De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat

de hand van een Drieëenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is

een legaat, eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige

wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene beërving

van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot

eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven,

de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen

gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de

tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift

altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van

"het wijf des Lams" en "de bruiloft des Lams", zoo wordt de kerk gezegd

"tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederen van gouden

borduursel," gelijk in oostersche landen de bruid door haren vader

tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook van

"ondertrouw" welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging.

"Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw,"

(Jer. 2: 2); "ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aan

éénen man voor te stellen, namelijk Christus." (2 Cor. 11: 2). Zoo was

Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1:

18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene

onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde

zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene

overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien

zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in

zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De

deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit

gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven

en het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; "Ik zal u mij

ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en

in barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij

zult den Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid

beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, in

_verledene_, _tegenwoordige_ en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_

zaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek des levens des

Lama, van voor de grondlegging der wereld. _Tegenwoordige_ zaligheid

bestaat in de openbaring van Christus in de ziel, waarbij Hij zich haar

ondertrouwt. En _toekomende_ zaligheid bestaat in de eeuwige genieting

van Christus, wanneer de uitverkorenen aan het bruiloftsmaal van

Christus zullen aanzitten en altijd met den Heere zullen zijn. Gelijk

nu niemand de _toekomende_ zaligheid zal genieten, die geen deel heeft

in de _verledene_ zaligheid; met andere woorden, gelijk niemand ooit

met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal zijn, wiens naam niet is

geschreven in het boek des levens van alle eeuwigheid, alzoo zal niemand

de _toekomende_ zaligheid genieten, die leeft en sterft zonder het genot

van de _tegenwoordige_ zaligheid;--met andere woorden, niemand zal voor

eeuwig met Christus in heerlijkheid leven, die Hij in dit leven niet

ondertrouwd heeft, door openbaring van zich zelf aan zijne ziel. Naar de

gewoonte der Joden gaf de man ten tijde zijner ondertrouw aan de bruid

een stuk zilver tot een getuigenis, zeggende tot haar: "Ontvang dit

stuk zilver als een onderpand dat gij op zulk een tijd mijne huisvrouw

zult worden." En daarop verwisselden de partijen hunne ringen. Deze

ontmoeting van de verloofde partijen, die dan elkander voor het eerst

zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel

door Jezus. De jonge dochter had van den jongeling gehoord, maar tot

dien tijd had zij hem nimmer gezien, even als zoekende zielen van Jezus

hooren met het gehoor der ooren, voor hare oogen Hem zien. De sluijer

was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk als de sluijer ligt op het

hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in tweeën scheurt van boven tot

beneden. De bruidegom gaf zijne ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als

een onderpand, dat alles wat hij had, het hare was. En alzoo geeft

Christus aan de ziel, die hij zich ondertrouwt door zijne eigene

openbaring, een onderpand, een teeken, eene getuigenis, welke in zich

hebben, de eerstelingen en de verzekering der eeuwige heerlijkheid. De

partijen wisselden hunne ringen als onderpanden van onderlinge liefde

en eeuwige getrouwheid. En evenzoo openbaart Christus zich aan de ziel,

in zijne stervende liefde; wederkeerige verpanding, wederkeerige

beloften, wederkeerige verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde,

hebben plaats tusschen de ziel en Hem. "Deze zal zeggen ik ben des

Heeren en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met

zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren." (Jes. 45: 5). In deze tijden

"in den dag van des konings bruiloft," (Hoogl. 3: 11), is de taal der

ziel. "Ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne

vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de

liefde is zijne banier over mij." (Hoogl. 2: 3, 4). Alle leerstellingen,

begrippen geloofsbelijdenissen, ordonantiën en ceremoniën, bij gemis

van deze geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en

als stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden

van de openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor

de grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het

verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat

is de eeuwige liefde van den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat eeuwige

liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat is

de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in

het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in

den Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods

dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in

mijn oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te

geven, is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in

de hel. Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke verlossing, toegerekende

geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden

keten van den troon Gods nedergelaten in de ziel; de schoonheid,

heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken,

verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de

ziel en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus

alle twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle

ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen

van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten

en tranen, alle bezwijkingen des harten, alle voorgevoel van den dood

en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste

zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in

den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen

van de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een

krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En

wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben

als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde,

gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der

hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist,

of Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch

is al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan

het fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van

zijn gelaat. Iedere zaak van uitwendigen aard, wat meer is, de waarheid

zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's menschen

gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof, wandelen in de

ordinantiën, lange en standvastige belijdenis en alles van slechts

uitwendigen aard, waarop duizenden tot de zaligheid berusten, kan niet

meer de zonde wegnemen, de geregtigheid Gods bevredigen en de ziel

regt op den hemel geven, dan den eed van een vloeker of de ontuchtige

redenen eener hoer.

Indien ons dan gevraagd wordt, "wat is het dat eene ziel zalig maakt?"

antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij

gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil,

die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te

stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht

bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening,

gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen;

noch, in één woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van

zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte

des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging

der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk

geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te

willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch

lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid

aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke

godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen.

Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in

wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid,

wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en

hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen _vergezellen de zaligheid_ en

worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve

of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen

gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid in _begeerten_, want "de

luijaard begeert en heeft niet," noch in _tranen_ want "Ezau weende met

een zeer groot en bitter geween," (Gen. 17: 34), noch in enkel _zoeken_,

want "velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen," (Luk. 13:

24), noch in _willen_ want "het is niet desgenen die wil," noch in

_loopen_, "het is niet desgenen die loopt" en "in de loopbaan loopen

allen, maar een alleen ontvangt den prijs." Ook bestaat de zaligheid

niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan "de

hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding," (Hebr.

6 vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van

Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat in

_natuurlijk geloof_, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt, noch in

_natuurlijke hoop_, want daar is "de hoop des huichelaars die verdwijnen

zal;" noch in _natuurlijke vertroostingen_, want daar is een "wandelen

in de spranken van ons eigen vuur;" noch in _ijdel vertrouwen_, want

"de zot is oploopende toornig en zorgeloos;" noch in het _spreken over

de godsdienst_, want "een praatachtige dwaas zal vallen;" noch in _dat

anderen wel over ons denken_, daar Paulus eens goede gedachten had van

Demas (Phillem. 24), "die de tegenwoordige wereld lief kreeg" (2 Tim. 4:

10), noch daarín, _dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen_,

daar David "zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap

wandelde ten huize Godes" (Ps. 55: 15). Om alles te zamen te nemen, de

zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch,

menschelijks en natuurlijks, want "het vleesch is niet nut" (Joh. 6:

63), en "niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de

kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus

niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven

voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch

is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven

geworpen te worden. Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger

of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligd worden,

gezaligd worden omdat God _hen zalig wil maken_, "dat Hij barmhartig is,

dien Hij barmhartig zijn wil" en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen

behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne

eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig

en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost, geregtvaardigd, levend

gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de

voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den Drieëenigen Jehovah. Hier

is dan het antwoord op de vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?"

1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader,

in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God

den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God den

Heiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als

eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit

is de zaligheid _uitwendig_ en hij, die noch lot noch deel aan deze

zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken

toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de

zaligheid _inwendig_ welke bestaat in de openbaring van Jezus in de

ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende

geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op

de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden

gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen

Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder

aandeel er in. Eenigen van hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen

der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich

af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde,

anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden

gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg,

en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den

ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van

wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch,

anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen

vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des

satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam

door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker

gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en

verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van

gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen;

eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de

bewijzen; eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd

en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods

niet op hen ligt.

Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan

de zaligheid die _uitwendig_ is, zoo stemmen zij allen overeen in

dit punt betrekkelijk de zaligheid die _inwendig_ is, dat het eene

_bovennatuurlijke_ godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker,

eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld

pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen

bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen,

ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen,

zuchtingen, kermingen en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen,

verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne

beschouwingen van de regtvaardigheid Gods in eene heilige wet; al

hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld,

veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met één woord,

al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos

hart; alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot

dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid

van Christus _alleen_, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moet

geopenbaard worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden.

Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier

beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid,

welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er

voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing

iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem

zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond

kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden

wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de

leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God in de

ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren

in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar

zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. "Hunne tafel,"

dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden

te spijzigen, "worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle

vergelding tot een' valstrik," (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste

belijders, van "vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf

zonder vrees." Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in,

onvermengd met heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en

een innerlijk ontzag voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters

nu worden gezegd "de genade te veranderen in ontuchtigheid en den

eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen,"

dat is, door booze werken (Jud. 4, 12). Maar om reden ongoddellijke

menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken

tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen

waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De

stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen,

en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver,

zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare

natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen,

omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf

uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen

der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs

natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld

is, waar het woord des levens ontvangen wordt "in een eerlijk en goed

hart" (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning

van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn

Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten de leerstellingen

der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door

den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht

voort. Dus brengen zij voort: ten eersten _inwendige vrucht_. Van deze

is de eerste _bekeering_, welke bestaat in eene verandering des harten,

eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens, een

keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije

genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarij tot

opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis

tot kracht. De tweede is _Goddelijke vrees_, welke Gods hartdoorzoekende

tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen, zij ducht

zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne

kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht

van zijn aanschijn. De derde is _ootmoedigheid_, welke ontspruit uit

eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke

kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen

uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke

godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van

onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden

onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen,

in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en

nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is _Goddelijke droefheid_,

die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich

openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen

over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn

door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid,

smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en

van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet

meer te zondigen. Eene vijfde vrucht is _hoop_, welke ontspringt uit

wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking

van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde

en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God

aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs

weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige,

bekrompene beschouwingen van God, houdt het vast als een zeker en

houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het

om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing

komt opdagen. Eene zesde vrucht is _liefde_, welke bestaat in liefde

tot _God_, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en

langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid,

weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot

_Christus_ als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand,

als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot

de beproefde, gekwelde en verzochte _kinderen Gods_ als mede-lijders en

mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten van Christus_ als boodschappers

van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers

onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en

ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot

de _waarheid_ Gods die ons vrij maakt; tot het _Woord_ Gods, dat onze

harten heeft ingenomen, en tot de _beloften_ Gods, die ons van tijd tot

tijd bemoedigd hebben.

Deze zijn slechts weinige van de _inwendige_ vruchten welke de

leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder

eenigen twijfel voortbrengen.

Maar behalve deze zijn er ten tweede _uitwendige vruchten_. De zoodanige

zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van

eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der

waarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk;

algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de

kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in

nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in één

woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des

Evangelies.

Zoodanige zijn de _inwendige_ en _uitwendige_ vruchten welke door de

leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden

Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven,

genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne

gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem

te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang,

flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem.

En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke

zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld

op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre

van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke

vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening,

uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en

alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan

bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom

hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem,

die een verteerend vuur is.

~AMEN.~

HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH.

O[1] God wat is het schoon en zoet,

Wanneer men uwen wille doet,

En van uw wegen niet en glijd,

Ter rechter noch ter linker zijd'.

Maar ach! wat is 't een zware last,

Dat ons de zond' zoo ligt verrast,

En brengt ons, buiten ons' vermoen.

Om tegen u gebod te doen.

Hoe zou mijn harte zijn verlicht,

Zoo mijnen weg mocht zijn gericht

Om te bewaren uwe Wet,

Die gij den mensch hebt ingezet!

Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn

Alzoo beschaamt niet langer zijn,

Wanneer ik zoude merken, maar

Op uw geboden allegaar.

Och! dat mij zoo de zonde boeid,

Dat ik niet vrij en ongemoeid

Hier loopen mag in mijne baan,

Ach dat ik moet zoo langzaam gaan!

Een oprecht willen tot het goed

Bevind ik wel in mijn gemoed,

Maar aan 't volbrengen mij het schort,

En daar in koom ik veel te kort.

