Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker
geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om
drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich 't voorgevallene van
's avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er 'n
flinke spat op te zetten. Veel kostte 't em niet, hij had op de klap
gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met 'n aardige snee
in de neus, zooals hij dat noemde, had hij 't aangedurfd weer bij z'n
lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij 't weer goed willen maken,
maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met
geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze
zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield,
in elk geval kwam 't vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk
antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.
Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleiding te geven,
zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er
genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van
de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer
dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar
zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op 't minst
gerucht. 't Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van
de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit
zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te
doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer
zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij
zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de
roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door 't vertrek
waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al
gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens
en de gordijnen hingen nog omlaag. 't Was klam en donker in de kamer.
Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens
in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of
zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon
hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd
was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.
De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, 't
zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend;
ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.
Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene,
glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp
om een sprong te kunnen doen.
--Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z'n hand 't dier afwerend. Dat
wil de vrouw niet hebben, dat weet je.
De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug
en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier,
dat naar 't scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot
òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze
hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling,
ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij
zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog
in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed
die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn
nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou
binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij
probeerde nu van-uit-z'n-bed te lezen; de poes miauwde weer en
sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu
zelf d'eruit. De nieuwsgierigheid was al overgegaan in het stekelig
gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek
kon hebben uitgehaald.
Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl 't velletje papier
in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon 't haast niet
gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan,
ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.
Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten,
dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag
hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even
moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar 't raam,
trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware
zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen
naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van
verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.
--Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze
hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!
Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd
open over 't onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en
vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog
niet in hem wortelen, 't leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde,
dat hij in woede uitbarstte en de geheele kamer vol vloekte. Maar
tegelijk greep de treurnis over 't feit zelf hem zoo overweldigend
aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen
die geen uitweg konden vinden.
Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten
waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende
voetdruksels. Vaag herinnerde hij 't zich als iets dat al heel
ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich
vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was
van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich
niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!
Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde 't zelfs niet
meer te denken. 't Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk,
alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten
in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn
eigen ellende. 't Was hem of 't al stiller en stiller werd, of de
eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij
begreep 't aldoor nog niet, 't wilde er niet zoo grif in.
De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende
rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem
week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de
vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,
doch de woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig,
in 't genot om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en
smeet haar een eind van zich af.
--Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de
baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!
't Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk
en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter
op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd
aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden,
hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!
Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó
zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende
vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte
vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte
met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de
leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles
drong sarrend op hem in, gaf hem 't nijpend begrip van de toestand,
kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen
aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest
haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon
ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak
moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft,
weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...
De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een
dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en
de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik
rezen zijn haren overeind, 't was zoo erg dat hij meende eraan omhoog
te worden getrokken.
Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het
water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou 't ook wel hebben
gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor
hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor
vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig
mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit,
't haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.
Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water
in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan
en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten,
weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen,
joeg hem voort. 't Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar
zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht
hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting,
dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens
bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet
op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hem terechtkomen als
zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de
kamer en 't leek hem of 't weinige dat er nog stond hem verweet zijn
wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van 't
vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te
loopen en vele malen beangstte 't hem voor een oogenblik in de vrees
dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch
niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond
hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was
een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn
toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie
trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg
hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het
nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn
teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En
toch, 't was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar
niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand,
één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven,
doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te
wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen
doen en 't einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu
ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen,
daartegen verzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een
borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,--en nu voor
't eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn
ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man
bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.
Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem
op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan
begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op
zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te
beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar
nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon
dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit
één stuk kon zijn.
't Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af,
doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.
--Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar
huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar
lachte mee.
Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg
bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk,
zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en
aarzelend staan bleef in de deur.
--Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af, is dat een manier van
doen om elkaar 't leven zoo lastig te maken!
Baller wilde d'er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de
woorden af, zei al weer:
--Kom, verleuter nou niet je tijd, 't hêt al lang genog geduurd.
--Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars
nog bedankend.
Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo
glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat
in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg
hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar
de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze
al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem
bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd,
telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou
weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was
't glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer
als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam
geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou,
hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger
had hij voor zes.
Met maakte hij weer zoo'n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook
wel oppassen, een mensch was met die gladdigheid z'n leven niet zeker,
maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid,
al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde
hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.
Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien
een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu
geen tijd!
Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; 't liep ook
zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar 't gaf hem niet
veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In
't voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij
schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in 't besef,
dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met
die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.
Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde
nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar
ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo
rap en 't vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard
radouwden en schokten door elkaar.
Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te
onderscheiden... of 't misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er
viel niets te zien, ze lag onder 't paard, welnee, ze zeien toch een
oude vrouw, en nu voorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken
voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te
zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.
De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten
om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en
trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat
het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen
pak. 't Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer,
zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en 't nauw gareel.
--Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:
--Je vermoordt haar, je maakt 't arme mensch heel'maal kapot!
De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:
--Verrek jullie... help ook 'n handje... weten jullie 't soms zoo goed?
Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders
raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te
verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden
toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...
De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen
op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien,
twaalf handen.
--Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie
niet opslaat!
--Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!
Met hun allen hieven ze 't paard van voren op.
--Niet te veel, niet te veel! bevelhebberde de policieman. Zoo... trek
weg 't mensch!!
Vele handen grepen toe, en nu 't paard wat terzij en opgeheven,
ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant
uithalen.
--Dood! zeien eenigen.
--Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.
--Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net
kwam toegeloopen.
Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit
naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard
bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.
--Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller
passeerden.
De koetsier stond overend, om 't ongeluk uitéén te zetten. 't Zweet
gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen
gezicht.
--'t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich
voor de knol gooit, wie kan d'er tege?
--Je bonk hêt g'n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.
De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:
--Maak m'ar niet zoo'n heibel... Je bent er toch nakend bij!
--Kan ik 't helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit,
verweerde hij zich.
--Zoo'n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m'ar
an.... je most je schamen, moordenaar...!
De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z'n paard lag
d'r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn
nummer, de stal en zijn naam.--Heel goed zoo! dacht Baller die het
in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.
De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:
--Je gaat mee naar 't beroo!!
Koetsier, eindelijk 't paard op de pooten gekregen, 't lemoen gebroken,
wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:
--Je weet toch m'n nummer en m'n stal! 't Is Zondag... 'k mot
verdiene!!
--Zoo'n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene,
of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma'r verdient!!
--Vooruit! zei barsch de agent.
Al had hij 't nummer en de stal, er moest satisfaktie worden
gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om 't geval te bevestigen.
In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar
't bureau.