Ze liep nu langzaam de kant op naar huis. Het wankelde en twijfelde nog
aldoor in haar, al besloot ze om terug te keeren. 't Zou zoo heerlijk
zijn geweest als ze teminste een nacht had kunnen wegblijven. Dàt zou
hem koest maken, hèm leeren niet op haar gedweeheid te vertrouwen. Maar
nu, juist op zondag, leek haar ergens onder-dak-geraken dubbel
moeilijk.
Dicht bij huis kwam het bij haar op bij Greet Hesselaar aan te loopen,
't werd dan meteen wat donkerder; om bij licht aan te komen stond
haar maar matig aan.
Ze strompelschokte tegen de trap op. God-in-de-hemel, nu voelde ze
eerst recht haar moeheid! Blij zou ze zijn, als ze eens even kon
uitrusten. Drie-hoog, een heele rek!!
Ze klopte aan, draaide de deurknop om, bleef weifelend in de opening
staan.
--Kom binnen... waar heb-jij de heele dag gezete? klonk haar al tegen.
Ze trok met zware handen de deur achter zich toe, nog te veel buiten
adem om dadelijk te kunnen antwoorden.
De familie, man, vrouw en vier kinderen zaten om de tafel, Hesselaar
zelf lag hoofd op zijn armen, ingeslapen. De kinderen staakten hun
eten, hielden de vork omhoog in de handen en keken nieuwsgierig.
In 't vertrek was geen stoel vrij. Alle bezet. Ze hadden er zes en een
fauteuil, maar een er van stond in de hoek met gebroken achterpoot,
en om te voorkomen dat iemand erop plaats nam, werd die stoel voor
bergplaats gebruikt. Nu lagen de jasjes er op van de kinderen.
Moeder Hesselaar gaf aan een der kleuters een teeken om op te staan,
zijn stoel aan haar te geven. De jongen deed het met weerzin, maar
hij deed het toch, hangleunde nu tusschen broertje en zusje in,
gaapte haar aan met onvriendelijk-nieuwsgierige oogen.
--Waar heb je de heele dag gezeten? zei nu weer Greet. Je man is hier
wel drie keer geweest... hij zat erg ermee in!
Ze gaf geen antwoord, haalde de schouders op, waarmee ze zei: wat
kan mij dat schelen! De ruwe gemakkelijkheid waarmee Greet sprak in
tegenwoordigheid van de kinderen, hinderde haar, maar de moeheid dwong
haar tot zwijgen. 't Was of ze ineens inzakte; ze kon niet spreken.
Greet herhaalde nogeens, dat Baller d'er was geweest, dan vroeg
ze hartelijk:
--Wil je niet een happie ete?
Vrouw Baller schudde het vaal-blonde hoofd. Met de beste wil zou ze
geen brok erin kunnen krijgen, het warme eten, waarnaar ze straks
zoo verlangde, leek haar wee. De lucht alleen walgde haar tegen. O,
O, wat was ze moe!
--Sjeneer je niet Sjenetje, drong Greet weer aan, die al een bord
leeg schraapte, wat groente en aardappelen opschepte.
Vrouw Baller wenkte opnieuw afwerend.
Greet schudde het rood-gezonde hoofd, bleef haar met open mond
aankijken, wachtend tot ze wat zou zeggen.
Ze begreep, dat ze niet sprakeloos kon blijven zitten, al voelde ze
zich te veel ontdaan, om maar dadelijk erop los te praten. Heel
langzaam begon de kamerwarmte haar te ontdooien, weldadig te
doordringen, en de gezelligheid, de vele gezichten om de tafel die
haar aankeken, ontspanden haar strakke trekken.
--Wat is er gebeurd, herhaalde Greet, om haar tong wat los te krijgen.
--Och niks, stootte ze eindelijk eruit, gisteren ruzie gehad, en
vannacht is-ie dronken thuis gekomme!
Greet zuchtte eens. En die zucht zei meer dan honderd woorden.
--Hij schijnt ook niet erg frisch te wezen, kwam ze nu zelf los,
op Hesselaar wijzend.
--Nee, hij hêt gisteravond 'n raap in gehad, en vanmiddag, nou ja,
dàt wete we... ik laat hem maar uitslape en dan komp alles terecht.
--Waarom die kerels toch altijd zoo zuipe, schimpte vrouw Baller
erover heen.
