X.

Baller holde voort zonder bezinning.

Straat-uit, straat-in jakkerde hij door, liep zich buiten adem. De

verschrikking joeg hem al meer op. 't Was zijn schuld... zijn

schuld!! Dat ze per ongeluk onder 't paard raakte, kon hij niet

gelooven, ze had 't zelf begaan om hem te straffen, om uit haar leven

te komen, hem daarmee te vervolgen. Haar bedreiging van gisteravond

zag hij schrikbarend groot. Heel zijn eigen misgegaan leven, al zijn

misse daden sloegen fel voor hem op, gingen hem aanklagen.

De vrieskoû snerpte venijnig op hem in, hij voelde die koû niet, voelde

niet zijn leege maag, voelde niets, hij zag enkel haar harde blikken,

die in de dood nog zoo verstrakten. De schimmen van zijn kinderen

rezen er bij op, en zijn verbeelding werkte, 't werd als vuur en

vlammen voor zijn oogen. M'n God, m'n God, wat had-ie dan toch gedaan

om 't zoo te moeten ontgelden!! Al feller werd zijn ontzetting, al

angstiger zijn gedachten. Hij joeg zich in zweet tot hij niet meer kon.

De rille koû, die hem voortdurend in 't gezicht sneed, brak

zijn angstende opwinding, en de gladde straten dwongen hem tot

omzichtiger gaan. Van lieverlee lieten de schrikbeelden wat af,

kwam hij tot klaarder denken, en tot meer bezinning. Wat gaf al dat

gekerm? 't geval lag er en hij moest het aanvaarden, daar ging niets

van af. Hij zou maar naar huis terug keeren; aan de buurvrouwen kon

hij de bereddering toch niet alleen overlaten.

Maar o, terwijl hij dit bedacht beving hem opnieuw de schrik. 't Was

of hij haar nu nog dreigender voor zich zag--en vanzelf begon hij

weer harder te loopen, alsof hij 't daarmee kon ontgaan.

Bij de oprij van een brug glipte hij uit, viel, bonsde met een smak

neer. De dreuning sloeg hem in zijn rug, door zijn hersens heen, zoodat

hij even moest blijven liggen om de pijn te laten verdooven. Bij 't

opkrabbelen bezeerde hij nog zijn handen. Kreupel van de pijn liep,

kon hij haast niet voort en dit dwong hem van zelf de kant op naar

huis. Doch vlak bij de straat keerde hij weerom. Nee, 't ging niet,

hij durfde niet naar boven! Eerst een borrel pakken dan zou 't gaan!

Ondanks al zijn pijn in dij en heup hinkte hij toch een paar straten

terug, hier in de nabijheid van z'n huis dorst hij geen kroeg in te

slippen, al klapperden hem de tanden. Hij zocht de centen vooraf bij

elkaar, sloop een proeflokaaltje in alwaar hij anders nooit kwam,

bestelde met hokkende stem, slikte de borrel met een enkele slok

naar binnen. Hij voelde best, dat hij eigenlijk slecht deed door nu

jenever te drinken, maar hij kon niet anders.

Voetje voor voetje sukkelde hij naar huis terug, en de pijn ging ook

wat minderen. 't Licht scheen boven nog te branden, de vale kringschijn

van de neergedraaide lamp zag hij schemeren op 't gordijn,--en dit

stelde hem eenigermate gerust; geheel in donker zou hij niet naar

boven durven!

Op handen en voeten bijna om geen gerucht te maken, kroop hij de

trappen op. Zoûen de buren allen zijn weggegaan of zou iemand er nog

waken? Die gedachte alleen maakte hem alweer angstig. Telkens moest

hij stilstaan zoo erg voelde hij de eigen harteklop. Als een booswicht,

een inbreker kwam hij in zijn eigen woning.

De deur stond op een kier.

Aarzelend duwde hij die verder open, bleef weifelend op het portaal

staan. Wat had hij hier eigenlijk te verrichten? De bedstee gaapte

wijd open...

