WAARIN TIJDIG RAAD GESCHAFT WORDT IN EENE VERLEGENHEID, DIE SOMTIJDS IN
DE GEREGELDSTE HUISHOUDENS KAN PLAATS HEBBEN.
“Ik zal er altijd blij om wezen,” zeide mevrouw Chick, “dat ik gezegd
heb, toen ik nog weinig dacht, wat er voor ons aanstaande was—waarlijk
alsof het mij zoo werd ingegeven—dat ik de arme lieve Fanny alles
vergaf. Wat er ook gebeuren mag, dat zal mij altijd een troost zijn.”
Mevrouw Chick maakte deze treffende aanmerking in de voorkamer, nadat
zij weder boven was geweest, om naar de naaisters te zien, die aan den
rouw bezig waren. Zij moest dienen tot stichting van mijnheer Chick,
een dik heer, met een kaal hoofd en een groot gezicht, gewoon om zijne
handen in zijne zakken te houden en genegen om gedurig wijsjes te
neuriën en te fluiten, waarin hij zich zelven nu met moeite bedwong,
daar hij inzag, hoe onwelvoeglijk zulke geluiden in een huis waren, dat
in rouw gedompeld was.
“Maak het u zelve niet al te druk, Louise,” zeide Chick, “of gij zult
een zenuwtoeval krijgen, dat zie ik.—Ti-re-li, ti-re-lo! Hemel, ik
vergat daar! Den eenen dag zijn wij nog hier, en den anderen al weg.”
Mevrouw Chick stelde zich tevreden met een bestraffenden blik, en
vervolgde toen hare rede.
“Ik hoop,” zeide zij, “dat deze hartverscheurende gebeurtenis eene
waarschuwing voor ons wezen zal, om ons er aan te gewennen onze
krachten in te spannen en ons bijtijds op te beuren, als dat van ons
geëischt wordt. Alles heeft eene les, als wij ze ons maar ten nutte
willen maken. Het zal onze eigene schuld zijn, als wij deze niet in
acht nemen.”
Mijnheer Chick stoorde de ernstige stilte, welke op deze aanmerking
volgde, met het hoogst ongepaste wijsje van: “Daar was ereis een
lappertje.” Maar hij bedwong zich terstond, niet zonder verlegenheid,
en zeide, dat het zeker onze eigene schuld was, als wij van zulke
treurige voorvallen geen nut trokken.
“Men zou er evenwel beter nut van kunnen trekken,” antwoordde zijne
echtgenoot, na eene korte poos van stilte, “dan door er de horlepijp of
het even zinlooze als ongevoelige rumpti-diditi mede te verbinden.” En
inderdaad had Chick dit refrein, hetwelk zijne vrouw met gloeiende
verachting uitsprak, binnensmonds geneuried.—“Het is maar uit gewoonte,
lieve,” pleitte Chick.—“Gewoonte?” antwoordde zijne vrouw. “Zotheid!
Als gij een redelijk wezen zijt, maak dan zulke belachelijke
verontschuldigingen niet. Gewoonte! Als ik eens de gewoonte aannam
(zooals gij het noemt) om tegen den zolder te loopen, gelijk de
vliegen, zou ik er genoeg van hooren, dat durf ik zeggen.”
Het scheen zoo waarschijnlijk, dat zulk eene gewoonte eenig gerucht zou
maken, dat Chick het niet waagde dit gezegde tegen te spreken.
“Hoe gaat het met het kindje, Louise?” vroeg mijnheer Chick, om op een
ander onderwerp te komen.—“Wat voor een kindje meent ge?” vroeg
mevrouw. “Zulk een troep kinderen als ik van morgen in de achterkamer
heb gehad, zou niemand gelooven.”—“Een troep kinderen?” herhaalde Chick
met eenigszins ongeruste verwondering.—“Bijna alle menschen zouden
begrepen hebben,” zeide zijne vrouw, “dat nu de arme Fanny er niet meer
is, het noodig wordt voor eene min te zorgen.”—“O, ja!” zeide Chick.
