Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde,
verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet
thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven
zitten om eerst met hem af te rekenen?
Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al
ingedacht, dat ze aan 't koken of aan 't koffiezetten zou wezen,
zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom,
te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als 't nou maar geen tranen
en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!
Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep,
haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen
hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij
niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en
neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij
haar soms niet zag aankomen. Ongerust voelde hij zich worden terwijl
hij staarde naar 't wijkende licht van de vriesdag, die boven de al
zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte,
onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de
ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden,
waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn
geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde
hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel
te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is 't! Nee-nee, dat zou
niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo'n veronderstelling,
was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij
't hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer
heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.
Zeker, als 't lekker warm was en 't licht brandde, zou ze, als ze
straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook
beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen
donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde
branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij
hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.
Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij 't
raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels
zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf,
waarin de menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem
om d'ooren.
Bij 't binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij
vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor
vernam gestommel op de trap. M'n God, dat zou toch voor hem niet
wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam
toe, luisterde in harteklop. 't Gestommel op de trap werd luider, kwam
hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen,
doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.
Het voorgevoel nam in een paar tel 't begrip van zekerheid
aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk
overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over
al zijn leden bevend.
't Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid,
gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen,
hij moest het weten.
Plots hoorde hij roepen.
--Baller... Baller...
Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch
in 't donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en
gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z'n naam.
--Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend,
beducht om de waarheid te vernemen.
--Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!
Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:
--Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma'r liever wat bij.
Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de
peer uit de hanger, boog zich over 't hek, òm wat licht in de donkere
trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in 't afgewasschen
en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren
naarboven sleepten. 't Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een
nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen
woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan
terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven
scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van
jammerklachten.
De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze
keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:
--Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer 'an
te doen!
't Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en
niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij
rukte zich los, schreeuwde:
--Wat? Wàt zei-je daar?
Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok
hem nu onweerstaanbaar aan. Hij stortte zich op haar neer, riep
hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.
--Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt
niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan
één woord!
Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen
kik te geven; 't geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige
betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens
kreet hij weer:
--Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw 'n dokter.... om 's
hemelswille een dokter!
Een van de mannen sprak nu hakkelend:
--'t Zal niet meer geve.... de dokter is d'r al bij geweest.... de
schedel gebroke!
--Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!
Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af,
tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat
over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen
zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte
hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van
't geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de
weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.
De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op
zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; 't liet zich
wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stond al op
de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O,
zooals hij dacht, de meid zei kalm:
--De dokter is niet thuis!
Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep
weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes,
om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar 't scheen
of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de
vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M'n
God, z'n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant, om niet
af te dwalen, niet te ver van honk te raken,--en eindelijk zag hij
't naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. 't
Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig,
dat ze van 't werk werd weggehaald, bitste:
--De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn
niet doóf!
--Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.
Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er 't zelfde bescheid,
en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij
de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden,
hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar 't
besef dat hij schuld meedroeg aan z'n vrouws ongeluk zwiepte hem
opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had
bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los,
zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. In starre woede belde hij
aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde;
en hij schold en schimpte al te voren.
Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het
onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat
hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee
bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij 't ook nu nog
niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al
te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen
al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep
te razen.
't Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in
sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis
terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder
adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja,
nou zou hij 't spoedig hooren, nou zou hij 't weten of er nog
hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat
in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken
fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge
trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In
een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op 't overloop moest
blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar
een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich,
nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaard schoof hij de kamer
binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:
--Geen dokter te vinden!
De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze
fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan
met open oogen.
Angstverwekkend stond de stilte in 't vertrek. Dan ging een van de
vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei
zacht dat hij zich nu kalm had te houden.
De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze
de doode moesten afleggen, anders werd 't lijk te stijf.
--Wat zeg-je d'ervan Baller?
Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen,
't was of hij versteende.
--Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?
Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van
zenuwkramp.
De vrouwen moesten nu toch besluiten, 't was zondagavond, en geen
had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... 't moest dus
gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen,
maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij
schudde Baller weer door elkaar, zei:
--Hè, geef 'es antwoord... waar is 't goed? D'er lig niks!
--'t Goed? 't gòèd... dat weet 'k niet!!
--Zit dan niet te suffe... kom 'es kijke!
Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de
kast. Dan werd 't voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu
weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:
--Ze hèt 'et mee genomen... o God, ik weet 'et niet waar 't is
gebleve... 't is weg!!
Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden
zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar 't linnengoed kon
wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.
Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw
van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af
te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos
naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en
wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te
grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een
schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag,
het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder 't vale haar, hij
herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond,
toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken
en dat maakte hem wild.
--Ik hoû 't niet uit.... ik hoû 't niet uit! gilde hij. Schuw sprong
hij op, jaagde de trappen af naar beneden.
De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat
er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.