III.

WAARIN DOMBEY ZICH ALS MAN EN VADER AAN HET HOOFD VAN ZIJN HUISHOUDEN

VERTOONT.

Nadat de begrafenis der overledene was afgeloopen, tot volkomen

genoegen van den aanspreker, zoowel als van de buurt in het algemeen,

welke doorgaans op zulk een punt zeer licht geraakt is, en zich door

een verzuim of eene vergissing bij de plechtigheid beleedigd acht,

keerden de verschillende leden van Dombey’s huishouden op hunne gewone

plaatsen in hun kring terug. De kleine wereld, evenals de groote wereld

buiten de deur, bezat de bekwaamheid om gemakkelijk hare dooden te

vergeten; en toen de keukenmeid had gezegd, dat zij eene zachtzinnige

mevrouw was, en de huishoudster, dat sterven het lot van alle menschen

was, en de bottelier had gevraagd, wie het zou gedacht hebben, en de

werkmeid had gezegd, dat zij het haast nog niet gelooven kon, en de

huisknecht dat het hem als een droom voorkwam, hadden zij het onderwerp

uitgeput, en begonnen zij te denken dat hun rouw ook al sleet.

Voor Richards, die boven in een staat van eervolle gevangenschap

verkeerde, scheen de dageraad van haar nieuw leven koud en grauw aan te

breken. Dombey’s huis was groot; het stond op den schaduwkant van eene

donkere, akelig fatsoenlijke straat, in de streek tusschen

Portland-Place en Bryanstone-Square. Het was een hoekhuis, met groote

wijde keldergaten in de stoep, waarin getraliede vensters uitkwamen,

benevens de openingen van kolen- en aschhokken. Het was een akelig

statig huis, met eene geheele reeks van pronkkamers en suite, die op

eene met lekzand bestrooide binnenplaats uitzagen, waarop twee magere

boomen, met zwarte stammen en takken, hunne bladeren meer lieten

ratelen dan ritselen, zoo verdroogd waren zij van den rook. De zomerzon

scheen nooit in de straat, behalve des morgens tegen het uur van

ontbijten, en dan kwam zij te gelijk met de waterkarren, en de

oude-kleerenkoopers, en de jongens met geraniums, en den paraplulapper,

en den man, die al voortgaande een houten klokje liet rinkelen. Spoedig

was zij weg, om dien dag niet terug te komen; en de troepen muzikanten

en zwervende poppenkasten, die spoedig volgden, lieten de straat ten

prooi aan de ellendigsten der orgels en aan de witte muizen, met nu en

dan een stekelvarken om de vermaken af te wisselen, totdat de

botteliers, wier heeren uit eten waren, in de schemering aan de deuren

kwamen staan, en de lantaarnopsteker zijne elken avond mislukte poging

weder herhaalde om de straat met gas eenigszins op te helderen.

Het huis was van binnen even somber als van buiten. Toen de begrafenis

voorbij was, gaf Dombey last om het huisraad te bergen,—misschien om

het voor den zoon te bewaren, die het middelpunt van al zijne plannen

was—en de kamers te ontmeubelen, behalve die, welke hij beneden voor

zich zelven hield. Derhalve werden de tafels en stoelen op het midden

van den vloer opgestapeld en als het ware met groote lijkkleeden

overdekt. De deurknoppen, spiegels en ornamenten, met oude

nieuwspapieren omwikkeld, lieten nog stukken van doodberichten en

moorden lezen. Elke lustre en kroonkandelaar, in wit katoen gehuld, had

het voorkomen van een monsterachtig grooten traan, aan het oog van den

zolder hangende. De schoorsteenen sloegen een graflucht uit. De doode

en begravene meesteres staarde uit de lijst van eene spookachtige, met

wit omkleede schilderij. Elke windvlaag voerde van den naburigen

mesthoop om den hoek iets van het stroo weder aan, dat voor de deur had

gelegen toen zij ziek was; die half vergane overblijfsels bleven liggen

en verzamelden zich op de stoep van het morsige huis, dat aan den

overkant ledig stond, eene naargeestige herinnering voor ieder, die bij

Dombey uit het venster zag.

