VIII.

Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker

geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om

drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich 't voorgevallene van

's avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er 'n

flinke spat op te zetten. Veel kostte 't em niet, hij had op de klap

gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met 'n aardige snee

in de neus, zooals hij dat noemde, had hij 't aangedurfd weer bij z'n

lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij 't weer goed willen maken,

maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met

geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze

zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield,

in elk geval kwam 't vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk

antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.

Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleiding te geven,

zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er

genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van

de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer

dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar

zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op 't minst

gerucht. 't Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van

de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit

zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te

doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer

zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij

zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de

roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door 't vertrek

waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al

gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens

en de gordijnen hingen nog omlaag. 't Was klam en donker in de kamer.

Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens

in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of

zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon

hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd

was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.

De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, 't

zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend;

ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.

Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene,

glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp

om een sprong te kunnen doen.

--Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z'n hand 't dier afwerend. Dat

wil de vrouw niet hebben, dat weet je.

De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug

en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier,

dat naar 't scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot

òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze

hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling,

ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij

zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog

in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed

die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn

nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou

binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij

probeerde nu van-uit-z'n-bed te lezen; de poes miauwde weer en

sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu

zelf d'eruit. De nieuwsgierigheid was al overgegaan in het stekelig

gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek

kon hebben uitgehaald.

Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl 't velletje papier

in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon 't haast niet

gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan,

ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.

Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten,

dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag

hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even

moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar 't raam,

trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware

zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen

naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van

verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.

--Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze

hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!

Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd

open over 't onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en

vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog

niet in hem wortelen, 't leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde,

dat hij in woede uitbarstte en de geheele kamer vol vloekte. Maar

tegelijk greep de treurnis over 't feit zelf hem zoo overweldigend

aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen

die geen uitweg konden vinden.

Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten

waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende

voetdruksels. Vaag herinnerde hij 't zich als iets dat al heel

ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich

vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was

van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich

niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!

Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde 't zelfs niet

meer te denken. 't Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk,

alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten

in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn

eigen ellende. 't Was hem of 't al stiller en stiller werd, of de

eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij

begreep 't aldoor nog niet, 't wilde er niet zoo grif in.

De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende

rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem

week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de

vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,

doch de woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig,

in 't genot om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en

smeet haar een eind van zich af.

--Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de

baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!

't Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk

en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter

op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd

aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden,

hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!

Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó

zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende

vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte

vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte

met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de

leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles

drong sarrend op hem in, gaf hem 't nijpend begrip van de toestand,

kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen

aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest

haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon

ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak

moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft,

weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...

De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een

dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en

de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik

rezen zijn haren overeind, 't was zoo erg dat hij meende eraan omhoog

te worden getrokken.

Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het

water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou 't ook wel hebben

gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor

hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor

vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig

mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit,

't haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.

Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water

in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan

en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten,

weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen,

joeg hem voort. 't Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar

zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht

hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting,

dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens

bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet

op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hem terechtkomen als

zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de

kamer en 't leek hem of 't weinige dat er nog stond hem verweet zijn

wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van 't

vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te

loopen en vele malen beangstte 't hem voor een oogenblik in de vrees

dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch

niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond

hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was

een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn

toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie

trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg

hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het

nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn

teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En

toch, 't was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar

niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand,

één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven,

doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te

wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen

doen en 't einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu

ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen,

daartegen verzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een

borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,--en nu voor

't eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn

ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man

bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.

Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem

op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan

begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op

zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te

beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar

nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon

dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit

één stuk kon zijn.

't Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af,

doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.

--Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar

huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar

lachte mee.

Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg

bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk,

zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en

aarzelend staan bleef in de deur.

--Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af, is dat een manier van

doen om elkaar 't leven zoo lastig te maken!

Baller wilde d'er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de

woorden af, zei al weer:

--Kom, verleuter nou niet je tijd, 't hêt al lang genog geduurd.

--Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars

nog bedankend.

Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo

glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat

in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg

hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar

de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze

al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem

bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd,

telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou

weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was

't glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer

als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam

geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou,

hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger

had hij voor zes.

Met maakte hij weer zoo'n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook

wel oppassen, een mensch was met die gladdigheid z'n leven niet zeker,

maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid,

al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde

hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.

Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien

een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu

geen tijd!

Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; 't liep ook

zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar 't gaf hem niet

veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In

't voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij

schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in 't besef,

dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met

die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.

Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde

nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar

ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo

rap en 't vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard

radouwden en schokten door elkaar.

Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te

onderscheiden... of 't misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er

viel niets te zien, ze lag onder 't paard, welnee, ze zeien toch een

oude vrouw, en nu voorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken

voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te

zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.

De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten

om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en

trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat

het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen

pak. 't Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer,

zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en 't nauw gareel.

--Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:

--Je vermoordt haar, je maakt 't arme mensch heel'maal kapot!

De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:

--Verrek jullie... help ook 'n handje... weten jullie 't soms zoo goed?

Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders

raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te

verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden

toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...

De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen

op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien,

twaalf handen.

--Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie

niet opslaat!

--Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!

Met hun allen hieven ze 't paard van voren op.

--Niet te veel, niet te veel! bevelhebberde de policieman. Zoo... trek

weg 't mensch!!

Vele handen grepen toe, en nu 't paard wat terzij en opgeheven,

ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant

uithalen.

--Dood! zeien eenigen.

--Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.

--Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net

kwam toegeloopen.

Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit

naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard

bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.

--Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller

passeerden.

De koetsier stond overend, om 't ongeluk uitéén te zetten. 't Zweet

gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen

gezicht.

--'t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich

voor de knol gooit, wie kan d'er tege?

--Je bonk hêt g'n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.

De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:

--Maak m'ar niet zoo'n heibel... Je bent er toch nakend bij!

--Kan ik 't helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit,

verweerde hij zich.

--Zoo'n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m'ar

an.... je most je schamen, moordenaar...!

De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z'n paard lag

d'r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn

nummer, de stal en zijn naam.--Heel goed zoo! dacht Baller die het

in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.

De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:

--Je gaat mee naar 't beroo!!

Koetsier, eindelijk 't paard op de pooten gekregen, 't lemoen gebroken,

wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:

--Je weet toch m'n nummer en m'n stal! 't Is Zondag... 'k mot

verdiene!!

--Zoo'n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene,

of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma'r verdient!!

--Vooruit! zei barsch de agent.

Al had hij 't nummer en de stal, er moest satisfaktie worden

gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om 't geval te bevestigen.

In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar

't bureau.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 32 / 37 题