"Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag

heeft," zei ze nog.

"Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?" vroeg de

directrice. "Dat zou, dunkt me, het beste zijn."

Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en

schudde van neen.

Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.

De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten

aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.

"Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij,

dat je geen schuld hebt?"

"Ja, juffrouw."

"Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik

heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu

juist niet zulke groote vriendinnen zijn."

Wies kleurde.

Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak

bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij

gelooven.

Ze zweeg dus.

De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.

"Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld

nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo

duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me

niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen

gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben,

na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart,

als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan

dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder,

dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb."

Wies schrok.

"Stuurt u me voor den heelen dag weg?"

"Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber."

"Daar hebben we morgen geen les van."

"Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen."

Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.

De directrice vatte haar neerhangende hand.

"Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo'n

pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt."

Weer aarzelde Wies.

Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?

Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor

te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van

blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.

Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar

goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar

huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.

In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de

tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en

vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.

ZESDE HOOFDSTUK.

VALSCHE SCHAAMTE.

Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze

eenigen tijd als versuft door.

Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.

Waar nu heen?

Naar huis en Moeder alles vertellen?

Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld

gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden

en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.

Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen

gegeven had?

Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet

te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde

doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen

vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze

zich daarover niet te schamen, integendeel, maar om dat nu zelf te

vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.

Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan

naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd

was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden

ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.

Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort,

tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich

heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.

Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet,

hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag

ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.

Ze stond een oogenblik stil en keek rond.

Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door

de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer,

om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben,

als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen,

zonder gekweld te worden door akelige gedachten.

Ze was toch een recht ongelukskind.

Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.

Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze

meer verdriet dan ooit.

Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze

moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.

Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat

thuiskomen?

Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.

Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.

Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk

om daar naar te luisteren.

Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze

thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was,

maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren

en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.

Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan,

haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil,

durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog

wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het

zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar

komen moest.

Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog

een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar

pasjes.... daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich

zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog

verschrikt weg.

Met een bitter lachje keek Wies het na.

"Hier ook al het recht van den sterkste," dacht ze, "zoo is het

overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt

geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste."

Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie

weet hoe laat het al was.

Wat zou ze nu thuis zeggen?

Ze kon maar geen besluit nemen.

Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.

Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een

verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd

niet, wat ze doen zou.

"De waarheid zeggen," drong haar geweten aan.

"Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst," ried

haar verstand.

Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopen en zag

dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.

"Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem," zei

haar moeder, "waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten

schoolblijven?"

Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.

"Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben,

dat je op tijd thuis bent voor de koffie."

Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.

"Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel

me dan, waar je vandaan komt."

Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.

"Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?"

"Van school," mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.

"Regelrecht van school?"

Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.

"Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt

toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben

je geweest, dat wil ik weten."

Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.

"Kom, antwoord me en de waarheid, als 't je blieft."

"Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd," verklaarde Jantje

plechtig.

"Op je voorhoofd," herhaalde Stan.

Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.

"Ik weet het niet," fluisterde ze.

Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee,

hoewel ze niet goed begrepen, waarom.

Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.

"Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is,"

beaamde haar moeder. "Nu als 't je blieft, verder geen gekheid,

nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?"

"In 't bosch."

Allen keken even verwonderd.

"In 't bosch," herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:

"Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier

van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer

naar het bosch geweest zijn."

"Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen," opperde Henk, maar

zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo

vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.

"Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest

bent," drong ze aan.

"Werkelijk in het bosch."

Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:

"Ik was weggestuurd van school."

Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.

"Wat zeg je. Spreek duidelijker."

"Ik was weggestuurd," herhaalde Wies iets harder.

Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.

Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en

Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.

Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet

meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.

"Weggestuurd," herhaalde haar moeder, "weggestuurd van school, het

is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?"

Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en van een spin en

van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.

Haar moeder begreep er niets van.

"Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?"

Wies' eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat

overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.

Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.

Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek

verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets

van begrepen.

"Waarom is Wies zoo verdrietig?" vroeg Stan.

"Wies is niet verdrietig, Wies is stout," meende Jan.

"Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt

zijn op school te informeeren," zei nu mevrouw Schotter. "Mag je

vanmiddag weer op school komen?"

Wies schudde van neen.

"Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?" vroeg haar moeder

verschrikt.

"Voor vandaag."

"Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je

begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil

hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven,

zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk

gebeurd is."

Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.

"Je boterhammen."

"Ik heb geen honger," en ze haastte zich weg naar boven, naar haar

eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.

Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.

Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder,

die Faber zou haar hart ophalen.

De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.

Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken,

wat ze wilde.

Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar

ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen

in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou

ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te

hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde

haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte,

een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden,

waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig,

dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.

Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo'n eind geloopen

en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze

hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er

om vragen, dat deed ze niet.

Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.

Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder

had haar zooveel opgegeven.

Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust,

doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de

lange wandeling, die ze gedaan had.

Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die

haar zacht heen en weer schudde.

Ze opende haar oogen en zag vaag Henk's gezicht over zich heen gebogen.

"Zeg, wor' eens wakker."

"Ja," en met een zucht richtte Wies zich op.

"Wat is er?"

Henk lachte even.

"Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er

zoo suf uit."

"Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?"

"Natuurlijk, 't is half vijf. Je hebt uren geslapen."

"Hoe is het mogelijk. En?"

"Ja, Moeder weet nu alles."

"Alles, Moeder weet niets."

Henk trok zijne schouders op.

Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn

zusje wat spottend aan.

"Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd,

vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?"

Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.

"En wat zegt Moeder?" vroeg ze aarzelend.

"Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld

hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens

meer een grapje mocht uithalen."

Wies keek naar haar broer.

Gek, dat zoo'n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan

was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden

hebben.

"Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet."

"Och kom!"

"Heusch niet."

"Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet

beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen."

Wies kleurde.

"Dat is het juist," mompelde ze.

Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.

"Och kom," zei hij nog eens.

Wies staarde voor zich uit.

"Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het

een edele manier was, om me te wreken."

Henk schaterde het uit.

"Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je

het meent."

Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het was niet voor

niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen,

Henk spotte er blijkbaar al mee.

"Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt,"

beweerde Henk.

"Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen."

Toen wat aarzelend: "Zeg Henk, geloof jij me ook niet?"

Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem

zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.

"Ja, zie je," zei hij langzaam, "eerst dacht ik, dat je maar wat

praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven,

dat je het meent."

"Natuurlijk meen ik het," zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog

niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:

"Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft."

Henk was wat verlegen met zijn figuur.

Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch....

"Geef je me je eerewoord er op?" vroeg hij.

"Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd."

"Goed, ik geloof je."

Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.

"Dank je," zei ze.

"Maar begrijpen doe ik je niet," vervolgde Henk.

"Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand,

zeker Moeder."

"Dan ga ik maar," en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn

moeder aanliep, die juist binnenkwam.

"Wat doe jij hier?" vroeg deze verwonderd.

"Even met Wies praten," en weg was hij.

Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het

gebeurde en viel dadelijk uit:

"U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!"

Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.

"Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest

en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.

Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond

nu voor haar moeder.

"Dat denkt u," zei ze, "maar u weet niets."

"Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?"

"Ik heb het niet expres gedaan."

"Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?"

"Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht."

Haar moeder keek haar verwonderd aan.

"Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die

spin, maar een toeval?"

"Ja juist."

"Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw

Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar

gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt."

Wies bloosde en zweeg.

Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.

Toen greep ze haar hand.

"Kind," zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, "zeg me de

waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw

gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt."

Wies lachte zenuwachtig.

"Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar

te plagen."

"Win' je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen

iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder

geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?"

Wies schudde van neen.

"Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je

niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste

niet toe in staat."

Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.

"Neen, natuurlijk niet," zei ze bitter, "dat spreekt van zelf, tot

iets edelmoedigs ben ik niet in staat."

Haar moeder ging eensklaps een licht op.

Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich

toetrekkend, zei ze:

"Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw

Faber?"

Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste

misdaad opbiechtte.

Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.

"Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval,

dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de

schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind."

Wies keek haar wat verbijsterd aan.

"Dus u gelooft me?"

"Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met je mee

naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist

hebben."

Wies maakte een gebaar van schrik.

"Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het

vertellen wilt, doe het dan, als 't u blieft, waar ik niet bij ben."

Haar moeder moest lachen.

"Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb

je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze

zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering

geven kon."

Wies loosde een diepen zucht.

"Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad

hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik

vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die

Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel

gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb."

"Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest."

"Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn

hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als 't u blieft vragen, of ze

geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch

doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet,

waar ik blijven moet."

Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.

"Maar de meisjes," vroeg ze nog aarzelend, "hoe kunnen die dan te

weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt."

Wies maakte een gebaar van schrik.

"De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg

niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat

wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had."

Haar moeder schudde het hoofd.

"Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrent recht en

onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag

van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet

hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever,

dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede

daad hebt willen doen."

Wies keek nadenkend voor zich.

"Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo

niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig

houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt,

Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd."

"Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden,

het is bijna etenstijd."

"Zeg u beneden ook niets?" vroeg Wies.

"Neen, dat kan ik niet beloven."

"Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld

heb. Doet u het?"

Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering

van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en

dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was

en het geval op een misverstand berust had.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HENKS GEHEIM.

Wies kreeg haar zin, op school werd verder over de zaak gezwegen.

Wel moest ze den eersten ochtend de vragen der meisjes beantwoorden,

omtrent het wegzenden door de directrice en wat of ze er thuis van

hadden gezegd, maar daar ze er weinig antwoord op gaf, zwegen ze er

al spoedig over.

In de eerste les van juffrouw Faber, na het gebeurde, was iets

pijnlijks. Noch de onderwijzeres, noch de leerling voelde zich op

haar gemak, maar ook dat sleet met den tijd.

Toch had de zaak één zeer onaangenaam gevolg gehad: er was een

verkoeling ontstaan in de vriendschap tusschen Wies en Lottie. Toen

ze dien eersten morgen weer samen naar school gingen, had Wies aan

haar vriendinnetje gevraagd of ze haar verdacht, van die spin expres

in de rozen gezet te hebben.

Lottie had een kleur gekregen, eerst iets onverstaanbaars gemompeld

en toen gevraagd, daar nu maar niet verder over te praten.

Maar Wies had aangedrongen, ze moest weten, wat ze aan Lottie had,

zei ze.

Nu moest het hooge woord er uit, ja, Lottie dacht, dat ze zich op

die manier op juffrouw Faber had willen wreken. Ze had immers zelf

tegen haar gezegd, dat ze dat doen wilde.

"Je zei het op een manier, dat ik er eng van werd," voegde Lottie

er bij.

"Je gelooft dat dus nog?" vroeg Wies.

"Ja, hoe kan ik anders, is het dan niet waar?"

Wies aarzelde.

"Neen," zei ze toen, kortaf.

Lottie keek haar aan, een en al verbazing.

"Niet? Waarom heb je dan die bloemen aan juffrouw Faber gegeven?"

Wies antwoordde niet.

Het was weer de oude geschiedenis, ze wilde haar weer dwingen, alles

te vertellen en zich zelve in de hoogte te steken, maar ze kreeg

het niet meer uit haar, het was nu mooi geweest. Als Lottie haar

zoo weinig kende, dat ze van haar dacht, dat ze iemand wilde plagen,

onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, dan moest het

maar uit zijn tusschen hen, dan was er geen vriendschap mogelijk,

tenminste niet, wat zij onder dat woord verstond.

Ze waren, beiden zwijgend, verder naar school gegaan en om twaalf

uur was Wies haastig naar huis geloopen en had de verbaasde Lottie

met een genadig knikje laten staan.

Dat was in geen jaren gebeurd, altijd hadden ze op elkaar gewacht na

schooltijd en waren ze samen naar en van school gegaan.

Lottie kreeg tranen in hare oogen, toen ze Wies nakeek, maar ze

knipte ze haastig weg en ging ook naar huis, zorgend eenigen afstand

te bewaren tusschen Wies en haarzelve.

Als Wies zoo akelig wilde doen, best, ze had ook haar trots.

Dien middag kwam Wies haar niet afhalen, ze had dat wel verwacht,

maar toch had ze lang getreuzeld, voor ze wegging, je kondt toch niet

weten, en warm van het harde loopen, bang te laat te zuilen komen,

was ze op haar plaats gaan zitten. Ze keek heel even naar Louise's

bank om te zien, of ze er was.

Ja hoor, ze zat er, druk met Rie pratend en zelfs niet even in de

richting van haar plaats kijkend. Om vier uur gingen ze ieder haars

weegs, zonder elkander zelfs goedendag te zeggen.. en daarna bestonden

ze niet meer voor elkaar.

Wies Ongeluk · 第 4 / 13 段