Een nachtlichtje brandde op de bedsteeplank, beglemerde de doode,

die onder een wit laken lag, becirkelde met een zwakke lichtglans

't gordijn, waartegen hij gisteravond zelf had gezeten.

In 't heele vertrek verroerde zich niets, alles leek te slapen of

te zwijgen. Hij kon niet besluiten binnen te gaan, bleef tot aan

de ingang treuzelen in vreemde, strakke ontroering. De vrouwen

hadden haar al ontkleed, alles in orde gebracht, wat kwam hij dan

nog doen...? Bidden om vergeving, bidden voor haar ziel...? Hij zou

't willen, kon hij 't maar! Als iemand hem hier zoo eens zag staan,

wat zoûen ze van hem denken, hij had niets misdaan.... en toch!

Op zolder viel wat om. Hij schrikte, wilde de trap afijlen. Daar

hoorde hij de deur beneden openslaan en iemand de trap opklotsen. De

stap kwam hooger, hooger. Angst te worden betrapt van niet in zijn

eigen woning te durven, dwong hem bevend de kamer binnen. Hij hijgde,

luisterde vol vrees. Nee, de stap ging niet verder... een van de tweede

verdieping! Nou, des te beter. Hij liet zich op een stoel neerzakken

en huilde zonder tranen, een zware, scherpe snik die zaagde door zijn

benauwde borst en die hij niet durfde vrije lucht te geven uit vrees

voor de doode.

Alles stond nu rondom beklemmend stil. Het huis scheen weer te

slapen. Van buiten drongen òp de vage geluiden, die voorbijgangers

met elkander mompelend spraken; anders niets.

Langzaam-aan voelde hij zich hier rustig worden. 't Zou toch wel gaan,

dacht hij eindelijk.

Plots piepte de deur open.

Hij schrikte geweldig.

Zijn adem stokte.

Hij moest zich krachtig houden om niet van zichzelf te vallen; hij

rilde over al zijn leden.

De klok was stil gaan staan, dat maakte het nog geheimzinniger

en stiller.

Minstens dacht hij een geest te zien verschijnen, doch er kwam niets.

Na een oogenblik hoorde hij gekrabbel,--en nu vermoedde hij wat 't

was. 't Kon de kat wel wezen. Waar was die gebleven? Daar zag hij de

witte kop door de deurgleuf steken... hij herademde.

De poes schuchterde binnen, miauwde vragend, voorzichtig, tippelvoette

kleintjes op hem toe, streek nu de hoog-opgezette rug tegen zijn

knie. Hij dacht opnieuw aan gisteravond, en 't huilen overweldigde hem,

hij kon niet bedaard hier blijven zitten.

Om die huilkramp te ontgaan stond hij ijlings op, zei:

--Ja poes, 'k zal es kijke of er wat voor je is!

Een restantje melk vond hij in de kast, goot het op een schoteltje,

deed wat water erbij. Hij had moeite het zonder storten op de grond te

zetten, zoo snorde de kat om zijn handen en beefden zijn eigen vingers.

Het roode kattetongetje hevelde dadelijk gretig over 't volle bordje

en even pakte hem dat. Vol aandacht zat hij daarnaar te kijken.

't Schoteltje raakte leeger, al leeger. De kat likte weg de laatste

druppels, bleef vragend kijken, miauwde weer.

--Ja poes, 'k heb niet meer!

Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd, zoo vreemd alsof die van

ver-weg kwam.

De poes liep eenige keeren rond, de kop en staart omhoog, alsof

ze zocht.

Dan met een gladde wip sprong ze op de stoel... rekte de hals en

sprong o gruwel op 't bed.

Van schrik schokte Baller op, joeg de kat weg. 't Olielichtje

spetterde ervan.

Zou-ie zelf durven... nieuwsgierigheid beving hem om te zien of ze

er nog zoo verschrikkelijk uitzag. Hij tipte aan de doek, die over

't hoofd lag gespreid, maar schrikte van zijn eigen moedwil.