“Toereloe—ik wil zeggen, zoo gaat het in de wereld. Ik hoop dat gij
naar uw zin te recht gekomen zijt, lieve!”—“Zeker niet,” antwoordde
mevrouw, “er is weinig kans op, zoover ik zien kan. Ondertusschen gaat
het kind....”—“Naar den drommel,” zeide Chick treurig. “Ja dat moet wel
zoo.”
Daar echter de verontwaardiging op het gezicht van zijne vrouw bij de
gedachte, dat een Dombey daarheen zou kunnen gaan, hem onder het oog
bracht, hoezeer hij zich vergrepen had, en hij zijn misslag door een
goeden raad wilde herstellen, vervolgde hij:
“Zou men voorloopig niet iets met een trekpot kunnen uitrichten?”
Indien het zijne bedoeling was geweest spoedig een eind aan het gesprek
te maken, had hij het niet beter kunnen overleggen. Na hem eenige
oogenblikken met stilzwijgende berusting te hebben aangezien, ging
mevrouw Chick plechtstatig naar het venster, en keek door eene reet van
het gordijn, daar het geratel van wielen hare aandacht trok. Mijnheer
Chick, die begreep dat hij voor het oogenblik het noodlot tegen zich
had, zeide niets meer en blies den aftocht. Het ging echter niet altijd
zoo met hem. Dikwijls had hij zelf de overhand, en dan strafte hij
Louise duchtig af. In hun echtelijk gekibbel waren zij over het geheel
een wel tegen elkander opgewassen paar. Het zou doorgaans zeer
moeielijk zijn geweest om te wedden wie het winnen zou. Dikwijls, als
mijnheer Chick geslagen scheen, keerde hij zich eensklaps om, verhing
de bordjes, liet ze Louise om de ooren klateren, en joeg haar uit het
veld. Daar hij er evenwel insgelijks aan bloot stond om op dezelfde
wijs door zijne vrouw overrompeld te worden, gaf dit aan hunne
schermutselingen eene onzekerheid, waardoor zij iets bijzonder
levendigs kregen.
Tusschen de wielen, waarvan zoo even gesproken is, was jufvrouw Tox
aangekomen, en nu kwam zij buiten adem de kamer binnenloopen.
“Lieve Louise,” zeide zij, “is de plaats nog open?”—“Och ja, goede
ziel,” was het antwoord.—“Dan hoop en geloof ik,” hervatte jufvrouw
Tox—“maar wacht een oogenblik, lieve! ik zal mijn gezelschap hier
halen.”
Zij liep even haastig heen als zij gekomen was, haalde haar gezelschap
uit de huurkoets, en kwam er weldra mede aan. Het bleek toen, dat zij
inderdaad een geheel gezelschap had medegebracht. De eerste daarvan was
eene jonge vrouw, met een rond, gezond, blozend gezicht, en een kind in
hare armen; de tweede nog eene jonge vrouw, minder gezet, maar ook met
een rond gezicht, die aan elke hand een kind had, beide met even ronde
gezichten; daarop volgde een kleine jongen met een rond gezicht, die
alleen binnenkwam; en eindelijk een man met een rond gezicht, die op
zijn arm nog een kleinen jongen had, met een even rond gezicht, dien
hij op den vloer zette, en met eene schorre stem toefluisterde, om zich
aan broertje John vast te houden.
“Zie Louise,” zeide jufvrouw Tox, “daar ik wist hoe groot uwe
verlegenheid was, en ik u gaarne wilde helpen, ben ik zelf naar
koningin Charlotte’s Koninklijke Getrouwde Vrouwen gereden, die gij
vergeten hadt, en heb daar gevraagd of er iemand was, die zij dachten
dat geschikt zou zijn. Neen, zeiden ze, er was niemand. Toen zij mij
dat antwoord gaven, verzeker ik u, werd ik om uwentwil bijna wanhopig.
Maar toevallig hoorde eene van de Koninklijke Getrouwde Vrouwen mijne
vraag, en herinnerde de Moeder aan eene andere, die naar huis was
gegaan, en, naar zij zeide, waarschijnlijk juist geschikt zou wezen.
Zoodra ik dit hoorde en het door de Moeder werd bevestigd—de getuigen
waren uitmuntend—vroeg ik het adres, lieve, en reed weder
voort.”—“Daarin herken ik mijne beste vriendin,” zeide Louise.—“Och
neen, dat moet ge niet zeggen,” hervatte jufvrouw Tox. “Toen ik in het
huis kwam—zoo zindelijk, lieve, ge zoudt van den vloer kunnen eten—vond
ik de geheele familie aan tafel zitten; en daar ik begreep, dat het
beste bericht van hen u en mijnheer Dombey nooit half zooveel genoegen
kon doen, als hen allen eens bijeen te zien, heb ik hen allen
medegebracht. Deze heer,” zij wees hierbij naar den man met het ronde
gezicht, “is de vader. Wilt ge zoo goed wezen om een beetje vooruit te
komen, mijnheer?”
Nadat de man bedremmeld aan dit verzoek had voldaan, bleef hij in het
eerste gelid staan grinniken en giggelen.
“Dit is zijne vrouw, gelijk van zelf spreekt,” zeide jufvrouw Tox, naar
de jonge vrouw met het kindje wijzende. “Hoe vaart ge,
Polly?”—“Tamelijk wel, mevrouw! dankje,” was het antwoord. Met oogmerk
om de vrouw gunstig te doen uitkomen, had jufvrouw Tox hare vraag
gedaan alsof zij inderdaad eene oude kennis, die zij in een poosje niet
gezien had, naar haar welstand vroeg.—“Dat verheugt mij inderdaad,”
zeide jufvrouw Tox. “Dat meisje is hare zuster, ongetrouwd, die bij
haar woont, en op hare kinderen zou passen. Zij heet Jemima. Hoe vaart
ge, Jemima?”—“Dankje, mevrouw! heel wel.”—“Dat verheugt me. Ik hoop dat
het zoo met u blijven zal.—Vijf kinderen. Het jongste is zes weken. Die
aardige kleine jongen, met een blaar op zijn neus, is de oudste. Die
blaar, geloof ik,” vervolgde jufvrouw Tox, de familie rondom aanziende,
“is zeker niet erfelijk, maar iets toevalligs.”—“Strijkijzer,” hoorde
men den man brommen.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer!” zeide jufvrouw
Tox; “ge zegt?”—“Strijkijzer,” herhaalde hij.—“O ja,” zeide jufvrouw
Tox. “Dat is waar. Ik had het vergeten. De kleine jongen heeft, terwijl
zijne moeder er niet bij was, aan een heet strijkijzer willen ruiken.
Gij hebt gelijk, mijnheer! Toen wij bij de deur kwamen, waart gij juist
zoo goed om uw beroep te willen zeggen, namelijk....?”—“Stoker,”
antwoordde de man.—“Wat?” vroeg Tox, verwonderd.—“Stoker.
Stoommachine.”—“O ja!” zeide jufvrouw Tox, hem peinzend aanziende,
zonder, naar het scheen, nog recht te begrijpen, wat hij bedoelde. “En
hoe bevalt het u, mijnheer?”—“Wat, mevrouw?”—“Dat; uw beroep?”—“O,
tamelijk wel, mevrouw! De asch vliegt hier wel eens wat in,” zeide de
man, naar zijne borst wijzende, “en dan spreekt iemand schor, zooals ik
doe. Maar het is maar asch, mevrouw! geen grommigheid.”
Mejuffer Tox scheen door dit antwoord zoo weinig licht te hebben
gekregen, dat het haar moeielijk viel verder over het onderwerp te
spreken. Maar mevrouw Chick loste haar af, door een streng examen te
beginnen van Polly, hare kinderen, haar trouwbrief, hare
getuigschriften, enz. Daar Polly deze vuurproef ongezengd doorstond,
ging mevrouw Chick met het verslag naar haar broeders kamer, en als
eene nadrukkelijke bevestiging daarvan, nam zij de twee blozendste
kleine Toodle’s mede. Toodle was de naam van de familie met de ronde
gezichten.
