DOMBEY EN ZOON.

Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten

leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een

draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij

het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje

overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl

hij nog versch was.

Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en

veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn

gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van

uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer

rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog

over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey

hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een

boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij,

als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande

hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was

met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd

met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de

oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.

Dombey, opgetogen over de lang verwachte gebeurtenis, zat met den

zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten

blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen

schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne

gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet,

met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht

overvallen had.

“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam,

maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”

Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner

vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder

aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en

zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”

Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der

kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.

“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”

Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te

kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.

“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte

wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder

“Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.

Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De

wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en

de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne

schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden

waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en

planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te

houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens

namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend

op de firma. A. D. had niets te maken met Anno Domini, maar beteekende

Anno Dombey en Zoon.

Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en

sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren

lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was

hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene

vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en

die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig

dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten

waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste

aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk

met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey

en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten.

Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan

kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat

het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij,

streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen.

Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een

kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst

zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de

maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig

vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht

te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze

voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks

proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat

mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de

eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had

opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest.

Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.

Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben

toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij

waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey

in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te

rammelen, hadden zij geen kroost gehad.

Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te

maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat

kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu

beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar

wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en

aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht

geld, dat geen koers had—een valsche jongen—anders niet.

Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij

gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het

stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.

Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan

kijken; maar raak hem niet aan.”

Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met

een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar

het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij

hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich

evenmin als zij antwoord gaf.

Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind

aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande,

om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen

verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke

liefde, die weinig met hare jaren strookte.

“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers

onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen,

dat ik dokter Peps [1] verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar

eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde

hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder

op dezen jongen heer te passen, jufvrouw....”—“Blockitt, mijnheer!”

fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk

portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op

te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen

jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet

nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd....”—“Ja wel, ja

wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk

zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel,

maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te

vervullen. Eene bestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het

wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste

het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid

te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.

Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van

grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke

geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de

voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard

door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten,

vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had

gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag

en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter

Parker Peps.

“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem,

waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van

den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is

opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er

zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde

hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar

dit is een klant van belang voor mij.”

Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo

weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te

antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps

eens naar boven wilde gaan.

“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat

er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem

mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik

moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene

kwijning bestaat, die wij liever—niet....”—“Zouden zien,” viel de

huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps.

“Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel

van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw

Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten...”—“Zulk een aantal,”

prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een

wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in het

West-End....”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik

aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft

ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen

zal door eene groote, sterke, en...”—“Krachtige,” fluisterde de

huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige

inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als

geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking

beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De

lof van den eersten man in het vak...”—“Wel verplicht voor uw

compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne

betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver

normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is

om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van

gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige

inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende

vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in

staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan

eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden

betreuren.”

Daarna keken zij eenige oogenblikken naar den grond, en vervolgens

gingen zij, op eene pantomimische uitnoodiging van dokter Peps, naar

boven. De huisdokter opende met gedienstige beleefdheid de deur voor

den vermaarden man, en liet hem voorgaan.

Als wij zeiden, dat Dombey niet op zijne manier getroffen werd door dit

bericht, zouden wij hem onrecht doen. Hij was geen man, van wien men

eigenlijk kon zeggen, dat hij ooit verschrikt of ontsteld was; maar hij

had toch zeker gevoel, dat het hem zeer spijten zou, als zijne vrouw

ernstig ziek werd en in levensgevaar kwam, en dat hij, indien zij

stierf, onder zijne meubelen, zilverwerk en andere huiselijke

bezittingen iets zou missen, dat het bewaren wel waardig was, en niet

zonder oprecht leedwezen kon verloren worden. Evenwel, het zou

voorzeker een koel, geregeld, fatsoenlijk, welberaden leedwezen zijn.

