V.

Nu stond ze buiten en herademde...

En dadelijk zonder zich verder te bezinnen ging ze op weg, verluchtigd

als ze zich voelde door de daad na al het getwijfel. Hij verdiende

het te volle dat ze hem liet zitten!

Door de leege straten woei een scherpe wind, die langs neus en ooren

schrijnde, en het snelle voortgaan belemmerde.

't Vroor en 't dooide tegelijk. Dik lag de sneeuw op de wegen, op de

daken, op de drumpels, de richels, de ramen. De venijnige wind stoof

er gruizels af en de dooi plokte heele kwakken van de daklijsten.

't Was Zondag, dat zag ze, voelde ze aan alles. Er reden geen karren,

geen wagens,--en er waren weinig menschen op de been en de straten

leken van 'n eindelooze lengte, leeg-wit door de egaalheid van

de sneeuw.

De lucht droop zwaar erop neer, of 't opnieuw zou gaan sneeuwen. In

de grachten sobberde op vliesje ijs een dikke, vooze laag, al aan

't vergrauwen.

Gejacht liep ze de straat ten einde, zonder te beseffen waarheen.

De verlatenheid van de besneeuwde stad dreef ontmoedigend op haar

in. Haar voeten vertraagden, haar gang minderde. Ze voelde alweer een

vage spijt aan haar opwelling te hebben toegegeven. Wegloopen ging

gemakkelijk, maar wat nou? Waar moest ze naar toe? In de barre wind,

die om haar rokken joeg, voelde ze zich armelijk, als gestriemd op 't

naakte lijf. Ze bleef staan om erover na te denken. Teruggaan? nee,

dat niet, al kon 't best, hij sliep nog, hoefde niets van haar

wegsluipen te weten.

Een huiver van kou en killigheid omving haar, drong door alles heen.

Waar ze stond smolt de sneeuw weg onder haar voeten en de vochtigheid

om-stijfde haar, kroop langs haar beenen òp. Met die zak kon ze toch

niet de heele dag rondsjouwen, waar moest ze hem laten?

Een gierwind kwam aangestreken, sneed haar rauw in 't gezicht. Om

die te ontgaan, schoof ze de hoek om, maar daar bleek het ook al

niet warm, al stond ze er meer beschut. Ze moest besluiten. In elk

geval eerst die zak ergens neerzetten en dan verder zien! Maar bij

wie? Bij de melkboer? Dan moest ze een eind in de straat terug, en

allicht kwam d'er man dan achter dat adres. Zoo dicht in de buurt,

nee nee! Liever naar de turfman, dat leek haar sekuurder!

Zij pakte haar zak op, scharrelde moeizaam tegen de wind op de andere

straat in, naar de brandstoffenschuur, maar die vond ze gesloten. O,

ja, Zondag, nou dan naar de melkboer!

De man maakte geen bezwaar, riep haar toe:

--Zet maar neer!

't Lag op haar lippen te zeggen, dat hij de zak niet aan haar man

mocht afgeven, maar ze bedacht zich. Wat had zoo'n melkboer met haar

kwesties te maken!

Nu de handen vrij, voelde zij zich verlicht, liep zenuwdriftig voort,

te vlug van tred om veel te kunnen denken.

En ze wou overleggen;... ze liep almaar door, zonder eenig plan of

doel. Langzamerhand vertraagde haar gang, en alles woelde weer in

haar op, de jonge jeugd, haar kennismaken met hem, de trouwdag, de

kinderen, het trekken naar Amsterdam, de geleidelijke overgang van

welstand naar armoede, en nu het tobben en zwoegen zonder eind. 't

Genot was treurig-weinig en de bitterheid des te meer. Waarvoor leefde

een mensch toch eigenlijk?

De eene straat uit, de andere in, sjokte ze voort, de halve stad in

het rond. Haar rokken dreven van de dooi, en ze merkte dat ze telkens

op dezelfde plek terugkeerde. 't Gaf haar een gevoel van benauwdheid

en van gerustigheid tevens. Maar dat kon zoo niet langer duren,

ze moest tot een doel komen!

