Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot |
| is verplaatst naar het eind van het gedicht. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
WAT IS HET
Dat eene Zondaar zaligmaakt?
Zamenspraak tusschen een Kappersknecht,
Methodisten predikant en den Heer Easterman
MET EEN
ANTWOORD OP DIE GEWICHTIGE VRAAG
van den WelEerw. Heer
#J. C. PHILPOT#,
waarin de leer onzer dagen in hare velerlei gedaanten,
en daartegen over die van vrije, souvereine genade
in het klaarste licht wordt geplaatst en de laatste
van de beschuldiging van antinomianisme gezuiverd.
_Naar den derden Engelschen druk._
Vertaald door #W. Rs.#
Met een voorwoord van den vertaler, bevattende
zijn bijzonder doel met de uitgave.
L. DORSMAN.--ROTTERDAM.
VOORWOORD.
Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1½ jaar geleden, licht
in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de
meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de
godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar
geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer
letterkennis en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot figuur
kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan zijn van
alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand en
zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd
mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de
waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te
zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in
zichzelf.
Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere
blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook
moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke
onkunde voortgesproten.--Onder anderen herinner ik mij eenen strijd
voor het welmeenend aanbod van genade, de schenking van Christus door
het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de
Bazuin.--Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij
dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden
ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne
bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer
van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing,
roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars,
door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon.
Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging
openlijk uit te spreken;--doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen
den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik
tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de
godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap
ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door
misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de
ellendigen en nooddruftigen te bedroeven.
Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend
geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende
overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist
om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit
werkje, vooral het gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen
en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne
hand.
Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan één oogmerk te kunnen
bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite
stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H.
Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken,
die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve
ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter
vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm
in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid
en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen
verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije,
souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar
integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest
wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen
terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan,
dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels
roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit
volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij
niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal
den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde
dwaasheid en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij
kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid
enz., het koningrijk Gods niet ingaan.
En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van
genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun
heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet
zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) "Zoovelen Hem
aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden,"
maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt:
"_namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede,
noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God
geboren zijn_," opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vóór
de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.--Mogten vooral de
zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften
onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen!
DE VERTALER.
I.
~#Zamenspraak#~
OVER DE VRAAG:
#Wat is de oorzaak van de
Zaligheid des Menschen?#
VOORREDE
Waarde Vrienden!
Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had
opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet
komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt?
Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen
mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden,
en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel
zaligt, dan én de Methodisten Predikant én de Heer Easterman zulks
gedaan hebben.--Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid
ontvangen en behartigd worden door
Uwen zeer verpligten Dienaar
Een Kappersknecht.
ZAMENSPRAAK.
~De Kappersknecht.~ Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn
beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.--Spoedig daarop kwam de
heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen
hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te
wachten op mijns meesters terugkomst.--Even daarna kwam een Methodisten
predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus
aansprak:
~De Predikant.~ Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat
uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt
uit!
~De K.~ Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen
morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid
had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is
waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij
weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij
zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken
vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij
zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen,
om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te
wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen,
daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe
hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig
onderrigt te geven?
~De Pred.~ Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen
onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,--maar ik ben
eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst
verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om
over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door
zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en
inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op
u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden.
Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de
andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt,
om van mij onderwijs te behoeven.
~De K.~ Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet
altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het
oude spreekwoord blijft waar: "zoo lang wij leven moeten wij leeren".
~De Pred.~ Gij hebt gelijk;--ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet
ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat
gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten?
~De K.~ Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te
zijn: _Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf
bevrijdt?_
~De Pred.~ Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet
onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet
ééne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele
zaken, met elkander vereenigd.
~De K.~ Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of
twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd
in één hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om
uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn.
~De Pred.~ Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig
mijne gedachten over zeggen.
~De K.~ Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat
de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is,
van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den
mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten
eeuwigen leven?
~De Pred.~ Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde
de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen
uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.--Maar
wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk
beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet
alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien
overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: "als de kinderen nog
niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het
voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve," moet dat niet
verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden
en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met één blik van
eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der
zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij
al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de
verdoemenis.--Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen
van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley,
Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig
betwist wordt.--Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den
onloochenbaren standaard der waarheid te zijn.
~De K.~ Goed, hierin versta ik u zeer wel.--Maar zijn er niet eenigen,
die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig
worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn
en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een
voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen
de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.--Hij zag
hen later de voorwaarden verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst ten
leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en
verworpen?
~De Pred.~ Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken,
dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig
zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen
en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn
"opregt geloof" zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne
gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook
voorziet dat zij weér veranderen zullen en bokken worden, haat Hij
hen.--Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode,
volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien
kan.--Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is
verlossing, wedergeboorte enz. vòor wij zalig kunnen gemaakt worden.