Zijn gepeins over dit onderwerp werd spoedig afgebroken, eerst door het

ritselen van kleederen op de trap, en toen door het plotseling

binnenwippen van eene dame—eer boven dan beneden de middelbare jaren,

maar zeer jeugdig gekleed, vooral wat het spannende van haar korset

betrof—die naar hem toe kwam met een als het ware opgeschroefd gezicht,

en daarbij passende houding, hetgeen bedwongene aandoening moest te

kennen geven, hare armen om zijn hals sloeg, en met eene gesmoorde stem

zeide:

“Beste Paul! Hij is precies een Dombey!”—“Nu ja,” antwoordde haar

broeder, want Dombey was haar broeder. “Hij heeft inderdaad een

familietrek, geloof ik. Wees zoo ontroerd niet, Louise!”—“Het is wel

dwaas van mij,” zeide Louise, terwijl zij ging zitten en haar zakdoek

uithaalde; “maar hij is—hij is zoo volmaakt een Dombey! ik heb nooit in

mijn leven zoo iets gezien.”—“Maar wat is dat van Fanny zelve?” zeide

Dombey. “Hoe gaat het met haar?”—“Och, lieve Paul,” antwoordde Louise,

“het is niets. Op mijn woord, volstrekt niets. Zij is wat uitgeput

zeker; maar het gelijkt nog niet naar wat ik was, toen ik van George of

Frederik was bevallen. Zij moet zich maar wat opbeuren; dat is alles.

Als Fanny-lief maar eene Dombey was!—Maar zij zal zich wel opbeuren. Ik

twijfel er geen oogenblik aan. Daar zij weet, dat het van haar geëischt

wordt, als een plicht, is het niet anders mogelijk of zij zal het doen.

Och, beste Paul! het is wel gek en mal van mij, ik weet het wel, dat ik

zoo beverig ben van het hoofd tot de voeten; maar ik ben zoo raar, dat

ik u om een glas wijn en een stukje van dien koek moet verzoeken. Ik

dacht, dat ik op de trap in het venster zou zijn gevallen, toen ik naar

beneden kwam, nadat ik Fanny-lief had gezien en dat hartepitje.” Deze

laatste woorden werden haar door eene plotseling opkomende herinnering

aan den jonggeborene ontlokt.

Hierop volgde een zacht kloppen aan de deur.

“Mevrouw Chick,” zeide eene vleiende vrouwenstem buiten de deur, “hoe

gaat het u nu, lieve vriendin?”—“Beste Paul,” zeide Louise zacht,

terwijl zij opstond, “het is jufvrouw Tox, het goedhartigste mensch!

Zonder haar had ik onmogelijk hier kunnen komen.—Jufvrouw Tox, mijn

broeder, mijnheer Dombey! Lieve Paul, mijne intieme vriendin, jufvrouw

Tox!”

De dame, welke zoo hartelijk werd geïntroduceerd, was eene lange,

magere gedaante, die er zoo verlept uitzag, dat zij oorspronkelijk niet

met vaste kleuren, zooals manufacturiers zeggen, gemaakt scheen te

zijn, en langzamerhand door het wasschen verschoten was. Ware dit zoo

niet geweest, dan had zij voor een model van innemendheid en

beleefdheid kunnen gelden. Door lange gewoonte om met bewondering naar

al wat zij hoorde te luisteren, en de sprekers daarbij aan te zien,

alsof zij hunne beelden in haar gemoed wilde drukken, om die eerst met

haar leven weder te verliezen, had haar hoofd zich geheel op ééne zijde

vastgezet. Hare handen hadden zekere gestadige kramptrekkingen om zich

van zelven, als uit onwillekeurige bewondering, op te heffen. Hare

oogen waren aan eene dergelijke aandoening onderhevig. Zij had de

zachtste stem, die iemand ooit hoorde; en haar neus, verbazend sterk

gebogen, had een knobbeltje vlak bovenop, en liep van daar recht naar

beneden, als met een onverwinnelijk besluit om zich nooit voor iets op

te trekken.