Dombey was sedert den dood zijner vrouw in zijne kamer gebleven,
verzonken in gepeinzen over de jeugd, de opvoeding en de bestemming van
zijn pasgeboren zoon. Er lag hem iets op het koele hart, kouder en
zwaarder dan de last, dien het gewoonlijk droeg; maar het was meer een
gevoel van het verlies, dat het kind had getroffen, dan zijn eigen,
hetwelk eene bijna toornige smart in hem opwekte. Dat het leven en de
ontwikkeling, waarop hij zooveel hoop had gebouwd, in het eerste begin
door zulk eene geringe behoefte in gevaar gebracht werden,—dat het huis
van Dombey en Zoon waggelde bij gebrek aan eene min, dit was eene zware
vernedering. En echter, in zijne trotschheid en ijverzucht, was de
gedachte hem zoo bitter, om bij den eersten stap ter vervulling van het
verlangen zijner ziel, afhankelijk te wezen van eene huurlinge, welke
gedurende dien tijd alles voor het kind moest wezen, wat zelfs de
verbintenis met hem zijne eigene vrouw kon gemaakt hebben, dat hij bij
elke nieuwe verwerping eener zich aanbiedende min eene geheime
blijdschap gevoelde. De tijd was echter nu gekomen, dat hij zich niet
langer tusschen deze twee richtingen van zijn gevoel kon verdeelen, des
te minder daar er niets tegen de aanspraken van Polly Toodle scheen te
zijn in te brengen, nadat zijne zuster die, met vele lofspraken op de
onvermoeibare vriendschap van jufvrouw Tox, had uiteengezet.
“Die kinderen zien er gezond uit,” zeide Dombey. “Maar te denken dat
zij eens aanspraak zullen maken op een soort van betrekking op Paul!
Breng hen weg, Louise! Laat mij die vrouw en haar man zien.”
Mevrouw Chick bracht het teedere paar Toodle’s weder weg, en kwam
terstond terug met het steviger paar, dat haar broeder had bevolen hem
te laten bezichtigen.
“Goede vrouw!” zeide Dombey, zich in zijn leuningstoel omkeerende,
alsof hij uit een stuk bestond, en niet een mensch met geledingen was,
“ik verneem, dat gij arm zijt, en geld wilt verdienen met het kleine
kind, mijn zoon, te minnen, die zoo vroeg beroofd is van iets, dat
nooit vervangen kan worden. Ik heb er niet tegen, dat gij op die wijze
uw huishouden ondersteunt. Zoover ik zeggen kan, schijnt gij eene
verdienstelijke persoon te zijn. Maar ik moet u een of twee voorwaarden
opleggen, eer gij in die betrekking in mijn huis komt. Terwijl gij hier
zijt, moet ik vorderen, dat gij u—.... bij voorbeeld Richards laat
noemen—een gewone en gemakkelijke naam. Hebt gij er iets tegen om u
Richards te laten noemen? Het zou best wezen dat ge er u met uw man
over onderhieldt.”
Daar de man niets deed dan grinniken en giggelen en met zijne
rechterhand over zijn mond strijken, nam zijne vrouw het woord, nadat
zij hem een paar malen vruchteloos had aangestooten, en zeide nijgende,
dat, als zij zich met een anderen naam moest laten noemen, men dit
misschien bij de huur in aanmerking zou nemen.
“O, natuurlijk!” zeide Dombey. “Ik verlang de zaak tot niets anders dan
een huurcontract te maken. Nu, Richards! als gij mijn verlaten kind
mint, verlang ik, dat gij dit altijd zult onthouden. Gij zult eene
ruime belooning ontvangen voor het bewijzen van zekere diensten, onder
het bewijzen van welke ik verlang, dat gij uwe familie zoo weinig zien
zult als mogelijk is. Als die diensten niet meer noodig zijn, en het
loon niet meer betaald wordt, is er een eind aan alle betrekking
tusschen ons. Begrijpt ge mij?”
Vrouw Toodle scheen er aan te twijfelen, en wat Toodle zelf aangaat,
deze twijfelde volstrekt niet, dat hij er niets van vatte.