De poes snorde nu tegen zijn schenen aan. Hij keek langs zijn lichaam

naar dat geaai, dat hem vreemd-rillig maakte. Die streeling kwam hem

niet toe... was voor z'n vrouw. Nu leek 't hem of de poes weer op

't bed wou springen. Nee dat niet! Hardhandig nam hij haar op, bij

de hoogende rug, sloot 't beest buiten.

Twijfel woelde in hem om naar 't bed terug te keeren, of hier op een

afstand te gaan zitten. Drang om te zien dreef hem naar 't lijk. Kom,

kom, zei hij tot zichzelf, wees nou geen kind!

Voorzichtig, toch handbevend, nam hij de doek weg. 't Viel mee.

Het gezicht had een zachtere uitdrukking aangenomen, maar de wonden

teekenden zich sterker. Een oneindig medelijden omwond hem zacht,

hij voelde de tranen in zijn oogen aandruppen, voelde aandrang de

mond die half open lag, te kussen.

Op dat oogenblik viel er boven weer iets om, maar hij liet zich

niet van streek brengen, al wankelde hij ook op zijn beenen. Diep

boog hij zijn knokig hoofd om haar lippen te drukken, maar onder dit

neernijgen zag hij weer iets verschrikkelijks: de oogleden gingen open

trekken. 't Ging langzaam, zóó langzaam, dat 't bijna niet scheen te

vorderen, maar ze weken toch. Star keek hij ernaar. Een glinsterende

spleet werd tusschen 't bleekweeke van de oogleden zichtbaar. 't

Leek of haar wezen, of al haar trekken zich veranderden, weer harder

werden. Hij greep zich aan de bedplank vast, bleef kijken, verstijfd

door die langzaam zich openende oogen, die al gebroken waren, het

licht geschicht.

Zijn eerste beweging om die oogleden weer toe te drukken faalde;

zijn hand weigerde en kwam niet zoo ver.

Van ontsteltenis week hij een eind terug, hij durfde nu niet te

naderen.

Hij keek, hij keek. De trekken werden harder, de oogen grooter ondanks

het gemis aan licht en ineens werd hij bewust, dat zij daar weer lag

als vanavond, dreigend, dréígend.

De oogleden waren nu geheel open. 't Olielicht cirkelde een vreemde

schijn op 't lijkgezicht, dat in de trilling van 't licht ging leven.

Dan stootte hij een kreet uit van ontzetten, week terug:

Erbarmen.... erbarmen!

De oogen schenen nog strakker te staren. Baller vol angst keerde zich

om, maar de dreig-oogen vervolgden hem; die zag hij overal.

De benauwing brak hem uit naar alle kanten. Hij wist zich niet meer

te bergen of te wenden. De werkelijkheid leek hem minder erg dan al

die grijnsgezichten. Om hieraan te ontkomen keek hij weer naar 't

lijk in de bedstee, alsof dat helpen kon. De oogen staken nu strak in

't magerharde met wonden bedekt gezicht.

Weer deinsde hij van ontzetting een pas of wat terug, dorst zich

niet omkeeren uit angst, dat er wat anders zou gebeuren, dat zij hem

bij de kraag zou grijpen. Met de handen, afwerend, waarop elke pees,

elke ader strak stond gespannen, week hij achterwaarts uit, om maar

weg te komen. Zooveel begrip had hij nog, van de deur achter zich toe

te trekken, uit vrees dat de kat mocht binnensluipen, die, wie weet,

het lichaam nog meer zou toetakelen.

De deur nu afgesloten gaf hem 'n weinig van zijn denkkracht

terug. Stil, bang voor eigen bewegingen, sloop hij naar beneden.

Hij herademde eerst toen hij beneden stond, maar zijn tanden

klapperden nog, zijn leden bibberden en beefden. God-in-d'n hemel,

wat 'n gezicht.... wat 'n gezicht!!

Vol schrik keek hij nog even naar boven, alsof die wreede,

verwijtend-harde oogen hem nog zouden kunnen nagluren. Maar nee,

hij zag gelukkig niet anders als de kringschemer van 't licht op 't

gordijn. Dan huiverde hij geweldig, keerde zich in afschuw om,--en

van nieuw begon zijn jacht door de straten.

