4º. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog

zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God,

zijnde tot allen en over allen, die gelooven.

De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid,

kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn.

Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch

wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo

moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in

alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan

is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of

voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven.

Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle

menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor

God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks

(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel

het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de

bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_

de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan

moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden

voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen

is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes.

45 vs. 25).

2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad,

als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke

overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen

aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen

hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk

de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den

boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend

voornemen van den drieëenigen God ons in aanwezen, opdat wij de

voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen

wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah.

En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht

_in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk

en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene

werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam

wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom

was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd.

God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame

stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige

wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van

uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid.

"Met welke Hij overvloedig is geweest over ons," zegt Paulus, "in

alle wijsheid en voorzigtigheid." God stelt dus zijn volk in zijne

bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen

die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden

vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die

weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst

hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de

ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft

hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en

eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke

verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde

en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn.

En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar

jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen

noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden

wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam,

zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking

noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en

krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent

de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de

natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd.

Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker

geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd

worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden.

Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in

wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend;

vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij

haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver

verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid,

vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en

onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan

alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene

uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van

wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de

gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk

bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig

bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van

inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het

land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke

natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman

kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13:

23).

Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk

is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te

vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne

geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te

bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering

te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur,

door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke

liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke

godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren

verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek

inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft

eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en

in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en

blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich

dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen,

om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor

de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid,

eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen,

verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van "bekeering,

wedergeboorte en een werk der genade." Alzoo maakt de eene een

kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor

het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor

besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor

eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar

na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de

stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur,

even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood,

even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het

koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur

te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken,

te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag.

Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden

gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit

het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken

van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan

eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende

godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft

oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij

tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door

hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist,

Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede

werk. "De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En

de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt,

dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is

goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele."

(Jes. 41: 6, 7.)

Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van

leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van

ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel, onderzoek

des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, kerk gaan onder de waarheid,

godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in de voorschriften van het

Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en

heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden

wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in

goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen

van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte

en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God

is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en

zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij

rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som

gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en

dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg

gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk

gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens

het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen.

Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij

moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding,

gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept

worden. Degodsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne

ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt

om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware

er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de

voorgeschreven sprong, hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij

bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt

zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij

dankt zijn geboord overhemd af, kamt het haar gelijk, en scheert zijne

bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte

waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo

als zij gelooft en, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt

"bekeering en besliste vroomheid" genoemd, terwijl er in de ziel van den

armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof

of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd

verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel;

Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel

niet, vóór Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij

neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament

van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een

verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk

hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een

steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te

bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder

te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout

naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den

anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig

God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil

geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap

op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach.

3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen

bekleed werd. Alzoo gaat dooden vóór levend maken, armoede vóór

rijkdom, bedelarij en den mesthoop vóór de erfenis van den troon der

heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen,

en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder

de prinsen. (Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen

met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en

eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen

uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet

in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan

als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag

beantwoorden: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?", zoo moeten wij

vooraf wel verstaan, dat het woord "zaligmaken" in zich bevat, een

voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene

ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande

verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van

dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk

toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als

eene fondamenteele waarheid, dat het is eene _gevoelde_ verlorenheid,

eene _gevoelde_ vernietiging, eene _gevoelde_ rampzaligheid, waaruit

zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt,

stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene

bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat

men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het

gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging

van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne

ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen

den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van

een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige

waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die

belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. "Ga naar Christus;

zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; leid eenen gelijkvormigen

wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij;

wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat

der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe

kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat

alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in

verootmoediging;" deze en dergelijke vermaningen worden van duizende

kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid.

Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende

overtuigingen, het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere

uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid,

de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in één woord, al deze

inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden,

worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze

dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op

gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel

verlost, zoo moeten wij den staat weten _waaruit_ hij verlost moet

worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden

noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en

predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom

van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige

ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt;

of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun

in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van

de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene godvruchtige

vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en

dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in

gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, naar den aard

der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk

der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan

verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder

zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor

hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij

ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij

trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen

welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken

over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld,

de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven

en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende

hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de

oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid,

en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel?

Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden

van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld,

opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw en

hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende

en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze,

hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk

bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren

last der zonde, het neérdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van

ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en

hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten,

vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en

al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch

hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in zijne

prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de

verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt

dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost

te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn.

Daarom, indien iemand mij vraagt: "Wat is het dat eene ziel zalig

maakt?" antwoord ik: "Waarom doet gij mij die vraag?" Vòòr men iets van

verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien

gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij

mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog

lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord

op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te

scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is,

dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene

andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag

niet antwoorden.

Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten predikant en den heer Easterman met een antwoord op die gewichtige vraag · 第 3 / 5 段