“Gij hebt kinderen van u zelve,” hervatte Dombey. “Het is volstrekt
niet in het accoord begrepen, dat gij u aan mijn kind behoeft te
hechten, of dat mijn kind zich aan u behoeft te hechten. Ik verlang of
verwacht niets van dien aard; juist het tegendeel. Als gij hier vandaan
gaat, zult gij iets afgedaan hebben, dat niets anders is dan eene zaak
van koop of verkoop, of van huur en verhuur, en derhalve kunt gij dan
wegblijven. Het kind zal ophouden zich u te herinneren, en gij kunt,
als het u belieft, ook ophouden u het kind te herinneren.”
Vrouw Toodle antwoordde met een weinigje meer kleur op de wangen dan
zij te voren had, dat zij hoopte, dat zij zich zelve en hare plaats wel
kende.
“Dat hoop ik, Richards!” hervatte Dombey. “Ik twijfel niet, of gij kent
die wel. De zaak is ook zoo duidelijk, dat het bijna niet anders kan.
Louise, schik het nu met Richards over het geld, en betaal haar wanneer
en op welken voet zij wil. Goede vriend, nog een woordje met u!”
Aldus op den drempel gestuit, terwijl hij achter zijne vrouw de kamer
wilde uitgaan, keerde Toodle zich om en bleef voor Dombey staan. Hij
was een forsch, onbehouwen man, met ronde schouders en een ongepolijst
voorkomen, wien de kleederen als aan het lijf waren gesmeten, ruim van
haren en baard voorzien, welker kleur misschien door rook en kolenstof
wat donkerder was geworden, met harde knokkige handen, en een voorhoofd
zoo ruw als de schors van een eik. In alle opzichten vormde hij een
volmaakt contrast met Dombey, een van die glad geschoren en kort
geknipte rijke heeren, die zoo glad en krakig zijn als de nieuwe
banknoten, en wier zenuwen kunstmatig opgespannen schijnen te zijn door
de prikkelende werking van gouden stortbaden.
“Gij hebt een zoon, geloof ik?” zeide Dombey.—“Vier, mijnheer! Vier
hijen en één zij. Allemaal gezond en frisch.”—“Wel, dat is haast
zooveel als gij onderhouden kunt?”—“Ik zou er toch niet graag een van
verliezen, mijnheer!”—“Kunt gij lezen?”—“Niet te best,
mijnheer!”—“Schrijven?”—“Met krijt, mijnheer?”—“Dat is hetzelfde.”—“Met
krijt zou het mij wel een beetje lukken, geloof ik, als ik het doen
moest,” zeide Toodle, na zich een poosje bedacht te hebben.—“En toch
zijt ge twee en dertig jaren oud, denk, ik?” zeide Dombey.—“Daaromtrent
geloof ik dat het wezen zal, mijnheer!” antwoordde Toodle, na zich nog
eens bedacht te hebben.—“Waarom leert ge dan niet?” vroeg Dombey.—“Dat
zal ik doen, mijnheer! Een van mijne kleine jongens zal mij leeren, als
hij oud genoeg is en zelf op school is geweest.”—“Welnu!” zeide Dombey,
nadat hij den man opmerkzaam en niet zeer gunstig had aangezien,
terwijl deze in de kamer rondstaarde, voornamelijk naar den zolder, en
nog gedurig zijn mond afveegde. “Gij hebt gehoord, wat ik zoo even
tegen uwe vrouw gezegd heb?”—“Polly heeft het gehoord,” antwoordde
Toodle, met zijn hoed over zijn schouder heen naar de deur wijzende,
als verliet hij zich in alles geheel op zijne wederhelft.—“Daar gij
alles aan haar schijnt over te laten,” zeide Dombey, te leur gesteld in
zijn voornemen om zijne inzichten nog meer bepaald aan den man te doen
begrijpen, “geloof ik, dat het mij niet baten zal iets tegen u te
zeggen.”—“Volstrekt niet,” antwoordde Toodle. “Polly heeft het wel
gehoord. Zij is bij de hand, mijnheer!”—“Ik zal u dan niet langer
ophouden,” zeide Dombey verdrietig. “Waar hebt gij al uw leven
gewerkt?”—“Meest onder den grond, mijnheer, tot ik getrouwd ben. Toen
ben ik boven gekomen. Ik zal naar een van die spoorwegen hier gaan, als
ze in vollen gang komen.”