Hij had nu geen ander doel dan ver van huis, vér van die verschrikking

te komen, en toch joeg telkens de verwarrende angst hem naar zijn

woning terug. De trap durfde hij niet op, maar van straat-af kon hij

teminste naar 't venster, naar de kringschemer kijken. Hij was zeker

dat er nog iets moest gebeuren.

Maar voor 't raam bleef alles onwrikbaar 't zelfde; er veranderde

niets. Een vage spijt welde op van de kat niet te hebben binnengelaten,

dan zou er in elk geval wat gebeuren.... misschien kwam er dan een buur

boven om te kijken. Dat eeuwige stille schijnsel, 't onveranderlijke

van die schemerkring op 't gordijn maakte hem razend. Hij wou

weten. Die schemerschijn leek hem op 't laatst zelf als een dreigend,

'n starend oog, en soms meende hij haar trekken erin te lezen.

Weer sloeg hij op de vlucht, keerde terug en vluchtte opnieuw. En

nu moe, doodaf strompelde hij einden en einden door, zonder ware

bezinning, tot hij buiten de bebouwde kom raakte en vanzelf halt

bleef houden. De stilte en de eenzaamheid benauwde hem nu hier, joeg

hem naar de drukte van de stad terug in alle ijl. Hoeveel maal hij

al in de straat was geweest wist hij zelf niet, aldoor zag hij die

schemerkrans op 't gordijn, die bleef dáár altijd.

In arremoede sloop hij nu naar boven. Halverwege hoorde hij de

kat miauwen,--en hij zag ineens weer de opspooking van zijn vrouw,

die als een schim opgerezen, nog de wacht hield bij de deur, hem de

toegang zou beletten.

Hals over kop keerde hij terug,--en nu dorst hij niet meer in de

straat te komen, zocht de drukke, woelige gedeelten van de stad

op. Hij moest menschen, veel menschen om zich hebben.

De avond bleef grimmig hard koud, al vroor het niet meer zoo sterk.

De sneeuw, overal plat getreden, lag versopt en vergoord, als gruizels

grauw zout. Aan de hemel bleekten sterren, en de maan die langzaam

opdreef, verlichtte vaag de bovenkant der huizen.

In de drukke straten wriemelde 't zwart van uitgaande menschen. 't

Geleek in 't rosse lantaarngeglemer, bij de gesloten winkels, 't

gewroet van een mierenhoop. Hiertusschen voelde hij zich wat bekomen.

Maar na een paar uur loopens, nu de straten zich wat leegden, groote

plekken in vager grauw verkeerden, hinderde hem de luidruchtigheid,

't vroolijk-zijn van al die naar-huis-gaande zondagsgangers. Zonder

't zelf te weten dreef hij weer af, de eenzaamheid verkiezend boven al

die rauwigheid, tot hij opeens zich bevond tusschen een zwarte stroom

van volk, die uit een schouwburg hobbelend aan-golfde. Gewillig liet

hij zich meevoeren in de voortschokkende groepen, die 't hadden over

de held op de planken. Hij herkende stemmen, zag de Hesselaars met

een flinke pas hem voorbij stevenen. Hij wou ze aanspreken, schaamde

zich voor zichzelf, en gelijk waren ze al een eind verder. Ze hadden

elkaar onder de arm, spraken luidruchtig, stootend tegen elkaar als

twee drijvende schepen. Wat schenen ze goed gemutst, die twee! En

toch, die Hesselaar dronk ook z'n spatje, maar zij was dan ook een

heel ander wijf!

Terwijl hij dit zei, voelde hij ook, dat Hesselaar een heel andere man

was dan hij, een kerel, die wel 'es een borrel nam, toch flink wist

aan te pakken. Laag, z'n dooie vrouw nou nog te bekladden! Nee, nee,

't had meer aan hem gelegen dan aan haar. Waarom wou-ie zich toch in

eigen oogen beter maken dan hij was? Hij walgde van zichzelf.

