Baller holde voort zonder bezinning.
Straat-uit, straat-in jakkerde hij door, liep zich buiten adem. De
verschrikking joeg hem al meer op. 't Was zijn schuld... zijn
schuld!! Dat ze per ongeluk onder 't paard raakte, kon hij niet
gelooven, ze had 't zelf begaan om hem te straffen, om uit haar leven
te komen, hem daarmee te vervolgen. Haar bedreiging van gisteravond
zag hij schrikbarend groot. Heel zijn eigen misgegaan leven, al zijn
misse daden sloegen fel voor hem op, gingen hem aanklagen.
De vrieskoû snerpte venijnig op hem in, hij voelde die koû niet, voelde
niet zijn leege maag, voelde niets, hij zag enkel haar harde blikken,
die in de dood nog zoo verstrakten. De schimmen van zijn kinderen
rezen er bij op, en zijn verbeelding werkte, 't werd als vuur en
vlammen voor zijn oogen. M'n God, m'n God, wat had-ie dan toch gedaan
om 't zoo te moeten ontgelden!! Al feller werd zijn ontzetting, al
angstiger zijn gedachten. Hij joeg zich in zweet tot hij niet meer kon.
De rille koû, die hem voortdurend in 't gezicht sneed, brak
zijn angstende opwinding, en de gladde straten dwongen hem tot
omzichtiger gaan. Van lieverlee lieten de schrikbeelden wat af,
kwam hij tot klaarder denken, en tot meer bezinning. Wat gaf al dat
gekerm? 't geval lag er en hij moest het aanvaarden, daar ging niets
van af. Hij zou maar naar huis terug keeren; aan de buurvrouwen kon
hij de bereddering toch niet alleen overlaten.
Maar o, terwijl hij dit bedacht beving hem opnieuw de schrik. 't Was
of hij haar nu nog dreigender voor zich zag--en vanzelf begon hij
weer harder te loopen, alsof hij 't daarmee kon ontgaan.
Bij de oprij van een brug glipte hij uit, viel, bonsde met een smak
neer. De dreuning sloeg hem in zijn rug, door zijn hersens heen, zoodat
hij even moest blijven liggen om de pijn te laten verdooven. Bij 't
opkrabbelen bezeerde hij nog zijn handen. Kreupel van de pijn liep,
kon hij haast niet voort en dit dwong hem van zelf de kant op naar
huis. Doch vlak bij de straat keerde hij weerom. Nee, 't ging niet,
hij durfde niet naar boven! Eerst een borrel pakken dan zou 't gaan!
Ondanks al zijn pijn in dij en heup hinkte hij toch een paar straten
terug, hier in de nabijheid van z'n huis dorst hij geen kroeg in te
slippen, al klapperden hem de tanden. Hij zocht de centen vooraf bij
elkaar, sloop een proeflokaaltje in alwaar hij anders nooit kwam,
bestelde met hokkende stem, slikte de borrel met een enkele slok
naar binnen. Hij voelde best, dat hij eigenlijk slecht deed door nu
jenever te drinken, maar hij kon niet anders.
Voetje voor voetje sukkelde hij naar huis terug, en de pijn ging ook
wat minderen. 't Licht scheen boven nog te branden, de vale kringschijn
van de neergedraaide lamp zag hij schemeren op 't gordijn,--en dit
stelde hem eenigermate gerust; geheel in donker zou hij niet naar
boven durven!
Op handen en voeten bijna om geen gerucht te maken, kroop hij de
trappen op. Zoûen de buren allen zijn weggegaan of zou iemand er nog
waken? Die gedachte alleen maakte hem alweer angstig. Telkens moest
hij stilstaan zoo erg voelde hij de eigen harteklop. Als een booswicht,
een inbreker kwam hij in zijn eigen woning.
De deur stond op een kier.
Aarzelend duwde hij die verder open, bleef weifelend op het portaal
staan. Wat had hij hier eigenlijk te verrichten? De bedstee gaapte
wijd open...