Gelijk het laatste strootje den overladen kameel de ruggegraat breekt,
zoo verpletterde dit ondergrondsche bericht de bezwijkende geestkracht
van Dombey. Hij wees den pleegvader van zijn kind naar de deur, waarop
deze zich niet ongaarne wegmaakte, draaide toen den sleutel om, en
stapte in diepe neerslachtigheid het vertrek op en neder. Ondanks zijne
stijve, onbuigzame deftigheid en bedaardheid, moest hij de tranen die
hem verblindden, uit zijne oogen vegen; en dikwijls zeide hij met eene
ontroering, waarbij hij voor de geheele wereld geen getuige had willen
hebben: “Arme kleine!”
Het was misschien een bijzondere trek van Dombey’s trotschheid, dat hij
in het kind zich zelven beklaagde. Hij zeide niet: “ik arme weduwnaar,
die gedwongen ben mijn vertrouwen te stellen op de vrouw van een lompen
kerel, die al zijn leven “meest onder den grond” heeft gewerkt, en aan
wiens deur de Dood toch nog nooit heeft aangeklopt, en aan wiens
armoedige tafel dagelijks vier zonen zitten!”—maar: “Arme kleine!”
Met deze woorden op de lippen, viel het hem in—en het is een blijk hoe
sterk al zijne hoop en vrees, al zijne gedachten op één punt gevestigd
waren—dat de vrouw in eene zware verzoeking werd gebracht. Haar kind
was ook een jongen. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat zij de kinderen
verruilde?
Hoewel hij zich spoedig verzekerd hield, dat hij deze gedachte als te
romanesk en te onwaarschijnlijk van zich had verwijderd,—schoon de zaak
toch mogelijk bleef, dit was niet te ontkennen,—kon hij niet nalaten er
in zooverre aan te blijven hechten, dat zijne verbeelding hem een
tafereel ophing, wat zijn toestand wezen zou, indien hij ooit zulk een
bedrog ontdekte, wanneer hij oud geworden was. Zou iemand in die
omstandigheid in staat wezen om de vrucht van zoovele jaren van
gewoonte, vertrouwen en geloof den bedrieger te ontrukken, en er een
vreemdeling mede te begiftigen?
Naarmate zijne buitengewone ontroering bedaarde, verdwenen ook
langzamerhand deze schrikbeelden, hoewel er nog zooveel van hunne
schaduw overbleef, dat hij volhardde bij het besluit om Richards zelf
nauwkeurig in het oog te houden, zonder te laten blijken dat hij zulks
deed. Nu hij wat beter te moede was, beschouwde hij den levensstand der
vrouw als eene veeleer gunstige dan onaangename omstandigheid, daar die
op zich zelve een breeden slagboom tusschen haar en het kind plaatste,
en de onderscheiding gemakkelijk en natuurlijk maakte.
Ondertusschen werden tusschen mevrouw Chick en Richards, met behulp van
jufvrouw Tox, de conditiën geregeld en bepaald, en nadat aan Richards
met groote plechtigheid het wichtje, dat het kantoor Dombey en Zoon ten
steun moest wezen, was overgegeven, gaf zij het hare met vele kussen en
tranen aan Jemima. Daarna werd er wijn geschonken, om den zinkenden
moed der familie op te beuren.
“Gij zult toch ook wel een glas nemen, niet waar, mijnheer?” zeide
jufvrouw Tox, toen Toodle binnentrad.—“Als je blieft, mevrouw, als ik u
niet ontrijf,” was het antwoord.—“En gij zijt zeker wel blijde, dat gij
uwe lieve, goede vrouw in zulk een goed huis laat, niet waar,
mijnheer?” hervatte zij, hem tersluiks wenkende en toeknikkende.—“Neen,
mevrouw!” was het antwoord. “Ik wou dat ik haar al weerom had.”
Polly begon hierop nog meer te schreien. Mevrouw Chick vreesde, als
ervaren huismoeder, dat het toegeven aan deze smart den kleinen Dombey
nadeelig zou kunnen zijn. “Ik ben bang voor het zuur,” fluisterde zij
jufvrouw Tox toe, en haastte zich om Polly te troosten.