De kleeding van jufvrouw Tox, hoewel zeer goed en fatsoenlijk, had iets

hoekerigs en schraals. Zij droeg gewoonlijk onnoembare onkruidjes van

bloempjes op hare hoeden en mutsen. In hare haren zag men somtijds

vreemde grassoorten; en liefhebbers maakten de opmerking, dat bij al

hare kragen, boordjes en andere voorwerpen van kleeding en opschik, die

twee einden hadden, welke bestemd waren om bijeen te komen, deze twee

einden het nooit eens waren en zich niet zonder tegenstand tot elkander

wilden laten brengen. Zij had bontwerk als winterdracht, gelijk kragen,

boa’s en moffen, waarvan het haar altijd te berge gerezen was, en nooit

glad lag. Het scheen hare liefhebberij, beursjes en taschjes bij zich

te dragen met knipjes er aan, die afgingen als pistooltjes, wanneer zij

toegedaan werden; en als zij in staatsie gekleed was, droeg zij aan

haar hals het akeligste van alle medaillons, een oud vischachtig oog

verbeeldende, dat zichtbaar blind was. Deze en andere verschijnselen

van dergelijken aard, dienden om de meening voort te planten, dat

jufvrouw Tox eene arme rentenierster was, die met haar sober bestaantje

zoo goed mogelijk trachtte rond te komen. Misschien, dat haar

trippelende stap deze meening nog versterkte en deed gelooven, dat zij

daarom eene schrede van gewone wijdte in tweeën of drieën knipte, omdat

zij gewoon was alles zoo zuinig uit te meten als maar mogelijk was.

“Ik moet verzekeren,” zeide jufvrouw Tox, verbazend diep nijgende, “dat

de eer, om bij mijnheer Dombey geïntroduceerd te worden, eene

onderscheiding is, waarnaar ik lang heb verlangd, maar die ik op het

oogenblik weinig verwachtte. Lieve mevrouw Chick—mag ik zeggen Louise?”

Mevrouw Chick nam de hand van jufvrouw Tox in de hare, zette den voet

van haar wijnglas daarop, bedwong een traan, en zeide met eene zachte

stem: “O mijn hemel!”—“Lieve Louise, dan!” hervatte jufvrouw Tox.

“Liefste vriendin, hoe gaat het u nu?”—“Beter,” antwoordde mevrouw

Chick. “Drink een glas wijn. Gij zijt bijna even aangedaan geweest als

ik, en zult het zeker noodig hebben.”

Dombey bood de dame terstond een glas wijn.

“Daar jufvrouw Tox wist, Paul,” zeide mevrouw Chick, nog de hand van

hare vriendin vasthoudende, “met hoeveel belangstelling ik de

gebeurtenis van vandaag te gemoet zag, heeft zij een presentje voor

Fanny gemaakt, dat ik haar beloofd heb aan te bieden. Het is maar een

speldenkussen voor de toilettafel, Paul! maar ik zeg, en moet en wil

zeggen, dat jufvrouw Tox de gewone spreuk heel aardig op deze

gelegenheid toepasselijk heeft gemaakt. “Welkom, kleine Dombey!” noem

ik waarlijk iets dichterlijks.”—“Is dat het devies?” vroeg haar

broeder.—“Ja, dat is het devies,” antwoordde Louise.—“Maar gij moet mij

ook het recht doen om te bedenken, lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox op

een vriendelijk en ernstig verzoekenden toon, “dat alleen de—ik weet

bijna niet hoe ik het zeggen zal—alleen de twijfelachtigheid van den

afloop mij heeft gedrongen om zulk eene vrijheid te nemen. “Welkom,

jonge heer Dombey!” zou mijn gevoel veel beter hebben uitgedrukt,

zooals gij ook wel weet. Maar de onzekerheid, welke met de komst van

zulke kleine engeltjes verbonden is, zal, hoop ik, iets

verontschuldigen, dat anders eene onvoegzame familiariteit zou

gelijken.” Dit zeggende, maakte jufvrouw Tox eene sierlijke buiging

naar den kant van Dombey, welke deze heer minzaam beantwoordde. De

soort van erkenning van Dombey en Zoon, welke in het gevoerde gesprek

lag opgesloten, beviel hem zoowel, dat zijne zuster—hoewel hij deed,

alsof hij haar al te zwak en teerhartig vond—misschien meer invloed op

hem bezat dan iemand anders.—“Wel,” zeide mevrouw Chick met een zachten

glimlach, “nu dit gebeurd is, vergeef ik Fanny alles.”