Een nachtlichtje brandde op de bedsteeplank, beglemerde de doode,
die onder een wit laken lag, becirkelde met een zwakke lichtglans
't gordijn, waartegen hij gisteravond zelf had gezeten.
In 't heele vertrek verroerde zich niets, alles leek te slapen of
te zwijgen. Hij kon niet besluiten binnen te gaan, bleef tot aan
de ingang treuzelen in vreemde, strakke ontroering. De vrouwen
hadden haar al ontkleed, alles in orde gebracht, wat kwam hij dan
nog doen...? Bidden om vergeving, bidden voor haar ziel...? Hij zou
't willen, kon hij 't maar! Als iemand hem hier zoo eens zag staan,
wat zoûen ze van hem denken, hij had niets misdaan.... en toch!
Op zolder viel wat om. Hij schrikte, wilde de trap afijlen. Daar
hoorde hij de deur beneden openslaan en iemand de trap opklotsen. De
stap kwam hooger, hooger. Angst te worden betrapt van niet in zijn
eigen woning te durven, dwong hem bevend de kamer binnen. Hij hijgde,
luisterde vol vrees. Nee, de stap ging niet verder... een van de tweede
verdieping! Nou, des te beter. Hij liet zich op een stoel neerzakken
en huilde zonder tranen, een zware, scherpe snik die zaagde door zijn
benauwde borst en die hij niet durfde vrije lucht te geven uit vrees
voor de doode.
Alles stond nu rondom beklemmend stil. Het huis scheen weer te
slapen. Van buiten drongen òp de vage geluiden, die voorbijgangers
met elkander mompelend spraken; anders niets.
Langzaam-aan voelde hij zich hier rustig worden. 't Zou toch wel gaan,
dacht hij eindelijk.
Plots piepte de deur open.
Hij schrikte geweldig.
Zijn adem stokte.
Hij moest zich krachtig houden om niet van zichzelf te vallen; hij
rilde over al zijn leden.
De klok was stil gaan staan, dat maakte het nog geheimzinniger
en stiller.
Minstens dacht hij een geest te zien verschijnen, doch er kwam niets.
Na een oogenblik hoorde hij gekrabbel,--en nu vermoedde hij wat 't
was. 't Kon de kat wel wezen. Waar was die gebleven? Daar zag hij de
witte kop door de deurgleuf steken... hij herademde.
De poes schuchterde binnen, miauwde vragend, voorzichtig, tippelvoette
kleintjes op hem toe, streek nu de hoog-opgezette rug tegen zijn
knie. Hij dacht opnieuw aan gisteravond, en 't huilen overweldigde hem,
hij kon niet bedaard hier blijven zitten.
Om die huilkramp te ontgaan stond hij ijlings op, zei:
--Ja poes, 'k zal es kijke of er wat voor je is!
Een restantje melk vond hij in de kast, goot het op een schoteltje,
deed wat water erbij. Hij had moeite het zonder storten op de grond te
zetten, zoo snorde de kat om zijn handen en beefden zijn eigen vingers.
Het roode kattetongetje hevelde dadelijk gretig over 't volle bordje
en even pakte hem dat. Vol aandacht zat hij daarnaar te kijken.
't Schoteltje raakte leeger, al leeger. De kat likte weg de laatste
druppels, bleef vragend kijken, miauwde weer.
--Ja poes, 'k heb niet meer!
Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd, zoo vreemd alsof die van
ver-weg kwam.
De poes liep eenige keeren rond, de kop en staart omhoog, alsof
ze zocht.
Dan met een gladde wip sprong ze op de stoel... rekte de hals en
sprong o gruwel op 't bed.
Van schrik schokte Baller op, joeg de kat weg. 't Olielichtje
spetterde ervan.
Zou-ie zelf durven... nieuwsgierigheid beving hem om te zien of ze
er nog zoo verschrikkelijk uitzag. Hij tipte aan de doek, die over
't hoofd lag gespreid, maar schrikte van zijn eigen moedwil.