~De K.~ Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de
verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is?
~De Pred.~ Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven
op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de
bevrijding des menschen van de zonde.
~De K.~ En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven,
dood en opstanding?
~De Pred.~ Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle
ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den
boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God
gebragt. "Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed." Dit is de taal der
Schrift over het einde der verlossing.
~De K.~ En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die
verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom?
~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk individu van het menschelijk geslacht.
"Hij gaf zich zelven voor allen," "was een rantsoen voor allen,"
"stierf voor de zonden der geheele wereld," "smaakte den dood voor
alle menschen," enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo
enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van
het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat
Hij voor allen te gelijk stierf.
~De K.~ Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij
dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is:
_hoe een zondaar gezaligd wordt?_ Indien Christus voor allen stierf, hen
van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt,
dan is dit zeker _de verlossing door Christus_ en regtens zullen alle
menschen zalig worden.
~De Pred.~ Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver.
Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten,
de ~voorwaarden~ die door den mensch moeten volbragt worden om de
verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in
zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen
God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid
door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet
toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen
u ten gids zijn.
~De K.~ Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om
de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen
dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij
mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het
kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor
allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen
geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden
volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon
zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken.
Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden?
~De Pred~. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door
hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne
verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door
het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen
veelvoudig vermeerderen.
~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks
te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren
zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen
zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als
wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende
als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de
Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet
ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus
voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch
zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden
gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus
dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis
voortbrengt.
~De Pred~. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte
voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig
worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben
willen hooren?
~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij
herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe
gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods.
~De Pred~. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering.
~De K.~ En waardoor roept Hij de menschen daartoe?
~De Pred~. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of
andere wijze geeft om winst mede te doen.
~De K.~ En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen
in staat stelt om de geboden Gods te betrachten?
~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben
genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden
gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade
ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen
verharden zich en blijven in hunne zonden.
~De K.~ En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade
om hunne zielen te behouden?
~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt
geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle
hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke
zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden.
~De K.~ Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten,
de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.--En indien zij al
deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn
het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik
zalig worden.
~De Pred.~ Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken
deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het
andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij
ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden
ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne
aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren
weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren.
~De K.~ Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en
twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik
bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien
kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid
ligt, Mijnheer ~Easterman~, gij zijt tot hiertoe stil geweest,
ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij
zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen?
~De heer E.~ Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw
gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die
zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de
predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar
zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des
menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede
wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij
ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten
verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing
is.
~De K.~ Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, zóó
zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind
waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand
ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren.
~De heer E.~ Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en
ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing
door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle
menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den
vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk
verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing
ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch
ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het,
indien niet, hij mist het.
~De K.~ Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars
zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de
middelen, die Hij heeft voorgeschreven?
~De heer E.~ Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want
hij zegt, God roept _alle_ menschen, en eenigen, wanneer zij hooren,
gelooven, zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en zaligheid van
God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets.
In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het geval
is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid van hen
die hooren en gehoorzamen.
~De K.~ Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen
wedergeboorte, geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest
des Heeren, zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in één woord:
zijn ware Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht
des Geestes, vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de
vereischte voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak
der zaligheid zijn.
~De heer E.~ Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt
hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods
staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij
den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het
goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus
deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo
dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het
goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,--alles
wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,--al wat God de Geest
gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,--en de volbrenging der
voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen,
want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden
doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de
zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: "Bij mij is het
niet."
~De K.~ Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want
waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in
eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen
Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven;
en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet,
want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot
de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder
boven den Zoon achten?--Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien
van de heiligen zal ik mij wenden?
~De heer E.~ Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen
vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter
bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt _vrije wil_; doch
hetgeen _ik_ noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer
dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer
God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op
de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus
verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of
de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des
vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil
des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt,
benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des
vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet
gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien
tot _deze aanbiddelijke en verhevene zaak_, de wil des vleesches.
~De Pred.~ Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van
ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des
vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren
dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen
kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het
licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: "dat
een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een
ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch
verrigten." En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel
van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden,
maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee
talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God
hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet,
zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de
bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt.
~De Heer E.~ Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den
kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost;
maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het
volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches
zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het _moet_ zoo
zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want
gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde
wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft
hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de
roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die
men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest
Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade
in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een
schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de
verdoemenis.
En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging,
want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst
mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij
zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om
den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden,
ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad
zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent
moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u
of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vóór hij het
talent ontvangt? _Niets, niet met al_, gelijk door u beide beleden is,
slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het
talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt
het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij;
doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en
niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet
toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches
vóór hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op
aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor
u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost,
dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet?
~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de
zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons
zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen
der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling
der conditiën en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles
gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen
worden.