“Uw kindje zal bij uwe zuster Jemima bloeien als eene roos, Richards!”
zeide zij, “en gij moet u maar wat opbeuren—altijd moet men zich
opbeuren in de wereld, weet ge—om heel gelukkig te zijn. Men heeft
immers al de maat genomen voor uw rouwgoed, niet waar,
Richards?”—“Ja—ja, mevrouw” snikte Polly.—“En het zal u uitmuntend
passen, dat weet ik,” hervatte mevrouw Chick, “want hetzelfde meisje
heeft een aantal kleedjes voor mij gemaakt. En van de beste stof
ook!”—“Gij zult zoo mooi wezen, dat uw man u niet kennen zal, niet
waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox.—“Ik zou haar overal kennen, hoe
zij er ook uitzag,” antwoordde Toodle barsch.
Hij wilde zich blijkbaar niet laten omkoopen.
“Wat het eten betreft, Richards!” hervatte mevrouw Chick, “het beste
van alles staat voor u klaar. Gij hebt alle dag maar te bestellen wat
gij eten wilt, en alles, waarin gij lust hebt, dat durf ik zeggen, zal
zoo vlug aankomen, alsof gij eene dame waart.”—“Ja zeker,” zeide
jufvrouw Tox, snel het woord vattende. “En wat bier aangaat—zooveel ge
maar wilt, niet waar, Louise?”—“O zeker!” hervatte mevrouw Chick op
denzelfden toon. “Maar een beetje voorzichtig wat groenten betreft,
weet ge, lieve?”—“En misschien ook met ingelegd goed,” liet jufvrouw
Tox er op volgen.—“Met deze uitzonderingen,” zeide Louise, “kan zij
verkiezen wat zij maar begeert, zonder dat iemand haar beperken
zal.”—“En dan, natuurlijk, weet ge,” hervatte jufvrouw Tox, “hoeveel
zij ook van haar eigen lief kindje houden mag—en ik ben zeker, Louise!
dat gij het haar niet kwalijk neemt, dat zij er veel van houdt?”—“O
neen,” zeide mevrouw Chick goedertieren.—“Evenwel,” vervolgde jufvrouw
Tox, “moet zij natuurlijk groot belang stellen in het haar
toevertrouwde pand, en het een voorrecht achten, om een kleinen engel,
die zoo nauw verbonden is met de hoogere klassen, zich dagelijks
langzamerhand te zien ontwikkelen aan eene gemeenschappelijke bron. Is
het niet zoo, Louise?”—“Ongetwijfeld,” antwoordde mevrouw Chick. “Gij
ziet, lieve vriendin! zij is al geheel tevreden en vergenoegd, en zal
nu met een luchtig hart en een lachje hare zuster Jemima en hare lieve
kleintjes en haar goeden braven man vaarwelzeggen. Dat zal zij immers,
lieve?”—“O wel zeker zal zij dat,” zeide jufvrouw Tox.
In weerwil hiervan omhelsde de arme Polly allen, een voor een, met
groote droefheid, en liep eindelijk weg, om aan het afscheid tusschen
haar en de kinderen een eind te maken. De list slaagde echter niet zoo
goed als zij verdiend had, want de kleinste jongen op een na kroop op
handen en voeten haar na, de trap op, en de oudste begon met de hakken
zijner laarzen een dollen roffel te trommelen, om zijne smart lucht te
geven, waarin de overigen der familie hartelijk deel namen.
Een aantal sinaasappelen en halve stuivers, die den jeugdigen Toodle’s
zonder onderscheid in de handen werden gestopt, stuitte de eerste
uitbarsting hunner droefheid, en de familie werd spoedig weder naar
huis gebracht in de huurkoets, welke te dien einde was blijven wachten.
De kinderen, onder het opzicht van Jemima, verstopten het raampje van
het portier, en strooiden den geheelen weg over sinaasappelen en
kopergeld. Mijnheer Toodle verkoos liever op het achterbankje mede te
rijden, als eene plaats waaraan hij best gewoon was.