De vertrekken, welke Dombey voor zijn eigen gebruik had gehouden, waren

terstond uit het voorhuis bereikbaar en bestonden in eene spreekkamer,

eene bibliotheek, die ook tot kleedkamer diende (zoodat de reuk van

papier, marokijn en rusleder zich vermengde met de lucht van eenige

paren laarzen) en eene soort van lantarenkamertje of glazen

ontbijtvertrekje, dat het uitzicht had op de bovengemelde boomen, en

doorgaans op eenige loerende katten. Deze drie kamers liepen in

elkander. Des morgens, wanneer Dombey in eene der twee eerstgemelde zat

te ontbijten, alsook des namiddags, wanneer hij thuis kwam om te eten,

werd er voor Richards gescheld, om in het glazen kamertje te komen, en

daar met den kleine op en neer te wandelen. Uit de schuwe blikken,

welke zij dan op Dombey kon werpen, terwijl deze in de verte in de

duisternis zat onder het donkere huisraad, en naar het kind zag, begon

zij zich zonderlinge verbeeldingen van hem in zijne eenzaamheid te

maken, als ware hij een gevangene in zijne cel, of eene vreemde

verschijning, die men niet mocht aanspreken of pogen te doorgronden.

De pleegmoeder van den kleinen Paul Dombey had eenige weken lang dit

leven geleid en den kleinen Paul er door gedragen. Eens was zij weder

naar boven gegaan, na eene treurige wandeling door de akelige

pronkkamers—zij ging nooit uit zonder mevrouw Chick, die ’s morgens,

als het mooi weder was, altijd aankwam, doorgaans in gezelschap van

jufvrouw Tox, om haar en het kleintje een luchtje te laten scheppen, of

eigenlijk haar met een deftigen tred de straat op en neer te laten

kuieren, als ware het eene lijkstaatsie; en toen zij nu in hare kamer

zat, werd de deur langzaam en zacht geopend, en keek een klein meisje

met donkere oogen om den hoek.

“Dat is zeker jonge juffer Florence, die van hare tante thuis gekomen

is,” dacht Richards, die het kind nog nooit had gezien. “Gij vaart nog

wel, hoop ik, jonge juffer?”—“Is dat mijn broertje?” vroeg het kind,

naar den kleine wijzende.—“Ja, liefje!” antwoordde Richards. “Kom, geef

hem een kus.”

Maar in plaats van naderbij te komen, zag het meisje haar ernstig aan

en vroeg: “Wat hebt gij met mijne mama gedaan?”—“God beware de arme

kleine!” riep Richards uit. “Welk eene treurige vraag! Ik gedaan?

Niets, jonge jufvrouw!”—“Wat hebben zij met mijne mama gedaan?” vroeg

het kind.—“Nog nooit heb ik iets zoo aandoenlijks gezien,” zeide

Richards, die zeer natuurlijk voor dit kind een van hare eigene in de

plaats stelde, dat in dergelijke omstandigheden naar haar vroeg. “Kom

naderbij, lieve juffer! Wees niet bang voor mij.”—“Ik ben niet bang

voor u,” zeide het meisje, naderbij komende. “Maar ik wil weten, wat

zij met mijne mama gedaan hebben.”—“Liefje!” antwoordde Richards, “gij

draagt die mooie zwarte jurk tot gedachtenis van uwe mama.”—“Ik kan wel

aan mama denken, met eene andere jurk aan,” zeide het kind, terwijl het

tranen in de oogen kreeg.—“Maar men draagt zwarte kleeren, om aan

menschen te denken als zij niet meer hier zijn.”—“Niet meer hier? Waar

dan?” vroeg het meisje.—“Kom eens bij mij zitten, dan zal ik u eene

geschiedenis vertellen,” antwoordde Richards.

Snel begrijpende, dat de vertelling het antwoord op hare vraag zou

moeten zijn, legde Florence het hoedje neder, dat zij tot nog toe in

hare hand had gehouden, ging op een voetbankje dicht bij de min zitten,

en zag deze vragend aan.

“Eens op een tijd,” zeide Richards, “was er eene mevrouw—eene heel

goede mevrouw—die een dochtertje had, dat heel veel van haar

hield.”—“Eene heel goede mevrouw en een dochtertje, dat heel veel van

haar hield,” herhaalde het meisje.—“En toen God het goed achtte, dat

het zoo wezen moest, werd zij ziek en stierf.”

Het kind huiverde.

