dat

ze niet meer met elkander omgingen, hadden ze de zaak maar op haar

beloop gelaten, dat kwam vanzelf wel terecht.

Bestonden ze werkelijk niet meer voor elkaar, de twee

onafscheidelijken?

Als men in de harten der beide meisjes had kunnen lezen, dan zou men

wel tot een andere meening gekomen zijn.

Och, ze misten elkander zoo!

Ze zouden niets liever gedaan hebben, dan weer goed worden, maar ze

vonden dat een onmogelijkheid. Hoe kon Wies nu vriendschap voelen

voor iemand, die haar zoo miskende. Hoe kon Lottie nu verlangen naar

genegenheid van iemand, die haar zoo beleedigd had, door niet meer

met haar te willen omgaan.

Neen, het moest maar blijven, zooals het was, het kon nu eenmaal niet

anders.... maar ze misten elkander toch zoo!

Telkens kwam het voor, dat Wies de kleine gebeurtenissen van het

dagelijksch leven op de tong brandden, ze was gewoon, alles met

Lottie te bespreken en telkens moest Lottie zich bedwingen om niet

even naar Wies te rennen, om haar wat te vertellen, nu eens van een

nieuw japonnetje, dat toch zoo beeldig werd, dan weer van de heerlijke

manier, waarop ze de zomervacantie zouden doorbrengen.

Bijna iederen ochtend dacht Wies: zou Lot die moeilijke les kennen,

of die sommen gevonden hebben en bijna iederen avond dacht Lottie: als

Wies voor morgen haar lessen maar geleerd heeft, haar werk gemaakt, nu

ze er heelemaal niet meer eens met mij over praten kan. Hoe dikwijls

was het niet gebeurd, dat Wies niet geluisterd had naar hetgeen de

juffrouw er bij verteld had en altijd was ze dan bij Lottie gekomen,

wetend dat deze haar wel zou kunnen en willen helpen.

Als Wies nu op school met haar mond vol tanden zat en blijkbaar

heelemaal niet op de hoogte was, trok Lot zich de harde woorden, die

dan volgden, net zoo goed aan, als haar gewezen vriendinnetje. Ze

had Wies er immers aan gewend, dat ze bij haar altijd terecht kon,

als ze niet opgelet had. Ze had zoo'n medelijden met haar en zou haar

zoo dolgraag geholpen hebben, maar ze kon toch niet het eerst naar

Wies toe gaan.

En Wies?

Och, die zou wel het eerst naar haar vriendinnetje hebben willen gaan,

ze was bij nader inzien tot de conclusie gekomen, dat de schijn wel

erg tegen haar geweest was en dat het Lottie niet zoo kwalijk te nemen

was, dat ze haar verdacht had. Ze had haar toch ook geen verklaring

willen geven, hoe alles gegaan was. Wel had ze gezegd, toen Lot,

na gehoord te hebben voor wie die bloemen waren, haar gevraagd had,

hoe ze dat in haar hoofd kreeg: "dat is nu mijn wraak," maar Lot had

de bedoeling van de woorden niet begrepen en ze letterlijk opgevat. Ze

zou dus desnoods alles wel weer goed gemaakt willen hebben met Lot,

als ze deze maar niet zoo noodig had gehad.

Maar Lottie wist best, hoe ze altijd van haar hulp had afgehangen,

hoe ze gewoon die vreeselijke sommen niet alleen kon maken en wat

was natuurlijker, dan dat ze denken zou, dat Wies het daarom weer

goed wilde maken, vooral nu ze druk in de repetities zaten en alles

er zoo op aankwam, met het oog op het overgaan.

De groote vacantie naderde en daarmee het tijdstip, waarop ze zouden

hooren, wie overging en wie bleef zitten en Wies was zich maar al

te goed bewust, dat de zaak niet heel gunstig voor haar stond. Het

angstzweet brak haar uit, als ze er aan dacht. Ze had Vader zóó

beloofd, goed op te passen, hij zou het zoo naar vinden, als ze bleef

zitten. Moeder zou heel boos zijn, dat wist ze wel, maar Vader was

zoover weg, ze vond het zoo vreeselijk, hem nu verdriet te doen.

