VI.

Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop

rukte, kreeg ze klaar 't besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch

ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en

keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open,

er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar,

dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze

't niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even

wilde binnenkomen?

Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken,

voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis

was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden

al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren,

de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl

ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur

van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:

--Dominee komt derèk bij u...

't Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk

voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk

zeggen dat haar man zoo'n beest voor haar was, dat ze van hem af

wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder

haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp

in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.

Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een

stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij

zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.

Ze bedaarde al weer. In 't begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan

toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon

blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat

dominee daarvan dacht. 't Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de

kost verdienen voor hem erbij.

Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege,

luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes

meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij 't uitstorten van

haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind

als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.

Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang

begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte

haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.

Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat

oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar 't meest. Ze begon er aan

te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch

dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:

--En hebt-ge samen aleens overlegd, al 't mogelijke beproefd?

--Overlegd? vroeg ze verwonderd.

--Ja, 't is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw

heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker 't leven is

moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch

daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.

Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,--en dominee

praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna

van aan 't snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.

--En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?

--Dood! zei ze somber.

--Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit

aan de andere kant 't ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel

aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...

--Als 'k dat maar kòn, snikte ze uit, als 'k dat maar kon... 'k heb

alles geprobeerd.

--Kom moedertje, moed. Een boom valt niet in één slag... de drank is

een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende

vrouw vermag veel?

Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde

dan:

--U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij

me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?

--Baller, dominee!

--Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met

Gods hulp hem op een beter pad te brengen.

Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein,

alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee's tijd en

welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel

zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar

zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in

't zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.

--Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur

hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en

anders 's avonds ook.

Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar

de deur toe, waar 't gepoetste koper van deurknop en ketting haar

goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al

opwekkender bewoordingen, en ze wist niet te antwoorden; ze knikte

enkel toestemmend met haar zware hoofd.

De meid schoot toe om de deur te openen, doch dominee wenkte afwerend,

zei:

--Laat het maar Antje...

Onder 't praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar

nogeens moed in, herhaalde, dat ze h'r man moest sturen, en nu stond

vrouw Baller weer buiten.

Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze 't

zelf-had. Maar de schriele wind en 't soppige weer maakten 't haar

wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen,

mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!

Waarom had ze niet liever om 'n drie gulden gevraagd... dan kon ze

teminste uit de voeten... D'r man op een betere weg brengen, och

lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm

van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit

't warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen

was ze toch niet, of 't streelde haar gehemelte... wat deed ze bij

dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste

dagen te redden bleef het eerste en 't eenige wat haar kwelde. Met haar

twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel

uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht

onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat ze haar huis

werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek

't nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar

naar 't armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter

zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch

aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde 't haar, dat ze

toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich

te vol. 't Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou

ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.

De gedachte aan de koffie, aan 't gebraden vleesch maakte haar

ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna

nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze

kreeg behoefte aan wat warms.

Ze voelde zich huiverig van de koû. 't Was ineens weer gaan

vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg,

maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was 't

niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had

ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar

die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg,

wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze

niets mee.

Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû

tot morsìg ijs ging stijven. Gladde, diepe voren lagen overal

gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog

't dooiwater sieperde. 't Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp

waren de pasbevroren dooi-ríchels.

In de Pijlsteeg zag ze 't groote bord van de gaarkeuken, wel drie

keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan,

uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme

stumper.

Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat

het gebouw was gesloten. Ze begreep 't eerst niet, bleef aan de deur

rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:

--Zondags is 't maar tot één uur open!

Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk

maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar

moest ze naar toe?

Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken,

maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met

't logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor

dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging

niet! Ze griezelde ervoor.

De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. 't Bracht haar in

gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en 't daarna

sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. 't Was

wel niet veel wat er stond, maar ze zat toch beschut--en met een

beetje kokes kan je 't warm stoken.

Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in

een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die

loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die 't daglicht niet kunnen

velen. 't Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest

er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder 't loopen op, maar de

maag scheen niet minder leeg te blijven. 't Feit verwonderde haar,

in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood

bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.

De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet

heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog

altijd zien wat ze deed.

Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar 't verhielp niet, dat ze

zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die

menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door

haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op 't lijf. Ze dacht eraan op

een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was 't nog te veel dag. Ze

schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet

om geld te vragen. Ze kon 't nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee,

dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.

Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens door haar heen, dan moest

ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte

en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te

komen. Of 't veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan

mocht ze niet loslaten.

Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... 't

kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens

de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was 't

kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende

dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar

niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten,

maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.

Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou

aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te

kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop

steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker,

er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de

verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan

haar in de steek liet, ja dan werd 't wat anders!...

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 30 / 37 题