De poes snorde nu tegen zijn schenen aan. Hij keek langs zijn lichaam
naar dat geaai, dat hem vreemd-rillig maakte. Die streeling kwam hem
niet toe... was voor z'n vrouw. Nu leek 't hem of de poes weer op
't bed wou springen. Nee dat niet! Hardhandig nam hij haar op, bij
de hoogende rug, sloot 't beest buiten.
Twijfel woelde in hem om naar 't bed terug te keeren, of hier op een
afstand te gaan zitten. Drang om te zien dreef hem naar 't lijk. Kom,
kom, zei hij tot zichzelf, wees nou geen kind!
Voorzichtig, toch handbevend, nam hij de doek weg. 't Viel mee.
Het gezicht had een zachtere uitdrukking aangenomen, maar de wonden
teekenden zich sterker. Een oneindig medelijden omwond hem zacht,
hij voelde de tranen in zijn oogen aandruppen, voelde aandrang de
mond die half open lag, te kussen.
Op dat oogenblik viel er boven weer iets om, maar hij liet zich
niet van streek brengen, al wankelde hij ook op zijn beenen. Diep
boog hij zijn knokig hoofd om haar lippen te drukken, maar onder dit
neernijgen zag hij weer iets verschrikkelijks: de oogleden gingen open
trekken. 't Ging langzaam, zóó langzaam, dat 't bijna niet scheen te
vorderen, maar ze weken toch. Star keek hij ernaar. Een glinsterende
spleet werd tusschen 't bleekweeke van de oogleden zichtbaar. 't
Leek of haar wezen, of al haar trekken zich veranderden, weer harder
werden. Hij greep zich aan de bedplank vast, bleef kijken, verstijfd
door die langzaam zich openende oogen, die al gebroken waren, het
licht geschicht.
Zijn eerste beweging om die oogleden weer toe te drukken faalde;
zijn hand weigerde en kwam niet zoo ver.
Van ontsteltenis week hij een eind terug, hij durfde nu niet te
naderen.
Hij keek, hij keek. De trekken werden harder, de oogen grooter ondanks
het gemis aan licht en ineens werd hij bewust, dat zij daar weer lag
als vanavond, dreigend, dréígend.
De oogleden waren nu geheel open. 't Olielicht cirkelde een vreemde
schijn op 't lijkgezicht, dat in de trilling van 't licht ging leven.
Dan stootte hij een kreet uit van ontzetten, week terug:
Erbarmen.... erbarmen!
De oogen schenen nog strakker te staren. Baller vol angst keerde zich
om, maar de dreig-oogen vervolgden hem; die zag hij overal.
De benauwing brak hem uit naar alle kanten. Hij wist zich niet meer
te bergen of te wenden. De werkelijkheid leek hem minder erg dan al
die grijnsgezichten. Om hieraan te ontkomen keek hij weer naar 't
lijk in de bedstee, alsof dat helpen kon. De oogen staken nu strak in
't magerharde met wonden bedekt gezicht.
Weer deinsde hij van ontzetting een pas of wat terug, dorst zich
niet omkeeren uit angst, dat er wat anders zou gebeuren, dat zij hem
bij de kraag zou grijpen. Met de handen, afwerend, waarop elke pees,
elke ader strak stond gespannen, week hij achterwaarts uit, om maar
weg te komen. Zooveel begrip had hij nog, van de deur achter zich toe
te trekken, uit vrees dat de kat mocht binnensluipen, die, wie weet,
het lichaam nog meer zou toetakelen.
De deur nu afgesloten gaf hem 'n weinig van zijn denkkracht
terug. Stil, bang voor eigen bewegingen, sloop hij naar beneden.
Hij herademde eerst toen hij beneden stond, maar zijn tanden
klapperden nog, zijn leden bibberden en beefden. God-in-d'n hemel,
wat 'n gezicht.... wat 'n gezicht!!
Vol schrik keek hij nog even naar boven, alsof die wreede,
verwijtend-harde oogen hem nog zouden kunnen nagluren. Maar nee,
hij zag gelukkig niet anders als de kringschemer van 't licht op 't
gordijn. Dan huiverde hij geweldig, keerde zich in afschuw om,--en
van nieuw begon zijn jacht door de straten.