Dit was eene christelijke verklaring, en mevrouw Chick gevoelde er zich

het hart door verlicht. Niet dat zij hare schoonzuster iets bijzonders,

of in het geheel iets ter wereld, te vergeven had, behalve dat zij haar

broeder had getrouwd—op zich zelf eene soort van vermetelheid—en dat

zij naderhand een meisje, in plaats van een jongen, ter wereld had

gebracht, hetgeen, gelijk mevrouw Chick meermalen had aangemerkt,

eigenlijk niet was wat zij van haar verwacht had, en geene pleizierige

beantwoording was van de oplettendheid en onderscheiding, die haar te

beurt waren gevallen.

Daar Dombey op dit oogenblik haastig uit de kamer werd geroepen, bleven

de beide dames te zamen alleen. Jufvrouw Tox kreeg oogenblikkelijk eene

vlaag van hare kramp.

“Ik wist wel, dat gij mijn broeder zoudt bewonderen. Ik heb het u

vooraf gezegd, lieve!” zeide Louise.

De handen en oogen van jufvrouw Tox poogden uit te drukken, hoe groot

die bewondering was.

“En wat zijn vermogen betreft, lieve!”—“O-o!” zeide jufvrouw Tox met

diep gevoel.—“Ont-zag-lijk!”—“Maar zijne manieren van doen en spreken,

lieve Louise!” hervatte jufvrouw Tox. “Zijn voorkomen, zijne

deftigheid. Geen portret, dat ik ooit gezien heb, had half zooveel

daarvan. Iets zoo statigs, weet ge, zoo manhaftigs, zoo breed over de

borst, zoo recht op! De Hertog van York in een koopman herschapen, en

geen haar daar beneden, zoo zou ik hem uitduiden.”—“Hoe, lieve Paul!”

riep zijne zuster uit, toen Dombey weder binnenkwam. “Gij ziet zoo

bleek. Er scheelt toch niets aan?”—“Het spijt mij, dat ik het zeggen

moet, Louise! Zij zeggen mij, dat Fanny...”—“Och, beste Paul!” zeide

zijne zuster, opstaande, “geloof het niet. Als gij eenig vertrouwen in

mijne ondervinding stelt, Paul, kunt gij verzekerd wezen, dat er niets

ander noodig is, dan dat Fanny zich wat inspant, om zich op te beuren.

En om die inspanning te doen,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoed

afzette, en met drukte hare muts verschikte en hare handschoenen

optrok, “moet zij aangemoedigd, ja zelfs, als het noodig is, werkelijk

gedrongen worden. Kom, lieve Paul! ga met mij mede naar boven.”

Dombey, die, behalve dat hij zich, om de vroeger vermelde reden, veelal

door den invloed zijner zuster liet leiden, inderdaad vertrouwen stelde

in hare ondervinding als huismoeder, sprak niet tegen, en volgde haar

naar de kraamkamer.

Zijne vrouw lag in het bed, gelijk toen hij haar verliet, en hield hare

dochter aan hare borst gedrukt. Het meisje klemde zich aan haar vast

met dezelfde hartstochtelijkheid als te voren, en hield hare zachte

wang tegen het gezicht van hare moeder gedrukt; zij hief haar hoofd

niet op, zag niemand der aanwezigen eene enkele maal aan, sprak niet,

bewoog zich niet, stortte geen traan.

“Zonder het meisje is zij onrustig,” fluisterde de dokter Dombey toe.

