Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop
rukte, kreeg ze klaar 't besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch
ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en
keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open,
er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar,
dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze
't niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even
wilde binnenkomen?
Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken,
voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis
was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden
al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren,
de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl
ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur
van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:
--Dominee komt derèk bij u...
't Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk
voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk
zeggen dat haar man zoo'n beest voor haar was, dat ze van hem af
wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder
haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp
in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.
Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een
stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij
zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.
Ze bedaarde al weer. In 't begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan
toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon
blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat
dominee daarvan dacht. 't Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de
kost verdienen voor hem erbij.
Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege,
luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes
meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij 't uitstorten van
haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind
als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.
Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang
begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte
haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.
Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat
oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar 't meest. Ze begon er aan
te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch
dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:
--En hebt-ge samen aleens overlegd, al 't mogelijke beproefd?
--Overlegd? vroeg ze verwonderd.
--Ja, 't is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw
heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker 't leven is
moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch
daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.
Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,--en dominee
praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna
van aan 't snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.
--En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?
--Dood! zei ze somber.
--Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit
aan de andere kant 't ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel
aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...
--Als 'k dat maar kòn, snikte ze uit, als 'k dat maar kon... 'k heb
alles geprobeerd.
--Kom moedertje, moed. Een boom valt niet in één slag... de drank is
een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende
vrouw vermag veel?
Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde
dan:
--U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij
me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?
--Baller, dominee!
--Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met
Gods hulp hem op een beter pad te brengen.
Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein,
alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee's tijd en
welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel
zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar
zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in
't zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.
--Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur
hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en
anders 's avonds ook.
Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar
de deur toe, waar 't gepoetste koper van deurknop en ketting haar
goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al
opwekkender bewoordingen, en ze wist niet te antwoorden; ze knikte
enkel toestemmend met haar zware hoofd.
De meid schoot toe om de deur te openen, doch dominee wenkte afwerend,
zei:
--Laat het maar Antje...
Onder 't praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar
nogeens moed in, herhaalde, dat ze h'r man moest sturen, en nu stond
vrouw Baller weer buiten.
Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze 't
zelf-had. Maar de schriele wind en 't soppige weer maakten 't haar
wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen,
mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!
Waarom had ze niet liever om 'n drie gulden gevraagd... dan kon ze
teminste uit de voeten... D'r man op een betere weg brengen, och
lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm
van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit
't warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen
was ze toch niet, of 't streelde haar gehemelte... wat deed ze bij
dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste
dagen te redden bleef het eerste en 't eenige wat haar kwelde. Met haar
twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel
uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht
onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat ze haar huis
werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek
't nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar
naar 't armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter
zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch
aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde 't haar, dat ze
toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich
te vol. 't Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou
ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.
De gedachte aan de koffie, aan 't gebraden vleesch maakte haar
ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna
nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze
kreeg behoefte aan wat warms.
Ze voelde zich huiverig van de koû. 't Was ineens weer gaan
vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg,
maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was 't
niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had
ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar
die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg,
wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze
niets mee.
Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû
tot morsìg ijs ging stijven. Gladde, diepe voren lagen overal
gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog
't dooiwater sieperde. 't Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp
waren de pasbevroren dooi-ríchels.
In de Pijlsteeg zag ze 't groote bord van de gaarkeuken, wel drie
keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan,
uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme
stumper.
Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat
het gebouw was gesloten. Ze begreep 't eerst niet, bleef aan de deur
rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:
--Zondags is 't maar tot één uur open!
Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk
maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar
moest ze naar toe?
Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken,
maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met
't logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor
dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging
niet! Ze griezelde ervoor.
De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. 't Bracht haar in
gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en 't daarna
sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. 't Was
wel niet veel wat er stond, maar ze zat toch beschut--en met een
beetje kokes kan je 't warm stoken.
Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in
een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die
loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die 't daglicht niet kunnen
velen. 't Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest
er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder 't loopen op, maar de
maag scheen niet minder leeg te blijven. 't Feit verwonderde haar,
in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood
bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.
De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet
heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog
altijd zien wat ze deed.
Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar 't verhielp niet, dat ze
zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die
menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door
haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op 't lijf. Ze dacht eraan op
een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was 't nog te veel dag. Ze
schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet
om geld te vragen. Ze kon 't nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee,
dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.
Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens door haar heen, dan moest
ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte
en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te
komen. Of 't veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan
mocht ze niet loslaten.
Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... 't
kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens
de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was 't
kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende
dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar
niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten,
maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.
Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou
aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te
kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop
steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker,
er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de
verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan
haar in de steek liet, ja dan werd 't wat anders!...