Den ouden mensch noch in mij leefd,

Die mijnen geest steeds wederstreefd,

En doet mij zulk een groot geweld,

Dat ik niet weinig ben ontsteld.

Inwendig heb ik groot vermaak

In uwe Wet; maar (droeve zaak!)

't Vleesch tegen mijnen geest zich kant,

En neemt ook somtijds d' overhand.

Het goede dat ik zeer bemin,

En garen wil met hart en zin,

Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad

Dat mijne ziel verfoeid en haat.

Och ik elendig droevig mensch!

Wie zal mij geven mijnen wensch,

Dat ik eens moge zijn bevrijd

Van dezen mijnen zwaren strijd!

O Jezus! gij die alles werkt,

En die verslagen harten sterkt;

Geeft dat den ouden mensch verhuist,

En laat mij zijn met u gekruist.

Want gij voor ons gestorven zijt,

Opdat wij zouden 't aller tijd

Der zonder lichaam doen te niet,

En niet meer volgen haar gebied.

Laat mij eens zeggen onbevreesd;

Nu leev' ik eenmaal na den geest,

Ik leve nu alzoo niet meer

Gelijk ik heb gedaan wel eer.

Maar Christus zelve leefd in mij,

Die maakt mij van de zonden vrij:

Is 't vleesch schoon niet volkomen dood.

Zoo vrees ik nochthans geenen nood.

'k Heb Christum door 't geloof gevat,

Die mij heeft eeuwig lief gehad,

En voor mij door zijn dood voldaan:

Wat zal mij dan noch tegenstaan?

Hier op wil ik vertrouwen vast,

Tot dat ik van des lichaams last

Zal zijn verlost, en vleesch en bloed

Niet zal ontrusten mijn gemoed.

God heeft belooft met eige stem,

Dat in het nieuw Jeruzalem

Gerechtigheid haar wooning heeft,

En niets het welk ontuchtig leeft.

Daar zal ik doen, mijn God! en Heere!

Al wat ik wil, na mijn begeere;

Want ik en zal dan willen niet

Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied.

Och dat ik haast mocht komen daar!

Och dat doch haast verschenen waar

Die zal'ge lang gewenschte tijd!

Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd!

Hoe zullen wij U dienen Heere,

Wanneer geen vleesches zwakheid meer

Ons ooit kan brengen tot den val,

Noch zonden-strijd meer wezen zal!

[1] De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille geniet,

is oneindelijk grooter dan de vreugd die men uit eenige andere

voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de volmaaktheid onzer

Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest na zijn eigen

volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid noodwendiglijk de

hoogste verlusting onzer zielen wezen.

BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING.

Ik kom, O God! voor u belijden,

Mijn zwakheid, die aan allen zijden

Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt:

't Zijn dikwijls heel geringe zaken,

Die mij mismoedig konnen maken

En mij bestormen met gewelt.

Ik stel mij voor, iets uit te werken,

En mij kloekmoedig te versterken,

Maar, als de minst aanvechting koomt,

Ben ik benauwt en gantsch verslagen;

En kan niet anders doen dan klagen,

Dat zoo mijn krachten zijn getoomt.

Och wat een strijd voel ik van binnen,

Wanneer ik mijn gemoed en zinnen

Tot u omhoog te heffen meen,

Dat dan het vleesch mij komt bespringen,

om mijn gewill'ge geest te dringen

Met forsche krachten na beneen!

En ziet eens aan met mededogen

Mijn broosheid en mijn zwak vermogen:

Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer

Haar aan het stof gevoelt te kleven,

Doch schenken nieuwe kracht en leven

Na uw getrouwe woord, o Heere!

Wilt mijnen geest doch maken sterker,

Zoolang hij in des Lichaams kerker

Hier dus elendig leven moet;

Tot dat mij eens na deze dagen

Den ouden mensch niet meer zal plagen,

Die nu mij zoo veel moeit' aandoet.

SLUITER.

Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten predikant en den heer Easterman met een antwoord op die gewichtige vraag · 第 4 / 5 段