“Wij vonden het best, haar maar weder te laten binnenkomen.”

Er was zulk eene plechtige stilte om het bed heen, en de twee dokters

schenen met zooveel medelijden en met zoo weinig hoop naar de roerlooze

lijderes te zien, dat mevrouw Chick voor een oogenblik van haar

voornemen werd afgebracht. Maar spoedig vatte zij moed, hernam wat zij

hare tegenwoordigheid van geest noemde, zette zich naast het bed neder,

en zeide op den zachten, maar dringenden toon van iemand, die een

slapende wil wekken:

“Fanny, Fanny!”

Geen geluid gaf antwoord, behalve het tikken van de horloges van Dombey

en dokter Peps, die in de stilte met elkander schenen te wedijveren.

“Lieve Fanny!” zeide mevrouw Chick met geveinsde luchtigheid: “daar is

mijnheer Dombey, om u te komen zien. Wilt gij niet met hem spreken? Zij

willen uw kleinen jongen—het kleintje, gij weet wel, Fanny! gij hebt

het haast nog niet gezien, geloof ik—bij u in bed leggen; maar zij

kunnen niet, als gij niet een beetje opkomt. Denkt gij niet, dat het

tijd is om wat op te komen? Zeg!”

Zij boog zich met een luisterend oor over het bed, terwijl zij te

gelijk de omstanders aanzag en haar vinger opstak.

“Hé?” herhaalde zij. “Wat zeidet gij daar, Fanny, Fanny? Ik heb u niet

verstaan.”

Geen woord of klank gaf antwoord. De twee horloges schenen nog harder

te wedijveren.

“Kom, lieve Fanny! Waarlijk,” zeide de schoonzuster, terwijl zij zich

verschikte, en in weerwil van haar zelve een minder gerusten en te

gelijk ernstiger toon aannam, “ik zal boos op u worden, als gij niet

wat opkomt. Het is noodig voor u, dat gij u wat inspant; en het kan wel

wezen, dat die inspanning u moeielijk valt en gij er geen lust toe

hebt; maar de wereld is vol moeite, Fanny! dat weet ge, en wij moeten

ons nooit in zwakheid toegeven, als er zooveel op ons aankomt. Kom,

beproef het eens! Ik zal waarlijk op u moeten knorren, als gij het niet

doet.”

In de stilte, welke nu volgde, werd de wedstrijd der horloges razend

driftig; zij schenen elkander op de hielen te trappen en te doen

struikelen.

“Fanny!” zeide Louise, met toenemende ongerustheid om zich heen ziende.

“Zie mij maar eens aan! Open nu uwe oogen maar eens, om mij te toonen,

dat ge mij hoort en verstaat; wilt ge? Goede hemel, heeren! wat zullen

wij doen?”

De twee dokters wisselden over het bed heen een blik met elkander, en

de huisdokter bukte en fluisterde het meisje iets in het oor. Daar de

kleine niet verstaan had wat hij zeide, keerde zij haar doodsbleek

gezichtje naar hem toe, en vestigde hare donkere oogen op hem, maar

zonder in het minst hare moeder los te laten. Hij fluisterde nog eens.

“Mama!” zeide het kind.

Het stemmetje, zoo bekend en bemind, wekte zelfs in die flauwte een

gering blijk van bewustzijn. Voor een oogenblik trilden de geslotene

oogleden en trokken de neusvleugels, en zag men den flauwst mogelijken

zweem van een glimlach.

“Mama!” riep het kind, overluid snikkende. “Och, lieve mama! Och, lieve

mama!”

De dokter streek zacht de losse krullen van het kind van het gezicht en

den mond der moeder weg. Helaas, hoe stil lag zij daar! hoe weinig adem

was er, om ze te doen bewegen!

Zoo, al wat zij op de wereld liefhad aan hare borst drukkende, was de

moeder in den laatsten slaap gezonken.

Dombey en Zoon · 第 5 / 125 题