“Zij stierf, om nooit weer door iemand op de wereld gezien te worden,

en zij werd begraven in den grond, waar de boomen groeien.”—“In den

kouden grond?” zeide het meisje, wederom huiverende.—“Neen, in den

warmen grond,” antwoordde Polly, van deze vraag spoedig gebruik

makende, “waarin de leelijke kleine zaadjes in mooie bloemen

veranderen, en in gras en koorn, en ik weet niet wat al meer. Waarin

goede menschen in schoone engelen veranderen, en dan opstijgen naar den

hemel.”

Het meisje, dat haar hoofdje had laten zinken, hief het weder op, en

bleef haar aandachtig aanzien.

“Wacht, laat mij zien!” zeide Polly, eenigszins van haar stuk gebracht

door dien uitvorschenden blik, bij haar verlangen om het kind te

troosten, den onverwachten indruk van hare woorden, en haar zeer gering

vertrouwen op hare eigene krachten. “Zoodat, wilde ik zeggen, toen die

mevrouw stierf, waar zij haar ook mogen gelegd hebben, zij ging tot

God—en zij bad hem, dat deed zij,” vervolgde Polly, zelve zeer

aangedaan, want zij was hartelijk in ernst, “haar dochtertje te leeren

om daarvan in haar hart verzekerd te zijn, en te weten, dat zij

gelukkig was en haar nog liefhad, en te hopen en te trachten—o, haar

leven lang—om haar daar eens te ontmoeten, en dan nooit, nooit weder te

scheiden.”—“Dat was mijne mama!” riep het meisje uit, terwijl zij

opsprong en hare armen om Polly’s hals sloeg.—“En het hart van het

kind,” vervolgde Richards, terwijl zij Florence aan hare borst drukte,

“was zoo vol van de waarheid hiervan, dat, toen zij het hoorde van eene

vreemde min, die het haar niet eens goed kon zeggen, maar zelve eene

arme moeder was, anders niets,—dat zij er toen troost in vond—en zich

niet zoo eenzaam gevoelde—en schreide aan hare borst—en het kindje lief

kreeg, dat op haar schoot lag;—en zoo is het, zoo is het, arm lief

kind!” zeide Polly, terwijl zij de lokken van het meisje gladstreek en

hare tranen daarop afdruppelden.—“Zoo, jonge juffer! zal uw papa daar

nu niet boos om zijn?” riep eene schelle stem aan de deur. Het was die

van een meisje van veertien jaren, dat, hoewel zij klein van gestalte

was, toch reeds bijna het voorkomen eener volwassene vrouw had, met

eene bruine kleur, een wipneusje, en oogen zoo zwart als kralen. “Het

was immers uitdrukkelijk belast, dat gij de min niet mocht gaan lastig

vallen?”—“Zij valt mij niet lastig,” was het verwonderde antwoord van

Polly. “Ik houd heel veel van kinderen.”—“O, neem mij niet kwalijk,

jufvrouw Richards! maar dat doet er niet toe,” hervatte het meisje, een

scherp en vinnig nest. “Misschien houd ik veel van krakelingen, maar

daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben

zal.”—“Nu, goed, het komt er niet op aan,” was het antwoord.—“Maar gij

weet toch wel, dat de jonge juffer onder mij staat, en de jonge heer

onder u.”—“Maar wij behoeven daarom toch geen twist te maken,” zeide

Polly.—“O neen,” hervatte het vinnige ding, dat eigenlijk Susanna

Nipper heette. “Dat behoeft niet, want Florence is eene vaste plaats,

en Paul maar voor behulp.” Het meisje scheen gewoon te zijn om alles

zooveel mogelijk in één adem te zeggen.—“Jonge juffer Florence is zeker

pas thuis gekomen, niet waar?” vroeg Polly.—“Ja, dat is zij, jufvrouw

Richards, en ziedaar, jonge juffer! eer gij een kwartier in het huis

zijt geweest, gaat gij uw nat gezicht tegen het dure rouwkleed wrijven,

dat jufvrouw Richards voor uwe mama draagt.” Met deze bestraffing rukte

Susanna het kind tamelijk ruw van Polly af. Zij scheen dit echter meer

te doen uit overdreven ijver in het waarnemen van haar post, dan uit