Aldoor zag hij nog de Hesselaars, die stevig-ruchtig voortstapten. Ze

dachten niet aan hem en zijn verongelukte vrouw, al waren ze, in de

vooravond nog zoo vol meewarigheid. Dat zag hij best, ze liepen flink

voort, om in 't Maastrichtsch bierhuis nog een glas te kunnen drinken,

en hij sukkelde achterna, dacht er zelfs niet aan ze te vragen of

hij bij hen vannacht kon slapen. 't Kwam eerst later bij hem op,

toen hij allang weer alleen liep rond te dwalen. Maar nee, bij de

Hesselaars zou hij niet kunnen gaan, want die wisten al te goed hoe

de vork in de steel zat; die wisten, dat ze weg-liep, zich dus van

kant maakte om hem!

De straten leegden zich alweer, en de koû voelde feller aan. De maan

steeg hooger en ook de sterren twinkelden klaarder. 't Licht der

lantaarns leek blank, vlamde ver-ver uit. 't Was een mooie avond,

doch koud, bitter koud!

De kroegen zouden gauw gaan sluiten, nu kon hij nog eentje nemen. Veel

had hij niet in de zak, een stuiver of drie, maar 'n borrel gaf allicht

warmte en moed om de nacht door te komen. Heiligschennis leek 't hem,

evenals vanavond, nu een kroeg in te sluipen. Toch, hij kon niet de

lange nacht zóó blijven ronddwarrelen. De geheele dag had hij nog

niets in zijn maag gekregen.

De kroeg was vol.

In de vensterbank van 't kleine proeflokaal weggedoken, voelde hij

eerst recht zijn moeheid. Hij kon bijna niet meer opstaan, zich niet

bewegen, bleef plakken en verteerde zijn volle drie stuivers. Tot tijd

van sluiten kwam en de kastelein waarschuwde. Dan sprak hij zich zelf

kracht en moed in, zei: vooruit! sleepte zich naar buiten.

De nachthemel stond nu helder-strak en 't vroor weer fijntjes. Over

de eenzame, besneeuw-ijsde grachten glimmerde de maan heel bleek. De

lantaarns langs de kant schenen hem zooveel oogen die toekeken,

hem herinnerend aan de verwijtende blik van zijn vrouw.

Vol vertwijfeling begon hij weer te loopen. De drank verhitte

zijn hoofd, en de wegen waren vervloekt-glad, zoodat hij telkens

struikelde. De dij-pijn al geslonken en vergeten, schrijnde weer

op. Vele straten langs liep, sjokte, sukkelde hij voort,--en een nare

spijt sloop in hem van de Hesselaars niet te hebben aangesproken.

Bijna ongemerkt raakte hij in zijn buurt terug.

Een onweerstaanbare behoefte dook bij hem op om iets van 't huis

of van 't gordijn te zien. Ook de mogelijkheid van sterk te kunnen

zijn en naar de kamer terug te keeren. Maar nu hij naar boven keek,

zag hij geen licht, geen schemerschijn zelfs.

't Gordijn dofte egaal en onbewogen.

't Licht was dus uitgegaan!

Nu hij nogeens scherp keek, zag hij zelfs, dat het raam een eindje

stond opgeschoven. M'n God wat was er nou weer gebeurd!! En 't gordijn

bewoog zich ook. Nee, nee, voor geen geld van de wereld ging hij in

't donker naar boven. In 't donker br!! Als de dood zelf keek hem

dat egaal-witte gordijn aan.

Van schrik voelde hij zich verlamd, als vastgenageld, tot hij opnieuw

't gordijn bewegen zag. Het joeg spook-vermoedens in hem op, dat zij de

trap-af, de deur-uit zou komen, hem overvallen. De ontsteltenis greep

hem nogmaals aan,--en nu voorgoed ging hij aan de haal, besloot hij

op straat te blijven. Kopverloren liep hij door, liep al-maar door,

tot hij op 't laatst niet meer kon; hij zocht een bank in 't plantsoen

op om op te rusten.