Hij had nu geen ander doel dan ver van huis, vér van die verschrikking
te komen, en toch joeg telkens de verwarrende angst hem naar zijn
woning terug. De trap durfde hij niet op, maar van straat-af kon hij
teminste naar 't venster, naar de kringschemer kijken. Hij was zeker
dat er nog iets moest gebeuren.
Maar voor 't raam bleef alles onwrikbaar 't zelfde; er veranderde
niets. Een vage spijt welde op van de kat niet te hebben binnengelaten,
dan zou er in elk geval wat gebeuren.... misschien kwam er dan een buur
boven om te kijken. Dat eeuwige stille schijnsel, 't onveranderlijke
van die schemerkring op 't gordijn maakte hem razend. Hij wou
weten. Die schemerschijn leek hem op 't laatst zelf als een dreigend,
'n starend oog, en soms meende hij haar trekken erin te lezen.
Weer sloeg hij op de vlucht, keerde terug en vluchtte opnieuw. En
nu moe, doodaf strompelde hij einden en einden door, zonder ware
bezinning, tot hij buiten de bebouwde kom raakte en vanzelf halt
bleef houden. De stilte en de eenzaamheid benauwde hem nu hier, joeg
hem naar de drukte van de stad terug in alle ijl. Hoeveel maal hij
al in de straat was geweest wist hij zelf niet, aldoor zag hij die
schemerkrans op 't gordijn, die bleef dáár altijd.
In arremoede sloop hij nu naar boven. Halverwege hoorde hij de
kat miauwen,--en hij zag ineens weer de opspooking van zijn vrouw,
die als een schim opgerezen, nog de wacht hield bij de deur, hem de
toegang zou beletten.
Hals over kop keerde hij terug,--en nu dorst hij niet meer in de
straat te komen, zocht de drukke, woelige gedeelten van de stad
op. Hij moest menschen, veel menschen om zich hebben.
De avond bleef grimmig hard koud, al vroor het niet meer zoo sterk.
De sneeuw, overal plat getreden, lag versopt en vergoord, als gruizels
grauw zout. Aan de hemel bleekten sterren, en de maan die langzaam
opdreef, verlichtte vaag de bovenkant der huizen.
In de drukke straten wriemelde 't zwart van uitgaande menschen. 't
Geleek in 't rosse lantaarngeglemer, bij de gesloten winkels, 't
gewroet van een mierenhoop. Hiertusschen voelde hij zich wat bekomen.
Maar na een paar uur loopens, nu de straten zich wat leegden, groote
plekken in vager grauw verkeerden, hinderde hem de luidruchtigheid,
't vroolijk-zijn van al die naar-huis-gaande zondagsgangers. Zonder
't zelf te weten dreef hij weer af, de eenzaamheid verkiezend boven al
die rauwigheid, tot hij opeens zich bevond tusschen een zwarte stroom
van volk, die uit een schouwburg hobbelend aan-golfde. Gewillig liet
hij zich meevoeren in de voortschokkende groepen, die 't hadden over
de held op de planken. Hij herkende stemmen, zag de Hesselaars met
een flinke pas hem voorbij stevenen. Hij wou ze aanspreken, schaamde
zich voor zichzelf, en gelijk waren ze al een eind verder. Ze hadden
elkaar onder de arm, spraken luidruchtig, stootend tegen elkaar als
twee drijvende schepen. Wat schenen ze goed gemutst, die twee! En
toch, die Hesselaar dronk ook z'n spatje, maar zij was dan ook een
heel ander wijf!
Terwijl hij dit zei, voelde hij ook, dat Hesselaar een heel andere man
was dan hij, een kerel, die wel 'es een borrel nam, toch flink wist
aan te pakken. Laag, z'n dooie vrouw nou nog te bekladden! Nee, nee,
't had meer aan hem gelegen dan aan haar. Waarom wou-ie zich toch in
eigen oogen beter maken dan hij was? Hij walgde van zichzelf.