De witte verlatenheid der stad, de eindelooze sneeuwlaag, 't maakte

haar oogen blind, haar gedachten dof en stomp. Opnieuw vroeg ze zich:

waar naartoe?

Naar huis, naar haar ouwe lui kon ze niet gaan, die waren te oud en

hadden zelf ternauwernood,--en ze wíst al van tevoren wat ze zoûen

zeggen: een vrouw hoort bij haar man, en niet bij haar ouwers. Dat

haar vader zoo praatte, nou ja, een man blijft 'n man, maar voor haar

moeder leek dat naar niks. Alsof die niet beter wist! Vader was zeker

niet de kwaadste, en toch goed en lief zijn voor eigen vrouw stond

niet vooròp. Als moeder ook zoo sprak, kwam het eerder uit angst, dat

ze haar weer op 't dak kregen dan uit werkelijk meenens. Zoo gaat 't

altijd in de wereld: ze geven je raad om vrij te zijn van de daad. Nee,

de ouwe menschen zou ze niet lastig vallen!--En dan, ze woonden in

Gouda, dan moest ze met de trein en ze had geen geld. Liever bij Greet

aanloopen! Maar o, o! op Zondag zat de heele rompslomp thuis en zoo

vroeg leien ze nog in bed, voor tekst en uitlegging geven voelde ze

weinig lust. Nee, geen geschikte dag daarvoor, ze moest wat anders

verzinnen. Maar wat, daarop kwam 't aan. Ongemerkt liep ze weer harder,

draafde de week-besneeuwde straten af.

De vroege zondagmorgenstilte begon toch gaandeweg zich op te heffen,

verloor haar starre leegte. Melkboeren, brievenbestellers, kerkgangers

doken op, sopten door de vochtig-rulle sneeuw. Rijtuigen kwamen

bel-tinkelend aangereden, en de snelle raderen maakten diepe smerige

geulen, die bruin-glad opblonken.

De zon glimpte door het wolken-net, overstraalde blank de besneeuwde

stad, die in klare schitter ineens ervan opleefde. Maar lang duurde dat

niet, de wolkenvracht schoof zich weer saam, verdrong de zonneflits,

die hoe kort ook van brand, de blanke laag tot een goor sopje

maakte. De wind, eveneens gekeerd, hielp 't griffe dooien mee.

Aldoor moest ze haar rokken hooger tillen. De sneeuw werd al weeker

en drabbiger, versmolt tot moerassige plassen. Vaak wist ze niet

welke kant uit te gaan, om haar schoenen en kleeren te sparen.

Het vocht zoog op haar aan, doorrilde haar. De vingers, knoke-stram

van 't gedwongen rokvasthouden, deden bijtende pijn. Nog stakeriger

en bonkeriger zag zij zich voortschuiven door de morsig vieze

straten. Van de daken glipten ook al meer plokken nattigheid en

't dooivocht siepelde van goten en lijsten. Onder de boomen kon ze

niet loopen door de natte smakken die er neerklakten, van alle kanten

spatte en droop het op haar aan.

Straatjongens kwamen van de trappen, maakten sneeuwballen, gingen

elkaar gooien. De natte kletsen vlogen ook haar om de ooren, raakten

soms even, snorden haar voorbij. Ze wist zich niet te bergen, al

meer natte ballen ploften om haar neer. Eén kreeg ze vlak in de hals,

haar adem stokte ervan, zóó schrikte ze door die plotse natte kwak,

'n volgende gooi kwam op haar hoed terecht, en weer een andere smakte

tegen haar oor aan, maakte haar doof.