De boomen stonden rondom zwart, de dorre takken als veelvoudige armen

opgewrongen naar de vrieslucht; een koude wind omrilde hem hier op de

bank. Het schrikbeeld liet hem hier evenmin met vree. Al zei hij zich

ook, dat het lichtje gewoon uitbrandde en een buurvrouw wel 't raam zou

hebben opgeschoven voor versche lucht, dat 't bewegen van 't gordijn

door de tocht ontstond, 't hielp niet, z'n vrouw met haar gewond,

bloedbesmeurd gezicht, de oogen dreigend-strak, wou hem niet met rust

laten. Hij zag die oogen overal, onmogelijk kon-ie ze ontloopen!

Hij begreep 't klaar, heel klaar en zeker, niet zij had moeten

doodgaan, maar hij. Wat had hij hier te doen, wat deed hij nog op deze

wereld? Niks! En nou kwam zij om hem spoken. Al spraken de menschen

van een ongeluk, hij voor zich geloofde daar niet aan! Ze had 't

zelf gedaan, had zich onder 't paard gegooid om van haar kwelling

af te wezen. En dat alles door zijn schuld, zijn schuld alleen! Nee,

nee, hij moest dood, niet zij. Hoe kon hij hier nog zitten, terwijl

zij daar al koud lag? Was-ie dan heelemaal een mensch zonder bloed,

zonder gevoel? De wanhoop had haar aangegrepen, aangedreven--en hij

zat hier 't geval te overleggen. Hoe was 't mogelijk? Zijn kinderen

dood, zijn vrouw dood, en hij bleef over....

Heel de eenzaamheid van z'n leven viel versmorend op hem neer. Nee,

hij moest loopen tot de eeuwige dag, eeuwig zwerven, om voor zijn

straf eens kwijtschelding te krijgen.

Achter hem in 't dorre hout meende hij te hooren ritselen. Sluippassen

gingen over de harde bodem, 't was of de geest der verschrikking op

hem afkwam, of die hem bij de schouders greep, hem op deze bank zou

knevelen, om hem dan langzaam-zeker dood te laten vriezen. Hij keek

verwilderd om, lachte om zijn eigen rauwe verbeelding, schokte ontzet

op, om weg te vluchten.

Opnieuw ijlde, joeg hij angstbezweet door de nachtelijke straten. Hij

liep voort, zonder ophouden, tijden en tijden, zonder zich van iets

rekenschap te geven. Tot de morgen vaal opspookte met een ijsende

kou. Hard en hol klonken op de groote stappen van de vroegelingen,

die naar hun werk toegingen. De dorre stakeboomen lekken hem nu

ineens grimmig, dreigend. Een enkele kar met melk die van buiten werd

aangereden, ratelde over de straf-bevroren steenen,--en 't geluid

schokkerde hem fel in de van kou-tintelende ooren.

Hij kwam weer aan het plantsoen, om daar ergens te gaan zitten, doch

de angst hield hem gevangen, zweepte hem voort. De dag brak aan. Was

dat om af te wachten? Hij kon toch niet blijven voortloopen. Wat

voortloopen? Geen recht had hij te leven... hij dorst niet terug naar

zijn woning, waarheen moest hij dan? Zij zou hem daar opwachten. Nee,

nee, liever maakte hij zich van kant!

Voor hem lag de gracht grauwig-grijs, een vuile blankheid van sneeuw

gesmolten en weer saamgevroren, bij gedeelten doorzichtig-glad en

wrakkig-ruw. 't Ging gemakkelijk daarop te stappen en erdoor te

zakken. Hij lachte en huiverde tegelijk. Br, wat was 't koud... om

te rillen. In enkele oogenblikken zou 't zijn gedaan, dan kon ze hem

niet meer kwellen.

De grauwe dag-aanbreek schoot valer, bleeker uit, doezelde huizen,

boomen star en groot, als met zwarte kool geteekend. Gereedelijk kwamen

menschen op de been. Hun stroeve leden, hun groezelige gezichten, echte

gedaanten uit een onderwereld. Ze schenen te grijnzen, wantrouwig

naar hem te gluren,--en opeens rees weer zijn vrouw voor hem op,

meende hij te zien achter een boom haar lijkgezicht, waarmee ze hem

met vurige oogen bedreigde. Nee, nee, dàt hield je niet vol!!

