zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God,
zijnde tot allen en over allen, die gelooven.
De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid,
kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn.
Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch
wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo
moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in
alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan
is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of
voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven.
Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle
menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor
God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks
(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel
het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de
bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_
de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan
moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden
voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen
is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes.
45 vs. 25).
2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad,
als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke
overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen
aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen
hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk
de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den
boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend
voornemen van den drieëenigen God ons in aanwezen, opdat wij de
voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen
wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah.
En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht
_in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk
en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene
werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam
wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom
was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd.
God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame
stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige
wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van
uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid.
"Met welke Hij overvloedig is geweest over ons," zegt Paulus, "in
alle wijsheid en voorzigtigheid." God stelt dus zijn volk in zijne
bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen
die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden
vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die
weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst
hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de
ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft
hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en
eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke
verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde
en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn.
En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar
jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen
noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden
wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam,
zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking
noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en
krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent
de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de
natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd.
Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker
geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd
worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden.
Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in
wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend;
vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij
haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver
verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid,
vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en
onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan
alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene
uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van
wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de
gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk
bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig
bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van
inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het
land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke
natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman
kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13:
23).
Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk
is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te
vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne
geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te
bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering
te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur,
door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke
liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke
godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren
verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek
inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft
eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en
in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en
blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich
dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen,
om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor
de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid,
eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen,
verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van "bekeering,
wedergeboorte en een werk der genade." Alzoo maakt de eene een
kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor
het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor
besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor
eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar
na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de
stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur,
even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood,
even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het
koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur
te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken,
te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag.
Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden
gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit
het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken
van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan
eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende
godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft
oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij
tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door
hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist,
Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede
werk. "De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En
de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt,
dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is
goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele."
(Jes. 41: 6, 7.)
Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van
leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van
ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel, onderzoek
des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, kerk gaan onder de waarheid,
godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in de voorschriften van het
Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en
heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden
wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in
goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen
van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte
en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God
is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en
zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij
rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som
gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en
dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg
gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk
gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens
het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen.
Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij
moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding,
gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept
worden. Degodsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne
ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt
om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware
er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de
voorgeschreven sprong, hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij
bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt
zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij
dankt zijn geboord overhemd af, kamt het haar gelijk, en scheert zijne
bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte
waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo
als zij gelooft en, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt
"bekeering en besliste vroomheid" genoemd, terwijl er in de ziel van den
armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof
of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd
verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel;
Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel
niet, vóór Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij
neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament
van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een
verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk
hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een
steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te
bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder
te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout
naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den
anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig
God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil
geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap
op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach.
3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen
bekleed werd. Alzoo gaat dooden vóór levend maken, armoede vóór
rijkdom, bedelarij en den mesthoop vóór de erfenis van den troon der
heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen,
en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder
de prinsen. (Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen
met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en
eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen
uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet
in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan
als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag
beantwoorden: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?", zoo moeten wij
vooraf wel verstaan, dat het woord "zaligmaken" in zich bevat, een
voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene
ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande
verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van
dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk
toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als
eene fondamenteele waarheid, dat het is eene _gevoelde_ verlorenheid,
eene _gevoelde_ vernietiging, eene _gevoelde_ rampzaligheid, waaruit
zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt,
stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene
bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat
men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het
gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging
van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne
ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen
den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van
een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige
waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die
belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. "Ga naar Christus;
zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; leid eenen gelijkvormigen
wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij;
wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat
der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe
kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat
alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in
verootmoediging;" deze en dergelijke vermaningen worden van duizende
kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid.
Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende
overtuigingen, het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere
uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid,
de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in één woord, al deze
inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden,
worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze
dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op
gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel
verlost, zoo moeten wij den staat weten _waaruit_ hij verlost moet
worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden
noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en
predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom
van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige
ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt;
of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun
in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van
de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene godvruchtige
vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en
dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in
gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, naar den aard
der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk
der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan
verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder
zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor
hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij
ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij
trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen
welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken
over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld,
de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven
en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende
hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de
oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid,
en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel?
Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden
van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld,
opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw en
hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende
en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze,
hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk
bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren
last der zonde, het neérdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van
ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en
hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten,
vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en
al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch
hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in zijne
prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de
verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt
dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost
te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn.
Daarom, indien iemand mij vraagt: "Wat is het dat eene ziel zalig
maakt?" antwoord ik: "Waarom doet gij mij die vraag?" Vòòr men iets van
verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien
gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij
mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog
lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord
op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te
scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is,
dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene
andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag
niet antwoorden.