--Ja mensch, dat schijnt erbij te hoore... een man die geen borrel
pakt is 'n witte raaf... dat kan je aan de balk schrijven... maar de
mijne is anders niet kwaad... alleen je mot hem goed late... as-ie
nou wat uitgeslapen is gane we naar Stoel en Spree... Zal ik nou
herrie make... da'r wor' ik toch niet beter op.
Zij zette 't bord voor haar neer, zei aanmoedigend:
--Toe, eet maar een stukje... dán kom je wat bij... geve en neme,
zoo is het overal in 't leve... je mot wete te schikke... de manne
benne allemaal 't zelfde. Hee, ouwe, sta 'es op!
Ze klapte Hesselaar op de ingedoken schouders, schudde hem stevig
door elkaar.
--Je mot denke, zei ze vergoelijkend, de heele week is 't hard
aanpakke... van 's morge's vor dag en dauw tot 's aven's toe... en
dan nog standjes en komplimente afwachte van de baze, ik ben al blij,
dat-ie maar werk houdt... de rest komp vanzelf.
--Dat is 't hem net, maar de mijne is aldoor zonder, en ik draai er
dan voor op. Dat maak-je duvels...
--Ja-ja, zuchtte Greet, már je bent ók már alleen... hebt geen kinders.
--Ik woû da'k ze nog had, huilsnikte ze bijna.
--Dat zou je niet zegge as je zooveel monde had open te houwe... En
slijte dat ze doene... geen draad blijft er haast heel... maar goddank,
ze benne gezond, dàt niet... ze vrete me de oore van de kop.
Lach-tevreden keek ze haar kinderrij rond, schudde Hesselaar weer
door elkaar, schreeuwde:
--Wor' toch wakker, d'er is vrouw Baller!
Geeuwend richtte hij zich nu ook op, wreef de slaapoogen uit, --en
de kinderen lachten luid om de vreemde gezichten, die vader trok.
--Hè-hè, flauwde hij, ik was pas in de dut, ho-ho!!!
Hij keek nog slaapgeeuwerig rond, merkte haar nu op.
--Zit jij hier... je man is op de zoek!
--Zoo, hêt-ie angst?
--Angst... angst? Dat weet 'k zoo net niet... hij was hier... ga maar
gauw naar honk!
--'t Is nogal 'n lieverd!
--Ja, hoor'es, scherpte nu Hesselaar die zich in z'n heele lengte
opstrakte, hoor ès daarmee kan ik me niet bemoeien. Ik zeg alleen
wat ik weet, dat hij hier is geweest en je zoekt!
--Kom, eet eerst een stukkie, hap toe, en ga dan maar naar huis,
vermaande nu ook Greet. Kwaad worden is gewoon-menschelijk maar
kwaadblijven duvelsch... geen huis zonder kruis... overal valt wel
eens wat voor, zeg nou zelf!
Gelijk schoof ze 't bord nog wat naderbij, moedigde aan om te eten.
Meer door de vriendelijke dwang dan door eetlust pakte vrouw Baller
de vork, probeerde wat er in te stoppen. Maar de stukken kool bleven
haar in de keel steken, en de tranen glibberden, onder 't moeizaam
kauwen, langs de mondhoeken mee naar binnen.
Ze onderging sterk de gewaarwording, dat 't hier een ander huishouden
was dan bij haar. Greet kon opspelen, niet gemakkelijk zijn, op
haar tijd wist ze toe te geven. Ze waren niet zoogenaamd van beter
kom-af, zooals haar man, en zooals ze zelf altijd graag had willen
zijn, maar ze bezaten wat zij juist miste, de gemoedelijkheid,
het zich schikken en passen naar de omstandigheden, het nemen naar
't uitvalt. Die Hesselaar zag er lang niet nuchter uit, had meer
dan een glaasje teveel, maar zijn vrouw keek er even vroolijk om;
ze gingen van avond uit, naar de komedie... en zij?
Een nieuwe verbittering wrangde òp, en ze moest die uiten, zei vinnig:
--Jullie hebbe makkelik prate, die vent van mijn is nou al vier maanden
zonder... en as we maandag niet betale staan-ne-we op straat... de
huisbaas wil niet wachte, èn ie-hêt g'n ongelijk.
Hesselaar en z'n vrouw zwegen, ze wisten wel waar 't stak.
Greet zei toen medelijdend:
--Sja fafferabel is het bij je niet!
--Wat za'k je zegge, bracht Hesselaar bij, je man is niet gewoon te
werreke... ie hêt 'et nie' geleerd!
--Da'r hep je 't net, huilde vrouw Baller.
