"Zamenspraak enz.," ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een
antwoord te geven op de gewigtige vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig
maakt?" welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige
bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al
schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam
en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in
het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de
verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er
mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het
vereischte, wat ik niet kon leveren,--bladzijden uit het leven en de
bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften
van Gods beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan alle zijden
verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind,
ongezocht, verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten
Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de
letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der
genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er
al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen,
die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij
eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog
ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die
uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat "de
wijsheid met hen sterven zoude," (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God
in zijn woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat Hij heeft afgebroken.
Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën,
bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere
uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud
en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich
bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden
als bewijzen van genade opbouwen óf aan de andere hand eene algemeene
haat tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de
in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het
onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere,
diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt
betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan,
zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat
hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd.
Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van
hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening (die
of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden
bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging
in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de
letter-Calvinisten dezer dagen.
Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor
zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen
en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de
bres moesten staan, hunne zwaarden in de schede hadden gestoken en ze
nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van
vrienden komen. De vraag scheen te zijn: "Zijt gij een Arminiaan of een
Calvinist?" indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste
een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van
levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat
zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten
dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende
godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de
schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik
mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam,
te blijven staan bij ~inwendige~ zaligheid, schoon met de diepste
bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens
mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking
mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden
zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het
geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te
vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen,
met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze
zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen
overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men
kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan.
J. C. PHILPOT.
WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT?
Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen,
op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en
de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden,
die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende
oordeel,--wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende
ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de
alles omvattende vraag: "Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?"
(Job. 9 vs. 2).
Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder
twee hoofdpunten beschouwen. 1º. De zaligheid beschouwd als eene daad
buiten ons; 2º. de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de
eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden
voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de
Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah,
mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien,
"om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen
leugen is." (1 Joh. 2 vs. 27).
1. De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten eersten als eene
handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad
voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van
het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren
ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering
van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart
van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de
wijsheid en magt van den drieëenigen God, welke ooit het schepsel kan
ten uitvoer brengen.
Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed
oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal,
geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen
verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan
van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van
het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste
Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en
het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk
machinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die
voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best
ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag
zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring
te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens
eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar.
In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in
twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst
magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben,
evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben?
Zullen wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en
zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de
magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot
en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed
overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren,
geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven
om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche
katoenfabriek kon geene week doorwerken, indien het niet een vooraf
bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder
spinnewiel zijn werk, aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En
toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den
alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in
het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke,
indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk
zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten, hare
uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene
woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden.
Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet
naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder
zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in
twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet "naar den
raad van zijnen eigen wil," zoo is het duidelijk dat de zaligheid of
verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen.
Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven
kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een
deel uitmaken van Gods algemeene regering, als elk rad bedraagt tot de
beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen
zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen
bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt,
maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de
onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed
geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman,
een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit
rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft
hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het
werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is
gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk
van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die
loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk
deel, en haren oorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het
voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid
van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen
en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van
ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen,
dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed
mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en
elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet
begrijpen kon. Indien verlossing als één geheel, een plan is, waarin de
grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van
dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt
dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt
af van de harmonie der deelen. Deze takken of deelen dan eischen ons
naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen
zijn, zullen wij het doen van het geheel.
1º. De eerste tak dan van de verlossing is, _de openbaring daardoor, van
de heerlijkheid van den Drieëenigen Jehovah_. Niets kan God zoo dierbaar
zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring
daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De
oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den
kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke
Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te
openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom
tot dezelfde bron worden opgespoord. "Tot prijs _der heerlijkheid zijner
genade_," zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), "door welke Hij ons begenadigd
heeft in den Geliefde," en wederom vers 12: "opdat wij zouden zijn tot
prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En
opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten
der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid,"
(Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des
menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en
bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid
bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het
daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen,
die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand
konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten,
bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar
dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij
zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En
indien wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en
te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen
erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de
teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het
ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap
verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd
kon worden, van den prijs zijner eigene heerlijkheid, zou hij nooit
deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der
aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons
teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen
voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle
dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij
zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid
aan God toeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude
toekennen.
2º. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als
een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene
opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan
heeft in Hem die een eeuwig _Heden_ is, dezelfde gisteren, heden en in
eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne
eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid
en van _zijne eeuwige liefde_ als van de tweede. Maar in zijn oneindig
gemoed is noch eerste noch tweede, toekomende noch verleden, vroeger
noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de _eeuwige liefde_ een tweede
beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak
verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke
onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging van beweegredenen
in zich behelst.
_Liefde_ dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah
volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne liefde van dezelfde natuur
zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe onveranderlijker de liefde
is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn,
gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward,
vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te
zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in
spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft,
die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt,
schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt
gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke
liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en
hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart
innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij
evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de
onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee
voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte.
Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid
afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen
met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot
de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van
omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en
ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en
indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt.
Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt
lief heeft dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan
alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Faraö, Saul en Judas lief? Hij zegt
ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze
haat was, vóór dat de kinderen geboren waren en vòòr zij iets goeds of
kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit
komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen
beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen
kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam; verdienen niet
eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk
gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en
verdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien
eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig
gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak
van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat
ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal
de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij
altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen
de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt,
in één woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief
heeft.
3º. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden.
Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het
betrekking heeft op hen _door_ wien zij gekoesterd wordt; maar
betrekkelijk hen _tot_ wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door
uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid,
even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de
andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, de andere de
uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij
doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij
ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden standaard
meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. _Verlossing_
daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de
liefde van Christus; "Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven
voor haar overgegeven." (Eph. 5: 25). "Die mij lief gehad heeft," zegt
Paulus, "en zich zelven voor mij overgegeven heeft." (Gal. 2: 20).
"Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons
gesteld heeft." (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van
liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt
en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het
uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter
dan de beweegreden.
Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het
de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd
door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt
zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en
toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den
veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch?
Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij
een enkel grasscheutje doen groeijen, één haar wit of zwart maken? Is de
medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen?
Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels
werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen
ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemd
worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing
algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand
verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf,
zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was
te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open.
Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden. Hij had hen lief,
had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te
bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden
te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten
hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak--en na dit alles kan Hij
hen niet verlossen,--na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke
betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, doodsangst en bloed,
sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus
wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid?
Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij
alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen
Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan?
Dan, welk eene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat
eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het
uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des
menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat
Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des
ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden
van Sodom en Gomorra; van het leger van Faraö dat in de roode zee
verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de
zeven vervloekte volken van Canaän en van allen die in den algemeenen
zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd
hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het
kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de
verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden
der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren
magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) "dat de zoodanigen zijn
voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs,"
Paulus zegt: "dat zij vernield zijn van den verderver." (1 Cor. 10 vs.
10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor
deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn,
er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn
dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de
verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie
Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de
algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten
gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken
zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste
voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn,
die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan.
En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen
zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te gebruiken dan
zij deden op aarde, en één uur ondervinding van den brandenden poel
heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus
behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen,
als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten
hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden dezelfde aanbiedingen
van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien
Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang
ontvolkt van zijne aloude bewoners. Caïn, Faraö, Saul, Achitofel, Doëg,
Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods,
zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus
voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is
eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder.
Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat
Christus "zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd
overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn
eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf"; en
de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam
op het hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op de borst des
Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat
Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen
Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en
ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning,
voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in
ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de
zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en
onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der
menschheid, en dus werd Immanuël, God met ons, de algenoegzame
Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren.