Nu stond ze buiten en herademde...
En dadelijk zonder zich verder te bezinnen ging ze op weg, verluchtigd
als ze zich voelde door de daad na al het getwijfel. Hij verdiende
het te volle dat ze hem liet zitten!
Door de leege straten woei een scherpe wind, die langs neus en ooren
schrijnde, en het snelle voortgaan belemmerde.
't Vroor en 't dooide tegelijk. Dik lag de sneeuw op de wegen, op de
daken, op de drumpels, de richels, de ramen. De venijnige wind stoof
er gruizels af en de dooi plokte heele kwakken van de daklijsten.
't Was Zondag, dat zag ze, voelde ze aan alles. Er reden geen karren,
geen wagens,--en er waren weinig menschen op de been en de straten
leken van 'n eindelooze lengte, leeg-wit door de egaalheid van
de sneeuw.
De lucht droop zwaar erop neer, of 't opnieuw zou gaan sneeuwen. In
de grachten sobberde op vliesje ijs een dikke, vooze laag, al aan
't vergrauwen.
Gejacht liep ze de straat ten einde, zonder te beseffen waarheen.
De verlatenheid van de besneeuwde stad dreef ontmoedigend op haar
in. Haar voeten vertraagden, haar gang minderde. Ze voelde alweer een
vage spijt aan haar opwelling te hebben toegegeven. Wegloopen ging
gemakkelijk, maar wat nou? Waar moest ze naar toe? In de barre wind,
die om haar rokken joeg, voelde ze zich armelijk, als gestriemd op 't
naakte lijf. Ze bleef staan om erover na te denken. Teruggaan? nee,
dat niet, al kon 't best, hij sliep nog, hoefde niets van haar
wegsluipen te weten.
Een huiver van kou en killigheid omving haar, drong door alles heen.
Waar ze stond smolt de sneeuw weg onder haar voeten en de vochtigheid
om-stijfde haar, kroop langs haar beenen òp. Met die zak kon ze toch
niet de heele dag rondsjouwen, waar moest ze hem laten?
Een gierwind kwam aangestreken, sneed haar rauw in 't gezicht. Om
die te ontgaan, schoof ze de hoek om, maar daar bleek het ook al
niet warm, al stond ze er meer beschut. Ze moest besluiten. In elk
geval eerst die zak ergens neerzetten en dan verder zien! Maar bij
wie? Bij de melkboer? Dan moest ze een eind in de straat terug, en
allicht kwam d'er man dan achter dat adres. Zoo dicht in de buurt,
nee nee! Liever naar de turfman, dat leek haar sekuurder!
Zij pakte haar zak op, scharrelde moeizaam tegen de wind op de andere
straat in, naar de brandstoffenschuur, maar die vond ze gesloten. O,
ja, Zondag, nou dan naar de melkboer!
De man maakte geen bezwaar, riep haar toe:
--Zet maar neer!
't Lag op haar lippen te zeggen, dat hij de zak niet aan haar man
mocht afgeven, maar ze bedacht zich. Wat had zoo'n melkboer met haar
kwesties te maken!
Nu de handen vrij, voelde zij zich verlicht, liep zenuwdriftig voort,
te vlug van tred om veel te kunnen denken.
En ze wou overleggen;... ze liep almaar door, zonder eenig plan of
doel. Langzamerhand vertraagde haar gang, en alles woelde weer in
haar op, de jonge jeugd, haar kennismaken met hem, de trouwdag, de
kinderen, het trekken naar Amsterdam, de geleidelijke overgang van
welstand naar armoede, en nu het tobben en zwoegen zonder eind. 't
Genot was treurig-weinig en de bitterheid des te meer. Waarvoor leefde
een mensch toch eigenlijk?
De eene straat uit, de andere in, sjokte ze voort, de halve stad in
het rond. Haar rokken dreven van de dooi, en ze merkte dat ze telkens
op dezelfde plek terugkeerde. 't Gaf haar een gevoel van benauwdheid
en van gerustigheid tevens. Maar dat kon zoo niet langer duren,
ze moest tot een doel komen!
De witte verlatenheid der stad, de eindelooze sneeuwlaag, 't maakte
haar oogen blind, haar gedachten dof en stomp. Opnieuw vroeg ze zich:
waar naartoe?
Naar huis, naar haar ouwe lui kon ze niet gaan, die waren te oud en
hadden zelf ternauwernood,--en ze wíst al van tevoren wat ze zoûen
zeggen: een vrouw hoort bij haar man, en niet bij haar ouwers. Dat
haar vader zoo praatte, nou ja, een man blijft 'n man, maar voor haar
moeder leek dat naar niks. Alsof die niet beter wist! Vader was zeker
niet de kwaadste, en toch goed en lief zijn voor eigen vrouw stond
niet vooròp. Als moeder ook zoo sprak, kwam het eerder uit angst, dat
ze haar weer op 't dak kregen dan uit werkelijk meenens. Zoo gaat 't
altijd in de wereld: ze geven je raad om vrij te zijn van de daad. Nee,
de ouwe menschen zou ze niet lastig vallen!--En dan, ze woonden in
Gouda, dan moest ze met de trein en ze had geen geld. Liever bij Greet
aanloopen! Maar o, o! op Zondag zat de heele rompslomp thuis en zoo
vroeg leien ze nog in bed, voor tekst en uitlegging geven voelde ze
weinig lust. Nee, geen geschikte dag daarvoor, ze moest wat anders
verzinnen. Maar wat, daarop kwam 't aan. Ongemerkt liep ze weer harder,
draafde de week-besneeuwde straten af.
De vroege zondagmorgenstilte begon toch gaandeweg zich op te heffen,
verloor haar starre leegte. Melkboeren, brievenbestellers, kerkgangers
doken op, sopten door de vochtig-rulle sneeuw. Rijtuigen kwamen
bel-tinkelend aangereden, en de snelle raderen maakten diepe smerige
geulen, die bruin-glad opblonken.
De zon glimpte door het wolken-net, overstraalde blank de besneeuwde
stad, die in klare schitter ineens ervan opleefde. Maar lang duurde dat
niet, de wolkenvracht schoof zich weer saam, verdrong de zonneflits,
die hoe kort ook van brand, de blanke laag tot een goor sopje
maakte. De wind, eveneens gekeerd, hielp 't griffe dooien mee.
Aldoor moest ze haar rokken hooger tillen. De sneeuw werd al weeker
en drabbiger, versmolt tot moerassige plassen. Vaak wist ze niet
welke kant uit te gaan, om haar schoenen en kleeren te sparen.
Het vocht zoog op haar aan, doorrilde haar. De vingers, knoke-stram
van 't gedwongen rokvasthouden, deden bijtende pijn. Nog stakeriger
en bonkeriger zag zij zich voortschuiven door de morsig vieze
straten. Van de daken glipten ook al meer plokken nattigheid en
't dooivocht siepelde van goten en lijsten. Onder de boomen kon ze
niet loopen door de natte smakken die er neerklakten, van alle kanten
spatte en droop het op haar aan.
Straatjongens kwamen van de trappen, maakten sneeuwballen, gingen
elkaar gooien. De natte kletsen vlogen ook haar om de ooren, raakten
soms even, snorden haar voorbij. Ze wist zich niet te bergen, al
meer natte ballen ploften om haar neer. Eén kreeg ze vlak in de hals,
haar adem stokte ervan, zóó schrikte ze door die plotse natte kwak,
'n volgende gooi kwam op haar hoed terecht, en weer een andere smakte
tegen haar oor aan, maakte haar doof.
De bengels schaterden het uit èn voorbijgangers lachten mee,
maar zij kon wel huilen van ellende. Haar stramme vingers gristen
de natte sneeuw van haar hals weg, terwijl nieuwe ballen op haar
neersmakkelden. Het water droop haar langs gezicht en ooren, sieperde
in haar kraag, geulde door tot op haar rillig lijf. Ze moest zich
reppen, om als mikpunt te ontkomen, trapte in haar haast door plassen
water, zoodat het drab tot aan haar hoed spatte. Van vochte sneeuw,
zakkend uit de boomen, van de daken, kreeg ze ook nog kluiten mee,
die haar nog meer bemorsten.
Eindelijk raakte ze om de hoek, een dwarsstraat in, nu gelukkig uit
't gezicht der bende. Ze herademde, doch de schuwe vrees voor andere
jongens zat er in, joeg haar angstigend voort. De rokken, die ze had
laten slepen, om gauwer uit de voeten te komen, waren slobbernat,
de stootkant van modder korsterig en doorweekt. Een verlangen weer
binnenshuis te zijn, ergens onder dak, doorknaagde haar. Maar nee,
dàt niet. Liever verdronk ze zich dan nu armzalig terug te keeren! Haar
kinderen waren dood, èn hij kon haar gestolen worden!
Toch, de eenzaamheid, het zich alleen op de wereld voelen, drong
op haar in, riep òp de zucht om een eind eraan te maken. Maar ze
zette die gedachten van haar af. Hoe kwam ze daar toe, zichzelf te
kort doen, waarom, waarvoor? Ze kon werken, had nog handen aan haar
lijf. Als ze aan zulke inblazingen van de Booze toegaf, moest ze ver
zijn afgedwaald.
Beangst voor haar zelf zette ze de vaart erin, begon weer hard te
loopen, sjokte gehaast de stad dieper in, zocht de drukke straten op,
om ver van eenzaamheid en 't grachtenwater te komen. Een nieuwe angst,
voor ongelukken, voor een pan of steen, of om onder een rijtuig te
geraken, overweldigde haar nu. Ze verbeeldde zich dat haar wat moest
treffen, en in die vrees liep ze almaar voort door de straten, die
drukker en ook drekkiger werden.
Zonder het recht te weten stond ze voor de Oude kerk. Zware
orgelklanken dreunden op haar aan. Was dit een teeken? Deemoedig
sukkelde ze binnen, keek naar een plaats, liet zich neerzakken,
begon God te bidden, te danken voor haar redding. Maar de woorden
welden traag, ze kon ze bijna niet vinden. Wat ze 't sterkst voelde
waren haar lamme leden, haar vochtige kleeren, haar natte voeten.
De orgelklanken omstroomden haar weldadig en 't deed goed er naar te
luisteren, 't ontspande haar, bracht haar in een stemming om zachtjes,
zalig, haar tranen te laten komen, haar onrust weg te schreien en
geleidelijk-aan zich weer op te heffen.
De preek begon.
Ze dwong zich nu om goed te luisteren doch, na de eerste woorden van
de tekst dwaalden haar gedachten alweer af.
Ze was zoo moe, zoo moe. Een gevoel kreeg ze alsof ze ernstig ziek
zou worden en dan langzaam naar de hemel te varen, zooals ze hier nu
zat. De aandacht van de menschen voelde ze als een strakke spanning,
een vreemde stilte om haar heen,--en de woordgalmen van dominee
streelden op haar in, evenals daarnet de orgelklanken. Telkens zette
zij zich rechtop om toe te luisteren, maar ach, wat hielp het: ze
wilde niet naar huis terug, en 't leek wel of alle woorden die van de
preekstoel kwamen daarop doelden. Gekheid natuurlijk, gewoon toeval,
ze hield niet eens de draad vast, wist ternauwernood waar dominee
het over had... Toch de woorden: plicht... zich verzaken om hoogste
lof te winnen... bevrediging van 't leven... eerlijkheid en trouw, ze
kon ze allen op haar zelf toepassen. Ze zou nu toch goed op letten,
doch welke moeite ze zich ook gaf, het eenige wat haar verwarde
ooren vingen waren brokstukken die op haar zelf betrekking hadden,
al 't andere ging verloren.
Ze herleefde heel de bange nacht, haar droomen, haar verwachten,
ze zag terug de stond van gisteravond, hervoelde opnieuw haar haat
voor hem, haar minachting, haar afkeer en ze trachtte die weer te
sussen. Gansch haar leven vlamde voor haar op. 't Stond voor haar in
afgedeelde vakken. Wat was ze als meisje opgeruimd, hoe gauw verkeerde
dat en hoe neergedrukt zat ze nu. 't Was haar schuld...? De stem van
de dominee klonk er door heen. Haar schuld? mogelijk, ze wou zich niet
vrijpleiten... Maar hij dan? Welnee, ze was niet schuldig, ze deed haar
plicht. Met liefde en toewijding, klonk weer de stem van dominee. Ze
schrikte ervan op, probeerde te luisteren, het verband te vinden,
doch de woorden glipten langs haar ooren heen. Vanzelf dommelde ze
weg in haar vage luisterpeinzen. De warmte der stoven, de aandacht der
anderen, 't stemde haar zachter, stilde haar oproerigheid. Ze zag de
nachtscène weer anders. Zeker, hij was in 't begin wat aardig--en hij
kon 't nog wezen... wel niet zoo als vroeger, toch 't ging. Alleen
hij was zwak... en lui... en ongedurig... eigenlijk geen man... een
kind! Als-ie maar niet dronk. Waarom liet hij dat niet? Ze vroeg het
hem ieder keer opnieuw en dan zat-ie met de mond vol tanden of zei dat
't door haar kwam. Door haar? Hoe vond-ie 't uit? Elke dag, die de
lieve, goeie God gaf, zei ze toch: Jan, nou niet drinke! En toch liet
hij 't niet. Gemakkelijk genoeg op haar de schuld te schuiven... Zoo'n
laffe vent, nooit had ze met hem moeten trouwen!
Maar de hoogmoed stak haar in de kop, ze wou hooger òp... en nou
zat ze er voor. Haar zusters, affijn, die hadden 't niet beter,
die moesten ook vooruit, 't was kind op kind en de mannen vaak
zonder werk. En zoo ging 't met allen die ze kende. Waarom bleef
je als vrouw niet liever alleen? Ja waarom? Wie kan dat zeggen,
't gaat van zelf... bijna als geboren-worden. Je ziet een man en 't
komt ervan, zonder dat je 't zelf beseft. Je verbeeld-je al dadelijk,
dat hij de rechte is, dat je zonder hem niet kunt leven; maar als
't afgaat blijf je toch leven en na een tijd krijg je weer kennis
en beeld-je 't weer in of maak-je zelf wat anders wijs. Zoo gaat
het verscheiden malen en je weet later niets meer ervan als dat je
eens verliefd was. Als liefde zoo makkelijk komt, wanneer is het
dan echt en waarom kijkt een mensch niet beter uit de oogen, zoodat
men de goede krijgt? Ook zij meende zoo goed te hebben uitgezocht,
... was er toch zoo iets van bestemming? 't Moest haast wel....
De stem van de dominee klonk forscher òp, overvulde haar ooren. Ze
trachtte weer te luisteren. Jawel, daar had-je 't al, de dominee sprak
ook van de menschelijke bestemming... Een schande, dat zij zich niet
meer moeite gaf de preek te volgen.
Zij strekte haar lange rug nog wat rechter, strekte zich op, om zich
zelf tot meer aandacht te dwingen. Haar scherpe neus hoekte boven
haar dunne, spitse lippen uit en bij de zachte kerkeschemer zag ze
zich zelf in die spitsheid zitten, strak en stijf van gedwongenheid
om geen woord te laten ontglippen. En nu kon ze ook haar aandacht
op de preek gevestigd houden, hoorde ze dominee's woorden op haar
neerruischen, de woordjes, die als kralen aan een snoer geregen,
uit zijn mond weggleden. 't Begon haar te stichten, tot plots de
preek bleek gedaan! Het speet haar zeer! Zij trachtte te bidden,
maar onder 't leege lipgemurmel dreven vanzelf haar gedachten terug
en de aandacht ging opnieuw verloren.
De kerkdienst was geëindigd.
Met de anderen liep ze mee, alsof ze ging in een zwaar gareel en
werd voortgestuwd.
Haar moeiheid en zwaarheid in 't hoofd was wat over gegaan, maar
haar beenen voelden stram en stijf aan. In een soezel dreef ze mee,
de kerkdeur uit.
De mannen sloegen de broekspijpen om, de vrouwen namen haar
rokkenvracht hooger op, en ze deed dit ook. 't Bracht haar ineens
tot de werkelijkheid terug van op straat te zijn.
Er glimpte een straaltje zon, en dat maakte haar duizelig, ze moest
zich aan de kerkdeur vasthouden om niet te vallen. Een oogenblik
maar, 't kwam zeker door de warmte en haar lange suffen. Zie zoo,
't ging al weer over!
Voor haar lag 't stukje plein, en ze zag de Oude-kerksteeg vol
sneeuwig drab, grauw doorsiepeld en bruin van 't kledderloopen. Ze
moest er wel doorheen, daar viel niets aan te doen. Ze ontkwam dat
niet, evenmin als de anderen.
Rijtuigen reden aan, portieren klepten open, menschen stapten in,
portieren flapten toe, 't paard trok, de wagen rolde al voort en weer
anderen volgden. Dit was alles voor de rijken, niet voor haar. Ze
voelde dit minder dan ze 't zag, 't gaf haar alleen een angst voor
gevaar van onder de wagens te kunnen raken, 't maakte haar weer wankel
en duizelig ook. Maar de koetsiers weken behoorlijk uit en stuurden
allen naar een zelfde kant, zoodat zij niets hoefde te vreezen, en
terwijl ze zoo voortging wou ze wel lachen om haar eigen bangheid,
zij, die voor een paar uur zich van kant wou maken. Wat was een mensch
toch een wonderlijk mengsel en van waar kwam die angst om niet uit
't leven te durven scheiden?
Zij stapte nu flink aan, maar in 't sneeuwdrab van de straat moest
't vanzelf weer sjokken worden. Haar gedachten namen dezelfde maat als
haar voeten, 't ging op en neer, aldoor van voren af aan. Een mensch
maakt zichzelf het leven lastig, waarom dan toch? Eerst doe je moeite
elkaar te vinden en dan om van elkander af te komen; je draait als een
tol in 'n kringetje rond. Die dominee... wat zei dominee ook weer? Ze
wist het niet. Een schande, ze had er niets van gehoord. Als ze naar
hem toeging om raad te vragen, ja, maar dan moest ze een enkel woordje
kunnen zeggen over z'n mooie preek. Nee, naar hem ging ze niet... ze
had niets er van vastgehouden, ze zou gaan naar een ander, naar haar
eigen dominee... 't Was een idee,... die kon haar redden... misschien
kon het aan vaste werkhuizen helpen. In elk geval moest ze iets doen,
het rondslenteren in de natte sneeuw maakte haar al te lamlendig.
De zon was opnieuw achter de wolken weggedoken en een schriele wind
joeg door de straten, die nu na kerktijd over-vol raakten. De leegte
van vanmorgen leek met een vlaag omgezet in grauwe rumoerigheid. 't
Jachtte en stootte en 't trapte haar alles voorbij, ze dorst niet
op te kijken, de drukte maakte haar niet opgeruimder. 't Was, of ze
zichzelf schaamde met haar ellende voor al die anderen, die luide
spraken, hoog-op lachten en gelukkig deden. Zij joeg zich voort om
gauw bij dominee te komen. In één zenuwtrek liep ze door.