Had ze daar maar wat eerder aan gedacht, ze deed nu haar best,

werkelijk, ze werkte soms tot 's avonds laat, maar ze begreep zooveel

niet, waar ze maar overheen geloopen was, het hielp haar alles niets,

of ze al haar best deed, het was nu te laat.

Wat was ze toch een ongelukskind, nu juist de hulp van Lottie te

moeten missen.

"Wies Ongeluk," dacht ze bitter.

Ze voelde zich zenuwachtig en gedrukt, ze stond op met de gedachte

aan dat blijven zitten en aan haar breuk met Lottie en ze ging er

mee slapen. Ze zag er niet goed uit, haar moeder had haar al eens

gevraagd, of er iets aan scheelde. Bleef ze misschien te laat op

's avonds? Waarom teutte ze ook altijd zoo met haar werk.

Maar Wies beweerde zich best te voelen, ze kon niet eerder naar bed. Ze

had het zoo druk met die repetities en haar moeder liet haar maar haar

gang gaan, blij, dat ze eindelijk tot ernstig werken scheen gekomen. Ze

ergerde zich wel, dat Wies nu letterlijk niets meer in de huishouding

deed en nooit een steek meer uitvoerde, maar ze had haar man beloofd,

het schoolwerk vóór alles te laten gaan en dus schikte ze zich. Als

het maar eenmaal vacantie was, zou alles wel weer terechtkomen en

Wies weer haar gezonde kleur terugkrijgen.

Henk ook, die zag er ook al zoo weinig fleurig uit en was bepaald

gedrukt.

Van hem begreep ze dat heelemaal niet, hij was vlug van leeren en

er was geen twijfel aan, of hij zou overgaan. Hij werkte ook niet

bizonder veel, overspannen deed hij zich zeker niet, wat hem dus zoo

stil en gedrukt maakte, was haar een raadsel.

"Wat scheelt Henk tegenwoordig," dacht ook Louise.

Het antwoord op deze vraag kreeg ze op een avond, toen ze al op haar

kamertje was en nog even een les nakeek voor den volgenden dag.

Terwijl ze al haar best deed, om haar aandacht te bepalen bij de

onregelmatige Duitsche werkwoorden en niet afgeleid te worden door

de plek op den vloer, zoo aardig verlicht door de maan en hare ooren

met hare vingers dichthield om te trachten niet te luisteren naar de

geluiden van den zomernacht, die door het open venster binnendrongen,

werd er op de deur geklopt. Het geluid drong vaag tot haar door en

eerst toen ze Henks stem hoorde vragen, of ze nog op was, begreep ze,

dat ze goed gehoord had en het kloppen op haar deur geweest was.

"Ben jij het Henk? Kom maar binnen."

Open ging de deur en Henk trad over den drempel.

Wat zag de jongen er raar uit.

Bleek en wat verlegen, maar toch druk in zijn bewegen, Wies wist niet,

hoe ze het met hem had.

"Wou je iets?" vroeg ze.

Henk draaide wat in het kamertje rond, nam een lijstje met het portret

van Vader op, keek er verstrooid naar, zette het weer neer en ging

voor het open raam staan, met zijne handen op zijn rug, schijnbaar

verdiept in den aanblik der door de maan verlichte tuintjes.

Wies keek naar hem, en dacht: hij heeft zeker wat op het hart, er is

iets, dat hem hindert en dat hij vertellen wil.

Ze ging naar hem toe en haar hand op zijn schouder leggend, vroeg

ze zacht:

"Wat scheelt er aan, Henk?"

Henk schudde haar hand van zich af en antwoordde niet. Hij had het

uiteinde van het gordijnkoord tusschen zijn tanden gestoken en beet

er zachtjes op.

Wies werd angstig.

Er moest wel iets heel bijzonders gebeurd zijn, om den joligen Henk

zoo te veranderen.

"Toe jongen, zeg nou, wat je mankeert," drong ze aan.

Een oogenblik nog zweeg Henk. Toen barstte hij los:

"Wat me mankeert? Geld!"

Wies keek hem aan, alsof ze hem niet goed begreep.

"Geld?" herhaalde ze.

"Ja, geld, geld, geld, nou weet je 't."

Toen zachter:

"'k Heb schulden."

"Schulden? Jij?"

Wies' oogen werden rond van verbazing.

Henk lachte bitter.

"Kijk nou maar niet, of ik je de grootste onmogelijkheid vertel. Ik

heb je de waarheid gezegd, ik heb schulden."

Wies had zich hersteld.

Die jongen had misschien van een vriend een paar kwartjes geleend en

werd daar nu om gemaand, dat zou het wel zijn.

"Kom," zei ze, "doe zoo gek niet. Als je wat van iemand geleend hebt

en het niet terug kunt geven, kan ik je misschien wel helpen. Hoeveel

is het?"

Henk aarzelde.

"Het is zooveel," mompelde hij.

"Zooveel?" vroeg Wies verschrikt. "Hoeveel dan wel?"

"Je zult het zelf niet hebben."

"Dat denk ik wel, ik kreeg den laatsten tijd nog al eens wat van

Vader. Maar jij toch ook, waar is dat geld dan gebleven? Ik begrijp

er niets van, zeg dan toch wat."

Henk keek somber voor zich uit. Hij stond nu met zijn rug tegen de

vensteromlijsting geleund, met beide handen in zijne broekzakken en

keek naar den grond, alsof hij het niet waagde, zijn zusje aan te zien.

Wies voelde zich bepaald angstig worden, wat kon er toch gebeurd zijn?

"Aan wien heb je dan schulden?" vroeg ze.

"Aan een paar lui van school."

"Van hen geleend?"

Henk schudde van neen.

"Niet? Dat is toch de eenige manier om schulden te maken," beweerde

Wies.

Haar broer lachte weer bitter.

"Zoo, denk je? Jullie meisjes zijn toch onnoozel.--Ik wou, dat je

gelijk hadt," voegde hij er met een zucht bij.

Wies werd hoe langer, hoe zenuwachtiger. Ze greep Henk's arm en

schudde dien heftig.

"Schei uit met je geheimzinnigheden en zeg me, wat er gebeurd is. Je

bent natuurlijk bij me gekomen, om mijn hulp te vragen. Hoe kan ik

je die geven, als ik nergens van af weet."

Henk liet zich schudden, alsof hij een stuk hout was en keek strak voor

zich op den grond. Hij voelde dat het hooge woord er nu uit moest,

Wies had gelijk, hij was gekomen om haar hulp te vragen en dus moest

hij haar zeggen, wat hem tot stikkens toe benauwde.

"Het zijn speelschulden," fluisterde hij, nauw hoorbaar.

Maar Wies had die woorden toch opgevangen en staarde hem aan, verstijfd

van schrik.

"Speelschulden?"

Het scheen alsof met het uitspreken van dat woord het leven in Henk

was teruggekeerd. Hij duwde de hand van zijn zusje, die nog altijd

op zijn arm lag, van zich af en liep van het venster weg naar een

stoel bij de tafel, waarop hij zich liet neervallen, zenuwachtig op

zijn bovenlip bijtend.

Wies volgde hem en zette zich tegenover hem neer.

"Hoeveel?" vroeg ze benauwd.

"Tien pop."

"Tien? Mijn hemel, Henk!"

Henk trommelde met zijne vingers op tafel.

"Kun je ze me geven, of niet?" vroeg hij, wat ruw en toen Wies

aarzelde, het was alles, wat ze op het oogenblik bezat, voegde hij

er bij:

"Je krijgt ze natuurlijk terug, later, als ik ze weer eens bezit. Maar

ik moet ze dadelijk hebben, als ik morgen niet betaald heb, ben ik

voor goed mijn naam kwijt onder de lui, ik heb mijn eerewoord gegeven,

dat ik morgen op zijn laatst betalen zou."

Wies aarzelde nog steeds. Ze vond het eigenlijk niet noodig, dat

hij het geld betaalde, verbeel' je, zoo'n jongen nog, ze moesten dat

alles liever als gekheid beschouwen.

"Ik begrijp niet, dat je zooveel verliezen kondt," zei ze "ik begrijp

eigenlijk heelemaal niet, hoe of jullie er toe gekomen bent, om geld

te spelen."

Henk lachte schamper.

"We hadden zeker om kaakjes moeten spelen, hè?"

Wies keek boos.