--Als 't nipt, kom dan ma'r hier na'rtoe, goedigde Greet, maar we
hebbe zelf haas' g'n plaa's!
--Welnee! Da'rom doe ik 't toch niet... ieder mot z'n eige last,
z'n eige pakkie drage, anders mooi genoch angeboje, dát niet!
Ze veegde met de handpalm de vochtigheid van haar wangen, terwijl ze
naar 'n zakdoek in haar rokspleet zocht. Kordaat stond ze op, zei:
--'k Zal maar gaan... wel bedankt... voor je vriendelijkheid... dág
Greet... dag Hesselaar... dág kindere!!
Ze daalde de trap af nog eenzamer dan ze die was opgeklommen. Dat
gepraat had haar kapot gemaakt. Al die kinderen om de zondagstafel,
de gezelligheid van de volle kamer, de zoete dwalm van het tevreden
samenzijn, en 't vreemde voor haar dat de man, al was ie alles
behalve nuchter, zich niet norsch of leelijk aanstelde, waarbij
Greet gemoedelijk zat, Greet, die nu al vooraf genoot van 't uitgaan
's avonds, als 't bijna-volwassen kind van beneden voor haar zou
oppassen, dat natuurlijk-gezonde van een groot gezin werkte na, gaf
haar een sterke aandoening, 't besef, dat het leven, ook al mankeert
er wat aan, niet ellendig is, als je maar niet te zwaartillend,
te veeleischend bent.
Nam zij 't leven dan te zwaar op, maakte ze van alle kleinigheden
een te groote zaak, wist zij niet te plooien, niet toe te geven? 't
Kon. Hesselaar zei 't ook nog, dat haar man niet geleerd had te werken,
dat hem daarom alles tegensloeg, zoodat ze moest schipperen en wat
meer door de vingers zien. Best mogelijk! Maar lag het dan aan haar,
als hij dronk en niet verdiende? Ze ging uit wasschen, wou alles voor
lief nemen, alléén ze kon tegen 'n man niet aardig, niet aanhalig doen,
als ze 't niet meende. Ze was nu eenmaal zóó en niet anders!
De moeheid, die ze bij de Hesselaars even vergat, zette weer op, dwong
haar tot al-langzamer en tragelijker gaan. Een knagend wee, waarvoor
ze geen woorden had, omgolfde haar; ze voelde zich zóó klein, zóó
klein, als platgeslagen. 't Viel haar onnoemlijk zwaar tot haar ouwe
doen terug te keeren. 't Liefst ging ze maar dadelijk dood. Waarvoor,
waarom leefde ze? Haar bestaan had geen doel, geen reden!
Twijfel-traag liep ze voort tot aan de gracht, dicht bij haar straat,
en ze bleef weifelen. De goed-bedoelde redeneeringen van Greet en
Hesselaar hadden haar geest van verzet wel wat neergedrukt, maar
haar nog niet overtuigd,--en de herinnering aan 't zoet geteem van
dominee dat haar eerst kalmeerde, ergerde haar nu, riep nieuwe wrevel
op. Wat haar 't meest huiswaarts droeg, dat waren haar moeë voeten,
die vanzelf de terugweg insloegen.
De zondagstad woelde nu druk, vol uitgaande menschen, die een breede
ruimte noodig hadden. 't Vroor hard. De sneeuwvoren lagen gestold
tot richels ijs, die splinterden en kraakten onder de haastig-gaande
voeten. Een voorgevoel van aanstaand ongeluk doorzoog haar onbewust, ze
wist zelf niet wat, maar er moest wat gebeuren. Misschien maakte haar
man zich van kant, lag hij dronken thuis, of viel van de trappen. In
elk geval stond haar wat te wachten. 't Schokte haar zenuwend op,
dreef haar angstig voort. De glad gevroren straten maanden haar weer
aan tot voorzichtig gaan. Een paar keer slipte ze al uit, raakte bijna
van de beenen, en net als een wagen aanreed. De zorg voor vallen
deed haar voeten wankelen. Telkens stootte ze tegen menschen op en
't uitwijken werd al moeielijker.
Ze was nu zoowat thuis. De zak zou ze bij de melkboer maar laten
liggen, ze was te moe, om daarmee de steile trap op te klimmen. Een
aarzeling overviel haar, een zucht om terug te keeren, maar ze liep
toch door. Ze hoorde of zag niets meer van wat om haar heen liep,
keek niet meer uit. Ze ging haar noodlot tegemoet... daarboven.