De bengels schaterden het uit èn voorbijgangers lachten mee,

maar zij kon wel huilen van ellende. Haar stramme vingers gristen

de natte sneeuw van haar hals weg, terwijl nieuwe ballen op haar

neersmakkelden. Het water droop haar langs gezicht en ooren, sieperde

in haar kraag, geulde door tot op haar rillig lijf. Ze moest zich

reppen, om als mikpunt te ontkomen, trapte in haar haast door plassen

water, zoodat het drab tot aan haar hoed spatte. Van vochte sneeuw,

zakkend uit de boomen, van de daken, kreeg ze ook nog kluiten mee,

die haar nog meer bemorsten.

Eindelijk raakte ze om de hoek, een dwarsstraat in, nu gelukkig uit

't gezicht der bende. Ze herademde, doch de schuwe vrees voor andere

jongens zat er in, joeg haar angstigend voort. De rokken, die ze had

laten slepen, om gauwer uit de voeten te komen, waren slobbernat,

de stootkant van modder korsterig en doorweekt. Een verlangen weer

binnenshuis te zijn, ergens onder dak, doorknaagde haar. Maar nee,

dàt niet. Liever verdronk ze zich dan nu armzalig terug te keeren! Haar

kinderen waren dood, èn hij kon haar gestolen worden!

Toch, de eenzaamheid, het zich alleen op de wereld voelen, drong

op haar in, riep òp de zucht om een eind eraan te maken. Maar ze

zette die gedachten van haar af. Hoe kwam ze daar toe, zichzelf te

kort doen, waarom, waarvoor? Ze kon werken, had nog handen aan haar

lijf. Als ze aan zulke inblazingen van de Booze toegaf, moest ze ver

zijn afgedwaald.

Beangst voor haar zelf zette ze de vaart erin, begon weer hard te

loopen, sjokte gehaast de stad dieper in, zocht de drukke straten op,

om ver van eenzaamheid en 't grachtenwater te komen. Een nieuwe angst,

voor ongelukken, voor een pan of steen, of om onder een rijtuig te

geraken, overweldigde haar nu. Ze verbeeldde zich dat haar wat moest

treffen, en in die vrees liep ze almaar voort door de straten, die

drukker en ook drekkiger werden.

Zonder het recht te weten stond ze voor de Oude kerk. Zware

orgelklanken dreunden op haar aan. Was dit een teeken? Deemoedig

sukkelde ze binnen, keek naar een plaats, liet zich neerzakken,

begon God te bidden, te danken voor haar redding. Maar de woorden

welden traag, ze kon ze bijna niet vinden. Wat ze 't sterkst voelde

waren haar lamme leden, haar vochtige kleeren, haar natte voeten.

De orgelklanken omstroomden haar weldadig en 't deed goed er naar te

luisteren, 't ontspande haar, bracht haar in een stemming om zachtjes,

zalig, haar tranen te laten komen, haar onrust weg te schreien en

geleidelijk-aan zich weer op te heffen.

De preek begon.

Ze dwong zich nu om goed te luisteren doch, na de eerste woorden van

de tekst dwaalden haar gedachten alweer af.

Ze was zoo moe, zoo moe. Een gevoel kreeg ze alsof ze ernstig ziek

zou worden en dan langzaam naar de hemel te varen, zooals ze hier nu

zat. De aandacht van de menschen voelde ze als een strakke spanning,

een vreemde stilte om haar heen,--en de woordgalmen van dominee

streelden op haar in, evenals daarnet de orgelklanken. Telkens zette

zij zich rechtop om toe te luisteren, maar ach, wat hielp het: ze

wilde niet naar huis terug, en 't leek wel of alle woorden die van de

preekstoel kwamen daarop doelden. Gekheid natuurlijk, gewoon toeval,

ze hield niet eens de draad vast, wist ternauwernood waar dominee

het over had... Toch de woorden: plicht... zich verzaken om hoogste

lof te winnen... bevrediging van 't leven... eerlijkheid en trouw, ze

kon ze allen op haar zelf toepassen. Ze zou nu toch goed op letten,

doch welke moeite ze zich ook gaf, het eenige wat haar verwarde

ooren vingen waren brokstukken die op haar zelf betrekking hadden,

al 't andere ging verloren.

Ze herleefde heel de bange nacht, haar droomen, haar verwachten,

ze zag terug de stond van gisteravond, hervoelde opnieuw haar haat

voor hem, haar minachting, haar afkeer en ze trachtte die weer te

sussen. Gansch haar leven vlamde voor haar op. 't Stond voor haar in

afgedeelde vakken. Wat was ze als meisje opgeruimd, hoe gauw verkeerde

dat en hoe neergedrukt zat ze nu. 't Was haar schuld...? De stem van

de dominee klonk er door heen. Haar schuld? mogelijk, ze wou zich niet

vrijpleiten... Maar hij dan? Welnee, ze was niet schuldig, ze deed haar

plicht. Met liefde en toewijding, klonk weer de stem van dominee. Ze

schrikte ervan op, probeerde te luisteren, het verband te vinden,

doch de woorden glipten langs haar ooren heen. Vanzelf dommelde ze

weg in haar vage luisterpeinzen. De warmte der stoven, de aandacht der

anderen, 't stemde haar zachter, stilde haar oproerigheid. Ze zag de

nachtscène weer anders. Zeker, hij was in 't begin wat aardig--en hij

kon 't nog wezen... wel niet zoo als vroeger, toch 't ging. Alleen

hij was zwak... en lui... en ongedurig... eigenlijk geen man... een

kind! Als-ie maar niet dronk. Waarom liet hij dat niet? Ze vroeg het

hem ieder keer opnieuw en dan zat-ie met de mond vol tanden of zei dat

't door haar kwam. Door haar? Hoe vond-ie 't uit? Elke dag, die de

lieve, goeie God gaf, zei ze toch: Jan, nou niet drinke! En toch liet

hij 't niet. Gemakkelijk genoeg op haar de schuld te schuiven... Zoo'n

laffe vent, nooit had ze met hem moeten trouwen!

Maar de hoogmoed stak haar in de kop, ze wou hooger òp... en nou

zat ze er voor. Haar zusters, affijn, die hadden 't niet beter,

die moesten ook vooruit, 't was kind op kind en de mannen vaak

zonder werk. En zoo ging 't met allen die ze kende. Waarom bleef

je als vrouw niet liever alleen? Ja waarom? Wie kan dat zeggen,

't gaat van zelf... bijna als geboren-worden. Je ziet een man en 't

komt ervan, zonder dat je 't zelf beseft. Je verbeeld-je al dadelijk,

dat hij de rechte is, dat je zonder hem niet kunt leven; maar als

't afgaat blijf je toch leven en na een tijd krijg je weer kennis

en beeld-je 't weer in of maak-je zelf wat anders wijs. Zoo gaat

het verscheiden malen en je weet later niets meer ervan als dat je

eens verliefd was. Als liefde zoo makkelijk komt, wanneer is het

dan echt en waarom kijkt een mensch niet beter uit de oogen, zoodat

men de goede krijgt? Ook zij meende zoo goed te hebben uitgezocht,

... was er toch zoo iets van bestemming? 't Moest haast wel....

De stem van de dominee klonk forscher òp, overvulde haar ooren. Ze

trachtte weer te luisteren. Jawel, daar had-je 't al, de dominee sprak

ook van de menschelijke bestemming... Een schande, dat zij zich niet

meer moeite gaf de preek te volgen.

Zij strekte haar lange rug nog wat rechter, strekte zich op, om zich

zelf tot meer aandacht te dwingen. Haar scherpe neus hoekte boven

haar dunne, spitse lippen uit en bij de zachte kerkeschemer zag ze

zich zelf in die spitsheid zitten, strak en stijf van gedwongenheid

om geen woord te laten ontglippen. En nu kon ze ook haar aandacht

op de preek gevestigd houden, hoorde ze dominee's woorden op haar

neerruischen, de woordjes, die als kralen aan een snoer geregen,

uit zijn mond weggleden. 't Begon haar te stichten, tot plots de

preek bleek gedaan! Het speet haar zeer! Zij trachtte te bidden,

maar onder 't leege lipgemurmel dreven vanzelf haar gedachten terug

en de aandacht ging opnieuw verloren.