"Zeg, je hoeft mij niet voor den gek te houden, dat komt nu heelemaal

niet te pas. Ik vind het schandelijk, dat jullie jongens om geld

spelen. Ik begrijp natuurlijk best, dat jullie niet om wat lekkers

kunnen spelen, maar je hadt het heelemaal moeten laten. Wat hebben

jullie gespeeld?"

Henk haalde zijne schouders op.

"Een hazardspelletje, niets ergs."

"Een hazardspelletje! Dat is het ergste van alles, hoe krijg je het

in je hoofd. Wanneer en bij wien doen jullie dat?"

"Nou, zoo eens een vrijen middag bij... enfin, dat komt er nu niet

op aan, daar begrijpen jullie meisjes toch niets van."

Toen van toon veranderend, bijna smeekend:

"Toe, help me voor dezen keer. Ik moet betalen, waarachtig, het moet,

toen ik gewonnen had, heb ik het ook opgestoken."

Wies zuchtte.

"Doen jullie dat al lang?"

"Een paar maanden. Eerst had ik zelf geld van Vader en won er nog bij

ook, maar ineens is de kans gekeerd en nu verlies ik steeds. Je kunt

je niet voorstellen, wat het is, dat spelen," voegde hij er opgewonden

bij, "de spanning, de verluchting, als je wint, het is iets heerlijks!"

"En de angst, als je verliest," zei Wies.

Henk haalde zijne schouders op.

"Dat's natuurlijk een beroerd gevoel."

"Ik vind het heelemaal een schandelijk iets," zei Wies, nu ook

opgewonden, "ik kan je niet zeggen, hoe vreeselijk ik het vind, dat

jij je hebt laten overhalen tot zoo iets gevaarlijks. Oneerlijk vind

ik het ook van je, want je wist niet, of ik je helpen kon en je zegt

zelf, dat je eerst het gewonnen geld hebt opgestoken."

Toen Henk niets antwoordde, ging ze door:

"Hoor eens, Henk, ik zal je dan mijn geld maar leenen, niet geven,

begrijp dat goed."

Henk keek verlucht op.

"Dat 's kranig van je," zei hij, haar een hand toestekend.

Maar Wies legde de hare daar niet in.

"Ik heb één voorwaarde, je moet me op je woord beloven niet meer

te spelen."

Henk beet op zijne nagels.

"Ja, ik geloof zelf, dat het beter zou zijn, den heelen rommel er

aan te geven, maar hoe kan ik je dan ooit terugbetalen. Het beetje

zakgeld, dat ik krijg, moet ik zelf gebruiken."

Weer aarzelde Wies.

Het beste zou zijn, als ze hem het geld schonk, maar dan had ze

voorloopig zelf niets. Ze had het zoo zuinig opgespaard om er eens

iets moois voor te kunnen koopen. Maar als ze het niet gaf, zou Henk

het spelen niet laten.

"Weet je wat," zei ze eensklaps, "ik zal je het geld cadeau doen,

je hoeft het me niet terug te geven, maar beloof me dan, niet meer

te spelen. Doe je het? Je hand er op?"

Henk greep de hand, die zijn zusje hem toestak en schudde die krachtig.

"Je bent een goeie zus, hoor, een bovenste beste. Kun je me nu het

geld dadelijk geven?"

Wies knikte van ja en ging naar haar kastje, waar ze in een mooi

doosje haar schat bewaarde. Het waren bijna allemaal nieuwe guldens,

die ze nu en dan van Vader gekregen had en ze kon niet helpen, dat ze

niet erg vroolijk keek, toen ze de mooie geldstukken in Henk's hand

legde. Deze liet ze in zijn zak glijden en stond op. Hij zag er nu

heel anders uit dan straks, blijkbaar erg verlucht.

"Dank je nog wel hartelijk, hoor," zei hij, nogmaals haar hand

schuddend. "Als ik je ook eens van dienst kan zijn, graag, onthoud

dat."

"En je hebt me beloofd, niet meer te spelen, vergeet dat niet."

"Wel neen. Het is nu bijna vacantie, dan zie ik de lui vanzelf een

poos niet en daarna qui vivra, verra."

Met deze woorden verliet hij de kamer, vroolijk lachend.

