IV.

Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker,

suf-zwaar in haar hoofd.

De winterdag grauwde maar zwakjes door 't vertrek en in 't

zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een

zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn

drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij

teruggekomen zonder dat ze 't merkte of wist?--Ze begreep zoo weinig

ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke,

starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer

droomde. 't Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet

werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.

Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z'n armen,

zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm

van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde

haar dat ze zich vergiste.

Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van

gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze

kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon

zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets

doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte

zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig

door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:

--Hè, wor 'es wakker!!!

Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker

hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare

dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in

't bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om

hier naast hem te wezen in 't zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van

hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.

In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee

glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht

dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg,

en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren;

ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten

weigerden,--en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in

't vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handen bijna niet

samenwringen, want ze moest denken, denken.

En langzamerhand werd 't haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid

meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat 't anders

bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele

verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar

werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf

voor 't magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit

naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet

te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij

schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.

Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde

het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens

in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf

ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.

Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet

wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo'n smeerpoets... zoo'n

dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het

niet. 't Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends

tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar

gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie

niet...?

Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op, maakte haar dol. Razernij

pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem

wurgen, maar nu ze bij 't bed kwam voelde ze weer trillende angst:

hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest

ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!

In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te

hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over

't gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze

had vergeten ze te stoppen, d'r kon ze niks aan doen. 't Moest maar

zóó... ze moest weg.

In een oogwenk stond ze in de kleeren.

Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had

rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!

Ze sloeg een doek om...'t vodje van een hoedje had ze ook al op,

moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder

de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en

wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en

bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in 't rond.

De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar

af. Gotallemachtig, wat was 't koud. Zou ze toch nog eerst koffie

zetten? Welja, 't goed stond gepakt, als-ie z'n doppen opendeed,

kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou 't hem dan ook geducht

inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang? Bang voor hem, voor die

aap? Hoe kwam ze d'eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....

Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water

zat van gisteren, haalde een kopje, 't builtje met koffie uit de kast,

begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich

nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht

het hem bekomme... als-ie wakker werd.

Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de

ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou

kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen

later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan 't zwarte vocht. 't

Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze

deed. Nee, nee, 't was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen

of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.

Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem

in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus,

maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij

zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde

zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren

open te rukken, en 't hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze

bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei,

beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.

Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden

zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja,

in 't laadje van de tafel?

Met de koude, kromme vingers kreeg ze 't maar moeielijk gedaan. Ze

moest er bij gaan zitten en telkens de punt van 't potlood vochtig

maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar

uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan

weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze

er nog bij over z'n verschooning!

Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op

de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij 't dadelijk moest

zien als hij d'eruit stapte, overkeek nogeens 't vertrek in 'n gevoel

dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit,

tilde de zak op, vooraf al door haar in 't portaal gelegd, en zakte

dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet

toegaf onder haar treden.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 28 / 37 题