Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker,
suf-zwaar in haar hoofd.
De winterdag grauwde maar zwakjes door 't vertrek en in 't
zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een
zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn
drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij
teruggekomen zonder dat ze 't merkte of wist?--Ze begreep zoo weinig
ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke,
starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer
droomde. 't Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet
werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.
Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z'n armen,
zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm
van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde
haar dat ze zich vergiste.
Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van
gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze
kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon
zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets
doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte
zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig
door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:
--Hè, wor 'es wakker!!!
Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker
hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare
dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in
't bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om
hier naast hem te wezen in 't zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van
hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.
In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee
glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht
dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg,
en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren;
ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten
weigerden,--en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in
't vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handen bijna niet
samenwringen, want ze moest denken, denken.
En langzamerhand werd 't haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid
meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat 't anders
bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele
verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar
werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf
voor 't magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit
naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet
te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij
schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.
Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde
het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens
in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf
ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.
Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet
wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo'n smeerpoets... zoo'n
dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het
niet. 't Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends
tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar
gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie
niet...?
Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op, maakte haar dol. Razernij
pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem
wurgen, maar nu ze bij 't bed kwam voelde ze weer trillende angst:
hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest
ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!
In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te
hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over
't gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze
had vergeten ze te stoppen, d'r kon ze niks aan doen. 't Moest maar
zóó... ze moest weg.
In een oogwenk stond ze in de kleeren.
Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had
rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!
Ze sloeg een doek om...'t vodje van een hoedje had ze ook al op,
moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder
de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en
wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en
bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in 't rond.
De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar
af. Gotallemachtig, wat was 't koud. Zou ze toch nog eerst koffie
zetten? Welja, 't goed stond gepakt, als-ie z'n doppen opendeed,
kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou 't hem dan ook geducht
inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang? Bang voor hem, voor die
aap? Hoe kwam ze d'eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....
Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water
zat van gisteren, haalde een kopje, 't builtje met koffie uit de kast,
begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich
nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht
het hem bekomme... als-ie wakker werd.
Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de
ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou
kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen
later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan 't zwarte vocht. 't
Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze
deed. Nee, nee, 't was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen
of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.
Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem
in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus,
maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij
zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde
zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren
open te rukken, en 't hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze
bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei,
beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.
Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden
zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja,
in 't laadje van de tafel?
Met de koude, kromme vingers kreeg ze 't maar moeielijk gedaan. Ze
moest er bij gaan zitten en telkens de punt van 't potlood vochtig
maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar
uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan
weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze
er nog bij over z'n verschooning!
Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op
de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij 't dadelijk moest
zien als hij d'eruit stapte, overkeek nogeens 't vertrek in 'n gevoel
dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit,
tilde de zak op, vooraf al door haar in 't portaal gelegd, en zakte
dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet
toegaf onder haar treden.