"Maar Henk, het is slecht om op die manier te spelen," riep Wies hem

nog na, maar hij hoorde het blijkbaar niet meer en zijn zusje liet

zich verdrietig op den stoel bij de tafel neerzakken.

Hare ellebogen op tafel en haar gezicht in hare handen dacht ze na.

Had ze goed gedaan?

Mocht ze Henk helpen?

Als hij zijn belofte eens niet hield, hij scheen haar zoo luchtig op

te vatten. Moest ze eigenlijk Moeder niet waarschuwen?

Maar Henk had haar vertrouwd, ze kon hem toch niet verraden.

Wat was dat toch vreeselijk, als je eigenlijk niet wist, of je nu goed

gedaan hadt, of niet en met een bezwaard hart ging ze naar bed en sliep

heel onrustig, droomend van Henk, die alles verspeelde, wat hij bezat,

en van Vader, die haar verweet, dat ze hem niet gewaarschuwd had.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

OVERGAAN OF BLIJVEN ZITTEN?

De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden

hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten

had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen

volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten

wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar

enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig

rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.

Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat

er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed

naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar

toch.... zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze

zich vast.

Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.

Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger

waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boeken te moeten

doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt

uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.

O! 't zou afschuwelijk zijn.

En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn

en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend

kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi

rapport en ging schitterend over.

En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten,

wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de

feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer,

o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.

En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en

iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze

er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooit expres niet opgelet, of

hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep

nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn,

als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om

en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest

ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.

Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.

Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan

logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader,

met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders,

van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze

nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze

zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader's ouders

geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen

geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.

En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was

niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele

leven lang hard gewerkt als notaris in die streek en tante Marie was

net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante

en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als

haar tante.

Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis

en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal

te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief,

te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.

Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel

heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel

te zijn, beweerde ze lachend.

Ze leefde, als 't ware, op het land, ze had gelegenheid planten en

bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde

haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed

zou zijn.

Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en

toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te

vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel

kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich

goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol

appelen, als het weer tegenwerkte.

Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op

het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn,

om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer

zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.

Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was

een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen,

als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te

begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch

had, "naar mijn moeder." Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, "als

ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden."

Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet

overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite

hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.

Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.

Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam

alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet

opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.

Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de

andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.

Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.

"De stumpers," dacht Wies, "dat zijn de gezakten."

Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs

bitter schreiend.

Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse

binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer

naar buiten.

Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt

aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.

Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij

noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.

Het was de hare niet.

Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze...

"Louise Schotter."

Een schok ging haar door 't hoofd, toch... toch...

"Ja," antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes

naar binnen.

Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes

niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar

half de woorden, die de juffrouw daarna tot haar beide lotgenooten

richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze

voor een feit stond, dat ze gezakt was.

Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed

te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar

bestemd waren.

"Van jou, Louise, spijt 't me bizonder, dat we je moeten laten zitten,

want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt

heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je

zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er

behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het

wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats

van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene

repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je

kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens

een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er

niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken,

niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen

te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan

gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel

de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn."

Wies hoorde dit alles aan als in een droom.

Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best

mee had gekund.

Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig,

de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar,

al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste

van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best

gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.

Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen

te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts,

ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.

Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou

brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen

waren zoo zwaar en haar hart niet minder.

Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch

doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.

Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en

staarde voor zich uit.

Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam,

beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de

poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar

uitkeek. Hé, wat was dat?

Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie's stem zei vlak bij haar:

"Och Wies, wees maar niet meer boos."

Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar

zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.

"Ik ben niet meer boos," mompelde ze.

"Niet? O, gelukkig," en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat

een zoen te geven, die klapte.

Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden

liepen zwijgend eenige passen voort.

Toen begon Lottie:

"O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen,

als je hulp noodig hadt."

"Dat kon ik immers niet."

"Waarom niet, had het toch maar gedaan."

Toen Wies' arm tegen zich aandrukkend:

"Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn

hulp aan te bieden."

"Had je het maar gedaan," zuchtte Wies.

"Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?" klonk het benauwd.

"Misschien wel."

Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.

"Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is,"

zei ze.

"Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je."

Wies Ongeluk · 第 5 / 13 段