opzettelijke boosheid.—“Zij zal wel blij wezen, dat zij thuis is en van

avond weder bij haar lieven papa komt,” zeide Polly, het kind met een

bemoedigenden glimlach toeknikkende.—“Heere, jufvrouw Richards!” viel

Susanna hierop in. “Spreek toch zoo niet! Bij haar papa komen? Wel

waarlijk! Ik zou wel eens willen zien, dat zij het deed!”—“Zou zij dan

niet?” vroeg Polly.—“Wel Heere neen, jufvrouw Richards! Haar papa is

veel te veel verdiept in iemand anders, en voordat er iemand anders

was, om zich in te verdiepen, was zij toch niet veel in gunst. Meisjes

zijn hier in huis zoo goed als weggegooid, jufvrouw Richards! Dat kan

ik u verzekeren.”

Het meisje zag snel van de eene naar de andere zijde, alsof zij wel

begreep en gevoelde wat er gezegd werd.

“Gij verbaast mij!” riep Polly uit. “Heeft mijnheer Dombey haar dan

niet gezien, sedert...”—“Neen,” viel Susanna haar in de rede “geene

enkele maal, en vóór dien tijd had hij haar ook in maanden nauwelijks

onder de oogen gehad, en ik geloof niet, dat hij haar voor zijn eigen

kind zou gekend hebben, als hij haar op straat had ontmoet, of haar

voor zijn eigen kind kennen zou, als hij haar morgen daar tegenkwam.

Wat mij betreft, jufvrouw Richards!” voegde zij er lachende bij, “ik

twijfel of hij wel weet, dat ik in de wereld ben.”—“En toch zoo lief!”

zeide Polly, waarbij zij niet Susanna, maar de kleine Florence op het

oog had.—“O, ik kan u verzekeren, dat er een bullebak te vinden is,

geen honderd uren van deze plek, jufvrouw Richards!” liet Susanna

daarop volgen. “En nu wensch ik u goeden morgen. Kom, Florence! ga nu

mede, en laat u zoo niet slepen, als eene stoute meid, die van God noch

zijn gebod weet.”

In weerwil van deze toespraak echter, en in weerwil dat Susanna haar

rechterarm bijna uit het lid trok, rukte Florence zich los, om hare

nieuwe vriendin een hartelijken kus te geven.

“Goedendag,” zeide het meisje. “God zegene u! Ik zal spoedig weder bij

u komen, en gij ook bij mij. Suze zal het ons wel toelaten; niet waar,

Suze?”

Het vinnige dingetje scheen toch over het geheel niet kwaad te zijn,

hoewel zij onder die kindermeisjes behoorde, die schijnen te begrijpen,

dat kinderen geschud moeten worden, als een zakje met geld, dat men

blinkend wil houden; want op deze toespraak, die met eenige aanhalige

liefkoozingen vergezeld was, sloeg zij hare korte armen over elkander,

en gaf, terwijl zij haar hoofd schudde, hare zwarte, altijd wijd

openstaande oogen eene zachtere uitdrukking.

“Het is niet mooi van u, dat ge dat vraagt, Florence!” zeide zij, “want

gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan; maar jufvrouw Richards en ik

zullen zien wat wij doen kunnen, als jufvrouw Richards wil, want,

begrijpt ge, ik kan wel lust hebben, om eene reis naar China te doen,

jufvrouw Richards, en toch niet weten hoe ik het Londensche dok uit zal

komen.”

“Dit huis is juist zoo vroolijk niet,” vervolgde Susanna, “dat iemand

meer alleen behoeft te blijven, dan wezen moet. Eene partij Tox’en en

Chick’sen mogen mijne voorste tanden uittrekken; maar dat is geene

reden, waarom ik mijn geheele gebit behoef te geven.”

Jufvrouw Richards gaf haar hierin wederom gelijk.

“Ik ben daarom wel genegen, om als goede vrienden te leven, jufvrouw

Richards, zoolang de kleine Paul eene plaats voor u blijft, als wij er

maar middel toe kunnen vinden, zonder te doen wat uitdrukkelijk

verboden is. Maar goede hemel, Florence, gij hebt uw goed nog niet eens

af, ondeugend kind! Kom terstond mede!”

Met deze woorden deed Susanna, in eene vlaag van ijver, een vinnigen

aanval op het onder haar geweld staande kind, en trok het in eens de

kamer uit.