Aldoor zag hij nog de Hesselaars, die stevig-ruchtig voortstapten. Ze
dachten niet aan hem en zijn verongelukte vrouw, al waren ze, in de
vooravond nog zoo vol meewarigheid. Dat zag hij best, ze liepen flink
voort, om in 't Maastrichtsch bierhuis nog een glas te kunnen drinken,
en hij sukkelde achterna, dacht er zelfs niet aan ze te vragen of
hij bij hen vannacht kon slapen. 't Kwam eerst later bij hem op,
toen hij allang weer alleen liep rond te dwalen. Maar nee, bij de
Hesselaars zou hij niet kunnen gaan, want die wisten al te goed hoe
de vork in de steel zat; die wisten, dat ze weg-liep, zich dus van
kant maakte om hem!
De straten leegden zich alweer, en de koû voelde feller aan. De maan
steeg hooger en ook de sterren twinkelden klaarder. 't Licht der
lantaarns leek blank, vlamde ver-ver uit. 't Was een mooie avond,
doch koud, bitter koud!
De kroegen zouden gauw gaan sluiten, nu kon hij nog eentje nemen. Veel
had hij niet in de zak, een stuiver of drie, maar 'n borrel gaf allicht
warmte en moed om de nacht door te komen. Heiligschennis leek 't hem,
evenals vanavond, nu een kroeg in te sluipen. Toch, hij kon niet de
lange nacht zóó blijven ronddwarrelen. De geheele dag had hij nog
niets in zijn maag gekregen.
De kroeg was vol.
In de vensterbank van 't kleine proeflokaal weggedoken, voelde hij
eerst recht zijn moeheid. Hij kon bijna niet meer opstaan, zich niet
bewegen, bleef plakken en verteerde zijn volle drie stuivers. Tot tijd
van sluiten kwam en de kastelein waarschuwde. Dan sprak hij zich zelf
kracht en moed in, zei: vooruit! sleepte zich naar buiten.
De nachthemel stond nu helder-strak en 't vroor weer fijntjes. Over
de eenzame, besneeuw-ijsde grachten glimmerde de maan heel bleek. De
lantaarns langs de kant schenen hem zooveel oogen die toekeken,
hem herinnerend aan de verwijtende blik van zijn vrouw.
Vol vertwijfeling begon hij weer te loopen. De drank verhitte
zijn hoofd, en de wegen waren vervloekt-glad, zoodat hij telkens
struikelde. De dij-pijn al geslonken en vergeten, schrijnde weer
op. Vele straten langs liep, sjokte, sukkelde hij voort,--en een nare
spijt sloop in hem van de Hesselaars niet te hebben aangesproken.
Bijna ongemerkt raakte hij in zijn buurt terug.
Een onweerstaanbare behoefte dook bij hem op om iets van 't huis
of van 't gordijn te zien. Ook de mogelijkheid van sterk te kunnen
zijn en naar de kamer terug te keeren. Maar nu hij naar boven keek,
zag hij geen licht, geen schemerschijn zelfs.
't Gordijn dofte egaal en onbewogen.
't Licht was dus uitgegaan!
Nu hij nogeens scherp keek, zag hij zelfs, dat het raam een eindje
stond opgeschoven. M'n God wat was er nou weer gebeurd!! En 't gordijn
bewoog zich ook. Nee, nee, voor geen geld van de wereld ging hij in
't donker naar boven. In 't donker br!! Als de dood zelf keek hem
dat egaal-witte gordijn aan.
Van schrik voelde hij zich verlamd, als vastgenageld, tot hij opnieuw
't gordijn bewegen zag. Het joeg spook-vermoedens in hem op, dat zij de
trap-af, de deur-uit zou komen, hem overvallen. De ontsteltenis greep
hem nogmaals aan,--en nu voorgoed ging hij aan de haal, besloot hij
op straat te blijven. Kopverloren liep hij door, liep al-maar door,
tot hij op 't laatst niet meer kon; hij zocht een bank in 't plantsoen
op om op te rusten.
De boomen stonden rondom zwart, de dorre takken als veelvoudige armen
opgewrongen naar de vrieslucht; een koude wind omrilde hem hier op de
bank. Het schrikbeeld liet hem hier evenmin met vree. Al zei hij zich
ook, dat het lichtje gewoon uitbrandde en een buurvrouw wel 't raam zou
hebben opgeschoven voor versche lucht, dat 't bewegen van 't gordijn
door de tocht ontstond, 't hielp niet, z'n vrouw met haar gewond,
bloedbesmeurd gezicht, de oogen dreigend-strak, wou hem niet met rust
laten. Hij zag die oogen overal, onmogelijk kon-ie ze ontloopen!
Hij begreep 't klaar, heel klaar en zeker, niet zij had moeten
doodgaan, maar hij. Wat had hij hier te doen, wat deed hij nog op deze
wereld? Niks! En nou kwam zij om hem spoken. Al spraken de menschen
van een ongeluk, hij voor zich geloofde daar niet aan! Ze had 't
zelf gedaan, had zich onder 't paard gegooid om van haar kwelling
af te wezen. En dat alles door zijn schuld, zijn schuld alleen! Nee,
nee, hij moest dood, niet zij. Hoe kon hij hier nog zitten, terwijl
zij daar al koud lag? Was-ie dan heelemaal een mensch zonder bloed,
zonder gevoel? De wanhoop had haar aangegrepen, aangedreven--en hij
zat hier 't geval te overleggen. Hoe was 't mogelijk? Zijn kinderen
dood, zijn vrouw dood, en hij bleef over....
Heel de eenzaamheid van z'n leven viel versmorend op hem neer. Nee,
hij moest loopen tot de eeuwige dag, eeuwig zwerven, om voor zijn
straf eens kwijtschelding te krijgen.
Achter hem in 't dorre hout meende hij te hooren ritselen. Sluippassen
gingen over de harde bodem, 't was of de geest der verschrikking op
hem afkwam, of die hem bij de schouders greep, hem op deze bank zou
knevelen, om hem dan langzaam-zeker dood te laten vriezen. Hij keek
verwilderd om, lachte om zijn eigen rauwe verbeelding, schokte ontzet
op, om weg te vluchten.
Opnieuw ijlde, joeg hij angstbezweet door de nachtelijke straten. Hij
liep voort, zonder ophouden, tijden en tijden, zonder zich van iets
rekenschap te geven. Tot de morgen vaal opspookte met een ijsende
kou. Hard en hol klonken op de groote stappen van de vroegelingen,
die naar hun werk toegingen. De dorre stakeboomen lekken hem nu
ineens grimmig, dreigend. Een enkele kar met melk die van buiten werd
aangereden, ratelde over de straf-bevroren steenen,--en 't geluid
schokkerde hem fel in de van kou-tintelende ooren.
Hij kwam weer aan het plantsoen, om daar ergens te gaan zitten, doch
de angst hield hem gevangen, zweepte hem voort. De dag brak aan. Was
dat om af te wachten? Hij kon toch niet blijven voortloopen. Wat
voortloopen? Geen recht had hij te leven... hij dorst niet terug naar
zijn woning, waarheen moest hij dan? Zij zou hem daar opwachten. Nee,
nee, liever maakte hij zich van kant!
Voor hem lag de gracht grauwig-grijs, een vuile blankheid van sneeuw
gesmolten en weer saamgevroren, bij gedeelten doorzichtig-glad en
wrakkig-ruw. 't Ging gemakkelijk daarop te stappen en erdoor te
zakken. Hij lachte en huiverde tegelijk. Br, wat was 't koud... om
te rillen. In enkele oogenblikken zou 't zijn gedaan, dan kon ze hem
niet meer kwellen.