~De heer E.~ Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de
wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb,
en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatiën
met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen
en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem
behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven
tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen,
te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen
schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid
voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor,
moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen,
dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en
een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het
iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon
velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen
zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat
een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en
gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des
geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en
verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de
taal der wijze maagden tot de dwazen: "Niet alzoo, opdat er misschien
voor ons en voor u niet genoeg zij," want ik heb niet meer genade dan
om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt
zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade
te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het
alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem
zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen
troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven?
Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en
zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten?
En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: "die man is
een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het
begeert, heeft hij niets om te geven." Laat mij u raden, uwe spotternij
te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die
het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch
u de eer geven over iets te beschikken.--Neen; het is Zijne eigen regt
en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne
genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt.
~De Pred.~ Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een
Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens,
die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid
is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den
grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of
iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij
prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en
gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven,
prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen
vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen
in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen
ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen.
~De Heer E.~ Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer
van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele
pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik
ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen
van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in
andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is
niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch
Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere
Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.--Ik schaam mij niet te
bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde,
vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten
Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden
worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: "Indien zij het regt
hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben," zoo algemeen in de monden
der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt
voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien
God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig
kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen
niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat
engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch
de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft
den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade
vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet
verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot
een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij
zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij
het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog
toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch
gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in
Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot
God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te
bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen
wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne
zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene
zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: "de
vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven," en
de vrouw: "die slang heeft mij bedrogen" enz. Maar wij hooren geen van
beiden zeggen: "Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en
tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar
daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te
vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn." Tot zulk eene
diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Simeï vloekte David;
toen zeide Abisai tot David: "Laat mij toch overgaan en zijnen kop
wegnemen." "Neen," zegt David, "de Heere heeft toch tot hem gezegd:
vloek David." Nu, had iemand Simeï verweten den gezalfde des Heeren
gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo
mogt hij geantwoord hebben: "God besloot mij toe te laten om David te
vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God
bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt,
kan ik geen onregt doen in de uitvoering." Doch wij lezen niet dat Simeï
zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen.
De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden,
zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood,
naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods
hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide
Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden
van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden:
"Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben,
deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon
niet uitgevoerd zijn." Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie
tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt
werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering
zijn gekomen om te zeggen: "Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen
ongelijk hebben." Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God
ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten,
om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze
geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij
invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te
hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de
Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te
misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als
waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden,
de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het
ongelijk te zijn, "van welke het einde zal zijn naar hunne werken!" Wij
gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne
eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen
bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door
welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen
zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God
niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het
ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot
het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds
verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo _moet_ het alzoo geschieden
of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en
dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het
onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde
dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen
bevonden worden.
Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik
zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het
voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij
moet weten wat gij gelooft. Maar "o mensch! wie zijt gij, die tegen
God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft,
zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?"
~De Pred.~ Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer
broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij
niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten
Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen,
want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade
zal behouden, zult gij zeggen: "Indien God mij hebben wil, zal Hij mij
wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik
ook doe." Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den
mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte
harten hebt.
~De heer E.~ Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles
werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een
gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch
af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof
te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet,
en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal
komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de
aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat,
wanneer Hij henen zou gegaan zijn,--Hij wederkomen zou en hen tot
zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij
in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond
en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons
voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe
roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan
medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen!
En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en
Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in
onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest,
ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te
verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen
zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch
geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij
uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar
zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt
de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen
kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst
kunnen slaan en uitroepen: "O God, wees mij zondaar genadig!" of "Red
ons Heere! wij vergaan!" Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde
aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in
hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: "Laat ons het kwade doen,
opdat het goede daaruit voortkome." Wij verheugen ons gerangschikt te
worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij
onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn
geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door
denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in
zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk
deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van
den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen
zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden
van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt
eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat
zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate
verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart.
Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant
der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat
ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is
ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig.
Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd
worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der
waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag
zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den
weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze
zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want
wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont.
~De Pred.~ Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook
de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen
stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne
woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van
Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar
welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen?
~De K.~ Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed,
geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is
althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe
stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want
gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet
uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus
alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de
voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij
gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen.
Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en
eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten,
gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met
God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder
onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan
onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des
zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen,
want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden;
niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle
menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de
roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij
zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het
geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal
verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze
dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden.
En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des
vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude
verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat
dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken?
~De Pred.~ Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij
thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept.
II.
EEN ANTWOORD
OP DE
~GEWICHTIGE VRAAG~:
#Wat is het,
dat eene zondaar zalig maakt?#
DOOR
#J. C. PHILPOT.#
VOORREDE.