In hare smart en verlatenheid was het meisje zoo zacht, stil en

geduldig, zij bezat zooveel liefde, welke niemand het der moeite waard

achtte zich toe te eigenen, en zulk een fijn gevoel, dat niemand zich

ontzag te kwetsen, dat Polly het hart zeer deed, toen zij zich weder

alleen bevond. Bij het eenvoudige tooneel, dat tusschen haar en het

moederlooze kind had plaats gehad, was haar eigen moederlijk hart niet

minder getroffen geweest dan dat van het meisje; en zij gevoelde

evenals de kleine Florence, dat er van dit oogenblik af een band van

vertrouwen en belangstelling tusschen haar beiden bestond.

In weerwil van het groote vertrouwen, hetwelk Toodle in zijne vrouw

stelde, was zij hem echter in aangeleerde kundigheden misschien slechts

zeer weinig vooruit. Doch zij was een eenvoudig en schoon voorbeeld van

een gemoedsaard, welke over het geheel beter, oprechter, edeler en

verhevener is dan die der mannen, en alle aandoeningen van teederheid,

medelijden en zelfverloochende liefde veel lichter plaats geeft en veel

verstandiger bewaart. En misschien, zoo onkundig als zij was, had zij

toen reeds een licht van kennis voor Dombey kunnen doen opgaan, hetwelk

hem dan niet op het laatst als een bliksemstraal zou getroffen hebben.

Maar dit is eene afdwaling van ons tegenwoordig onderwerp. Polly dacht

er toen alleen aan om gebruik te maken van haar gunstigen indruk op

Susanna, en een middel te verzinnen om de kleine Florence wettig en

zonder muiterij bij haar te krijgen. Toevallig bood zich nog dien

zelfden avond eene gelegenheid daartoe aan.

Zij was naar gewoonte gescheld om beneden in het glazen kamertje te

komen, en had daar reeds lang om en om gewandeld met den kleine in hare

armen, toen, tot hare groote verwondering en ontzetting, Dombey

eensklaps op haar toekwam en voor haar staan bleef.

“Goeden avond, Richards!”

Juist dezelfde stijve, strenge heer, als hij haar op dien eersten dag

was voorgekomen, zoo barsch van uitzicht, dat zij, terwijl zij neeg,

onwillekeurig hare oogen nedersloeg.

“Hoe gaat het met jongen heer Paul, Richards?”—“Heel wel en

voorspoedig, mijnheer!”—“Zoo ziet hij er ook uit,” zeide Dombey, met

een blik vol belangstelling op het gezichtje, dat zij voor hem

ontdekte, terwijl hij toch half den schijn van onverschilligheid wilde

aannemen. “Zij geven u al wat gij noodig hebt, hoop ik?”—“O ja,

mijnheer! ik dank u.”

Na dit antwoord scheen zij echter zoo blijkbaar iets te verzwijgen, dat

Dombey, die reeds weder wilde heengaan, zich omkeerde en haar vragend

aanzag.

“Ik geloof dat niets zoo goed is om kinderen levendig en vroolijk te

maken, mijnheer, dan dat zij andere kinderen om zich heen zien spelen,”

zeide Polly, moed vattende.—“Ik meen u gezegd te hebben, Richards, toen

gij hier kwaamt,” antwoordde Dombey, zijn voorhoofd rimpelende, “dat ik

verlangde dat gij uwe familie zoo weinig mogelijk zien zoudt. Gij kunt

voortwandelen, als het u belieft.”

Daarmede verdween hij in de andere kamer, en Polly had de voldoening

van te gevoelen, dat hij haar geheel verkeerd begrepen had, en zij zich

zijn ongenoegen had berokkend, zonder haar oogmerk eenigszins naderbij

te komen.

Den volgenden avond vond zij hem in het glazen kamertje wandelen, toen

zij beneden kwam. Toen zij, door dit ongewone gezicht verzet, bij de

deur staan bleef, niet wetende of zij zou voortgaan of terugkeeren,

riep hij haar binnen.

“Als gij inderdaad denkt, dat dit soort van gezelschap goed voor het

kind is,” zeide hij scherp, alsof er geen tijd verloopen was sedert zij

daarvan gesproken had, “dan is er immers jonge juffer

Florence?”—“Niemand zou beter kunnen zijn dan jonge juffer Florence,

mijnheer,” zeide Polly gretig: “maar ik heb van het meisje, dat haar

oppast, gehoord, dat zij niet mochten...”