De kerkdienst was geëindigd.

Met de anderen liep ze mee, alsof ze ging in een zwaar gareel en

werd voortgestuwd.

Haar moeiheid en zwaarheid in 't hoofd was wat over gegaan, maar

haar beenen voelden stram en stijf aan. In een soezel dreef ze mee,

de kerkdeur uit.

De mannen sloegen de broekspijpen om, de vrouwen namen haar

rokkenvracht hooger op, en ze deed dit ook. 't Bracht haar ineens

tot de werkelijkheid terug van op straat te zijn.

Er glimpte een straaltje zon, en dat maakte haar duizelig, ze moest

zich aan de kerkdeur vasthouden om niet te vallen. Een oogenblik

maar, 't kwam zeker door de warmte en haar lange suffen. Zie zoo,

't ging al weer over!

Voor haar lag 't stukje plein, en ze zag de Oude-kerksteeg vol

sneeuwig drab, grauw doorsiepeld en bruin van 't kledderloopen. Ze

moest er wel doorheen, daar viel niets aan te doen. Ze ontkwam dat

niet, evenmin als de anderen.

Rijtuigen reden aan, portieren klepten open, menschen stapten in,

portieren flapten toe, 't paard trok, de wagen rolde al voort en weer

anderen volgden. Dit was alles voor de rijken, niet voor haar. Ze

voelde dit minder dan ze 't zag, 't gaf haar alleen een angst voor

gevaar van onder de wagens te kunnen raken, 't maakte haar weer wankel

en duizelig ook. Maar de koetsiers weken behoorlijk uit en stuurden

allen naar een zelfde kant, zoodat zij niets hoefde te vreezen, en

terwijl ze zoo voortging wou ze wel lachen om haar eigen bangheid,

zij, die voor een paar uur zich van kant wou maken. Wat was een mensch

toch een wonderlijk mengsel en van waar kwam die angst om niet uit

't leven te durven scheiden?

Zij stapte nu flink aan, maar in 't sneeuwdrab van de straat moest

't vanzelf weer sjokken worden. Haar gedachten namen dezelfde maat als

haar voeten, 't ging op en neer, aldoor van voren af aan. Een mensch

maakt zichzelf het leven lastig, waarom dan toch? Eerst doe je moeite

elkaar te vinden en dan om van elkander af te komen; je draait als een

tol in 'n kringetje rond. Die dominee... wat zei dominee ook weer? Ze

wist het niet. Een schande, ze had er niets van gehoord. Als ze naar

hem toeging om raad te vragen, ja, maar dan moest ze een enkel woordje

kunnen zeggen over z'n mooie preek. Nee, naar hem ging ze niet... ze

had niets er van vastgehouden, ze zou gaan naar een ander, naar haar

eigen dominee... 't Was een idee,... die kon haar redden... misschien

kon het aan vaste werkhuizen helpen. In elk geval moest ze iets doen,

het rondslenteren in de natte sneeuw maakte haar al te lamlendig.

De zon was opnieuw achter de wolken weggedoken en een schriele wind

joeg door de straten, die nu na kerktijd over-vol raakten. De leegte

van vanmorgen leek met een vlaag omgezet in grauwe rumoerigheid. 't

Jachtte en stootte en 't trapte haar alles voorbij, ze dorst niet

op te kijken, de drukte maakte haar niet opgeruimder. 't Was, of ze

zichzelf schaamde met haar ellende voor al die anderen, die luide

spraken, hoog-op lachten en gelukkig deden. Zij joeg zich voort om

gauw bij dominee te komen. In één zenuwtrek liep ze door.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 29 / 37 题