De grauwe dag-aanbreek schoot valer, bleeker uit, doezelde huizen,
boomen star en groot, als met zwarte kool geteekend. Gereedelijk kwamen
menschen op de been. Hun stroeve leden, hun groezelige gezichten, echte
gedaanten uit een onderwereld. Ze schenen te grijnzen, wantrouwig
naar hem te gluren,--en opeens rees weer zijn vrouw voor hem op,
meende hij te zien achter een boom haar lijkgezicht, waarmee ze hem
met vurige oogen bedreigde. Nee, nee, dàt hield je niet vol!!
In een oogwenk was hij van de bank op, liep in een enkele wilde
zet de steile glooiing af, stortte zich zonder verder denken op
't wrakke ijs, dat onder zijn gewicht krakte en kraakte. 't Brak af
naar alle kanten. Zijn beenen zakten weg met een knerp en een plomp,
terwijl z'n uitslaande armen almeer 't ijs afbrokkelden 't gat grooter
maakten. 't Was gedaan.
Maar 't schrikbeeld, de dwanggedachte, liet hem ook hier niet los. Van
de overkant, al bijna vlak voor hem, verscheen 't doodsgezicht van
zijn vrouw op 't lange stakelijf boven 't ijs, en aan de geraamtehand
hield ze de gestorven kindertjes, een heele rij.
Een enkele rauw-uitgestooten gil, die ver over de ijsgracht heensloeg
en hij wentelde zich om, trachtte haar te ontkomen, weer de wal te
bereiken. Onmenschelijk-fel spande hij zich in, klampte zich aan de
ijsschotsen vast. 't Gaf niet, 't brak af en hij was al te ver van
de kant, spartelde, zonder houvast in 't aldoor meer afbrokkelend
ijs. Achter hem spookte 't lijkgezicht van zijn vrouw, en dat dreef hem
tot razernij, gaf hem uiterste kracht om haar te ontvluchten. Maar o,
't was gedaan.
't Water kolkte in z'n mond, brokken ijs sneden hem in 't gezicht,
ritsten, kerfden tegen zijn klapperende tanden. Hij voelde dat
het einde raakte, hij kon niet meer, hij moest de oogen al meer
sluiten en zich laten zinken. Gewillig gaf hij zich over en opende
zelfs zijn mond om spoediger er af te wezen. Maar nu hij niet meer
tegenspartelde en zich zinken liet, voelde hij grond onder zijn
voeten, en ineens keerde ook zijn wil, deed hij weer pogingen om uit
't water op te krabbelen. Zeker, hij stond hier aan de wallekant, de
angst belette hem dat te zien, hij moest nu enkel probeeren tegen de
schuine glooiing op te kruipen. Maar dit ging niet zoo gemakkelijk,
zijn krachten waren uitgeput en de grasberm lag vol met gesmolten
sneeuw, die door de felle vorst tot scherpe richels gevroren waren.
Bevend, bibberend van de schrijnende kou, deed hij een laatste
wanhopige poging. Met alle macht trok hij zich omhoog uit het
bevriezende water en greep zich vast aan de schooiing. Dan sleepte hij
zichzelf tegen de ijsgladde helling op, doch telkens glipte hij uit
en schoot terug in het water. En opnieuw dreef het vizioen van zijn
vrouw die achter hem jaagde hem op tot een allerlaatste inspanning,
tot hij krankzinnig van angst en geheel op van de natte kou zich
opwurmde en half op de kant raakte. Maar nu kon hij niet verder, hij
moest zich verloren geven, 't duizelde voor zijn oogen, hij sloot ze
en wist niet meer wat er met hem gebeurde.
Een policieman kwam aangekuierd en zag hem daar liggen, al half
bevroren, buiten kennis, de beenen nog in 't water. Werklui die
voorbijgingen, verleenden dadelijk hulp en op een leege groentewagen,
die naar de markt moest, werd hij het ziekenhuis binnengereden.
Veel moeite, deden ze daar om hem, die arme tobber, in 't leven te
houden. Zijn ijskoude lichaam werd gebeukt, gewrongen en gewreven,
het ingeloopen water lieten ze hem uitbraken--en na dit alles volgde
een longontsteking, die weinig kans liet op behoud van 't leven. Hij
zelf bewusteloos, wist van niets, lag in ijlende koortsen.