Dombey trok aan de schel en wandelde op en neer, tot er een bediende

verscheen.

“Zeg hun, dat zij jonge juffer Florence altijd bij Richards moeten

laten komen als zij verkiest, en met haar laten uitgaan, en zoo voort.

Zeg hun, dat zij de kinderen bij elkander moeten laten, als Richards

het verlangt.”

Het ijzer was nu heet, en Richards smeedde er stout op los. Zij had

eene goede zaak voor, en was daarom stoutmoedig, hoewel zij

instinctmatig bevreesd voor Dombey was. Zij verzocht, dat Florence nu

terstond zou komen, om met haar broertje vriendschap te maken.

Zij hield zich, alsof zij met het kind speelde, terwijl de knecht met

deze boodschap heenging; maar zij meende te zien, dat Dombey’s kleur

verschoot, dat zijn gelaat eene geheel andere uitdrukking aannam, dat

hij zich haastig omkeerde, als wilde hij herroepen wat hij gezegd had,

of wat zij gezegd had, of wel wat zij beide gezegd hadden, en alleen

door schaamte daarvan weerhouden werd.

En zij had gelijk. De laatste maal, dat hij zijne verwaarloosde dochter

had gezien, was er in die droevige omhelzing tusschen haar en hare

stervende moeder iets geweest, dat te gelijk eene openbaring en een

verwijt voor hem was. Al mocht hij zich nog zoo verdiepen in den zoon,

op wien hij zulk eene trotsche hoop had gebouwd, hij kon dit

slottooneel niet vergeten. Hij kon niet vergeten, dat hij er geen deel

aan gehad had; dat, in den gewijden kring van teederheid en trouw, die

twee gedaanten in elkanders armen lagen gesloten, terwijl hij er buiten

stond, en als een bloot aanschouwer toezag.

Buiten staat om deze dingen uit zijn geheugen te verdrijven, en om zich

te ontslaan van zulke flauwe schemeringen der beteekenis, welke zij

inhielden, als zich door den nevel van zijn trots voor hem konden

zichtbaar maken, veranderde zijne vroegere onverschilligheid voor de

kleine Florence in eene buitengewone soort van onrust. Het was hem

bijna, alsof zij hem bespiedde en wantrouwde; alsof zij den sleutel had

van iets geheims in zijne borst, waarvan hij zelf nauwelijks den aard

kende; alsof zij eene aangeboren kennis had van eene knarsende,

wanluidende snaar in zijn binnenste, en haar enkele adem die kon doen

trillen.

Zijn gevoel voor het meisje was, van hare geboorte af, iets negatiefs

geweest. Hij had nooit tegenzin voor haar opgevat; dat was hem niet de

moeite waard geweest, of in den zin gekomen. Zij was nooit een positief

onaangenaam voorwerp voor hem geweest. Maar nu was hij slecht op zijn

gemak als hij aan haar dacht. Zij stoorde zijne rust. Hij had liever de

gedachte, dat zij bestond, wel geheel op zijde willen schuiven, als hij

maar geweten had hoe. Misschien—wie zal over zulke geheimen uitspraak

doen?—was hij bevreesd, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten.

Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan,

om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van

een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de

vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke

verlangen om naar hem toe te loopen, zich aan hem vast te klemmen, en

uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand

anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te

wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige

geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart

rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en

liefde.

Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur

blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.

“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”

Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien,

bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander

drukkende.

“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja,

papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”

De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat

opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop

vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.

Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar

nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen

zou.

“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd

klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen,

twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”

Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem

blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen

zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht,

hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op

dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand

los, en keerde zich om.

Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders

bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid

was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs

voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen.

Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit

zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel

vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme

Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met

één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat

wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”

Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en

wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het

gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd

was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere

kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het

meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals

aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare

eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij

niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”

Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en

hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.

“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij

binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt

er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan,

zonder op mij te letten.”

Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare

nederige vriendin weder omzag.

Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer

welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had

uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig

boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen,

alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel

op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.

“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide

Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel

verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht

hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te

hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna,

“daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo

toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier

alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit

huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet

graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”

Dombey en Zoon · 第 7 / 125 题