In een oogwenk was hij van de bank op, liep in een enkele wilde

zet de steile glooiing af, stortte zich zonder verder denken op

't wrakke ijs, dat onder zijn gewicht krakte en kraakte. 't Brak af

naar alle kanten. Zijn beenen zakten weg met een knerp en een plomp,

terwijl z'n uitslaande armen almeer 't ijs afbrokkelden 't gat grooter

maakten. 't Was gedaan.

Maar 't schrikbeeld, de dwanggedachte, liet hem ook hier niet los. Van

de overkant, al bijna vlak voor hem, verscheen 't doodsgezicht van

zijn vrouw op 't lange stakelijf boven 't ijs, en aan de geraamtehand

hield ze de gestorven kindertjes, een heele rij.

Een enkele rauw-uitgestooten gil, die ver over de ijsgracht heensloeg

en hij wentelde zich om, trachtte haar te ontkomen, weer de wal te

bereiken. Onmenschelijk-fel spande hij zich in, klampte zich aan de

ijsschotsen vast. 't Gaf niet, 't brak af en hij was al te ver van

de kant, spartelde, zonder houvast in 't aldoor meer afbrokkelend

ijs. Achter hem spookte 't lijkgezicht van zijn vrouw, en dat dreef hem

tot razernij, gaf hem uiterste kracht om haar te ontvluchten. Maar o,

't was gedaan.

't Water kolkte in z'n mond, brokken ijs sneden hem in 't gezicht,

ritsten, kerfden tegen zijn klapperende tanden. Hij voelde dat

het einde raakte, hij kon niet meer, hij moest de oogen al meer

sluiten en zich laten zinken. Gewillig gaf hij zich over en opende

zelfs zijn mond om spoediger er af te wezen. Maar nu hij niet meer

tegenspartelde en zich zinken liet, voelde hij grond onder zijn

voeten, en ineens keerde ook zijn wil, deed hij weer pogingen om uit

't water op te krabbelen. Zeker, hij stond hier aan de wallekant, de

angst belette hem dat te zien, hij moest nu enkel probeeren tegen de

schuine glooiing op te kruipen. Maar dit ging niet zoo gemakkelijk,

zijn krachten waren uitgeput en de grasberm lag vol met gesmolten

sneeuw, die door de felle vorst tot scherpe richels gevroren waren.

Bevend, bibberend van de schrijnende kou, deed hij een laatste

wanhopige poging. Met alle macht trok hij zich omhoog uit het

bevriezende water en greep zich vast aan de schooiing. Dan sleepte hij

zichzelf tegen de ijsgladde helling op, doch telkens glipte hij uit

en schoot terug in het water. En opnieuw dreef het vizioen van zijn

vrouw die achter hem jaagde hem op tot een allerlaatste inspanning,

tot hij krankzinnig van angst en geheel op van de natte kou zich

opwurmde en half op de kant raakte. Maar nu kon hij niet verder, hij

moest zich verloren geven, 't duizelde voor zijn oogen, hij sloot ze

en wist niet meer wat er met hem gebeurde.

Een policieman kwam aangekuierd en zag hem daar liggen, al half

bevroren, buiten kennis, de beenen nog in 't water. Werklui die

voorbijgingen, verleenden dadelijk hulp en op een leege groentewagen,

die naar de markt moest, werd hij het ziekenhuis binnengereden.

Veel moeite, deden ze daar om hem, die arme tobber, in 't leven te

houden. Zijn ijskoude lichaam werd gebeukt, gewrongen en gewreven,

het ingeloopen water lieten ze hem uitbraken--en na dit alles volgde

een longontsteking, die weinig kans liet op behoud van 't leven. Hij

zelf bewusteloos, wist van niets, lag in ijlende koortsen.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 34 / 37 题