III.

In 't lamplicht, bijna neergedraaid tot schemerschijn, lag de kamer nu

rustig,--en zijzelf keek met strak-open oogen in afwachtend berusten.

Buiten vlaagden nog na de sneeuwige winden, die niet meer zoo fel als

in de vooravond, nu en dan raaklings langs de vensters streken, er

aan jokkerend rukten als in even herinneren. De poes, uitgekolderd,

zocht een plaatsje op de in-d'r-haast neergekwakte rokken, die in

een zwarte vracht de stoelzitting overbolden.

De stramme moeheid van haar lichaam voelde ze nu eerst goed, haar

beenen zoo stijf als houten stelten, haar rug als gebroken,--en 't

kwaad, broeiig hoofd, zwaar als lood, deed pijn van alle kanten. Ze

wilde slapen, goed uitrusten, ze groef daarom dat hoofd diep in

't kussen, trok de dekens over de ooren. Maar de gedachten joegen,

warrelden van zelf weer op. Al 't voorgevallene rammelde als

een draaiend rad aldoor voor haar oogen. Nu de kamer daar zoo

vredig lag, hinderde en ergerde haar de eigen opgewondenheid. De

vaalbeschenen bedsteeruimte leek haar een donker gat,--en als ze de

oogen sloot, zag ze weer de herrie van straks, de mizerie van zooveel

jaren die nijpender werd door zijn gedurig zonder werk zijn, zijn

rondslenteren. Ze moest wel zelf haar handen uitsteken, dagelijks

uitwasschen-gaan, nee, ze schonken 't haar niet, de heele dag over

die heete tobbe te staan en dan 's avonds haar eigen boeltje nog doen,

daar viel niet mee te grappen! En van dat alles zou ze niets zeggen,

als hij niet zoo 'n beroerling was, met wie ze niet eens medelijden

kon hebben, omdat hij zijn onmacht, 't niet kunnen aanpakken,

achter allerlei uitvluchten wegstak, nog deed alsof de schuld niet

aan hem lag, maar aan het toeval, aan de omstandigheden. Hij wrokte

op zijn familie, op z'n broer die niet wou helpen, alsof dat mokken

en schimpen wat gaf. Als hij ronduit zei: Ik kan niet vrouw.... werk

voor mij... ik ben te lam, te beroerd, dan zou ze hem de huid vol

schelden, en eindigen met hem toe te geven, voor hem te zorgen,

zooals je ook zorgt voor een kind, voor een hond of een kat.

Maar nou hij bij alles nog een snugger gezicht zette van wèl te kunnen,

alle anderen te glad-af te wezen, de tegenspoeden als ongeluk liet

doorgaan om haar de mond te snoeren, en haar verweet dat ze niet lief

tegen hem deed, nee, dat liep erover heen! Zeker, als je getrouwd

bent, moet je mekaar bijstaan, maar wie niet inbrengt heeft zich een

beetje te schikken, hoeft niet de baas te spelen. Dat had-ie vroeger

meer dan zat gedaan! Als ze in 't begin de duim wat steviger op de

zak had kunnen houden, zoûen ze niet zoo zijn afgezakt. In zooverre

droeg ze schuld mee. Maar ach-ach, wat kon ze in die tijd d'er an

doen? Wat wist zij van z'n zaken af? Geen woord repte hij ervan,

hij hield haar van alles onkundig tot ze voor 't faljiet stonden.

Een rauwe vlijme smart, de hooploosheid van nooit 't verlorene

te kunnen terugwinnen, en 't besef van op straat te worden gezet,

somberden in haar op, omklemden haar als met worgende handen. Ze stikte

bijna in eigen radeloosheid. Er moest iets gebeuren, maar wat?.... ja

wat? Haar behuilde oogen staarden wanhopig door de schemertreure kamer

naar 't erbarmelijk overschot van haar eerst zoo mooie inboedeltje;

dat beetje zou ook gauw versnipperd worden, als ze de woning werden

uitgezet, waar dan naar toe? 't Boeltje in weer en wind op de publieke

straat, misschien hier of daar in een hok, in een slop, of ergens op

een zolder, als ze dat dan nog konden vinden.

Een verzet steeg in haar op. Nee-nee, dat niet, liever maakte zij

zich van kant, liever de gracht in dan die schande! En o,.... als

het morgen niet gebeurde, eens kwam het zeker zoover. Ze zag 't

zoo vast voor haar als daar dat licht! Al kreeg-ie ook morgen werk,

na korter of langer tijd liep 't weer mis. Op den duur viel er geen

land met hem te bezeilen; hij deugde voor niks. En 't ergste bleef

zijn aldoor-in-de-kroeg-zitten, zoogenaamd om werk op te schooieren.

Nee-nee, dat leven kon zoo niet voortgaan! Hij liet haar tobben,

trok ertusschen uit. Ze moest van hem af! Een man die de kost niet

verdient is geen man, is een slampamper. Voor zichzelf haalde ze haar

broodje gemakkelijker dan met hèm erbij, al veel eerder had ze dat

moeten bedenken!

Haar oogen staarden strak naar de neergedraaide lamp, waarvan 't

licht nog zwak òplichtte, de melkige kap, in de stroeve kamerruimte

zwevend als een halve, witte bol. De wind scheen te zijn gaan liggen,

't gerucht was gering; ze meende te kunnen hooren de zachtheid van

de sneeuwval.

't Was werkelijk rondom stil.

De gedachte van weggaan, onmerkbaar als een zucht opgestegen,

liet haar niet zoo grif los. Aldoor welden nieuwe overwegingen op;

ook de bezwaren drongen zich daartusschen. Weggaan? Goed en wel,

maar waar ga je dadelijk naar toe, waar kom je zoo ineens onder dak,

als je geen rooie cent bezit?

Vooraf moest ze overleggen wat ze ging doen. In betrekking had-je

't wel goed. Op tijd je eten en drinken, behoorlijke ligging en

verzorging, na drie maanden nog je loon erbij. Geen moeite had-je en

geen krimp, maar je moest voort van 's morgens vroeg tot 's avonds

laat. Al diende ze nooit, ze kon dat werk wel af,--en haar handen

wist ze te gebruiken. Als kind ging ze op een ateljee, deed later

't huishouden van moe voor ze trouwde, dus dat zou wel kunnen. Het

uit wasschen en uit strijken gaan wat ze nu moest doen had ze ook

niet geleerd. Als ze eens 'n strijkerijtje opzette? voor haar zelf

begon? In dat geval moest ze de meubeltjes hoûen, de kachel en de

strijkbouten vooral!

Ze keek weer rond door 't zwakverlichte, schemervale vertrek,

en 't omringende werd haar ineens dierbaar. 't Meeste had ze zelf

gekocht. Ach, van de vroegere overdaad moest ze al zooveel van de hand

doen. Maar hoe ook, 't hoorde hun beiden en niet haar alléén. Om te

verkoopen of naar de lommerd te brengen, daar was-ie voor te vinden,

maar om het aan haar af te staan, hoe kwam ze eraan? Ja, als ze het

wist op te koopen?

Misschien als 't boeltje op straat werd gezet...? Dan kon-ie weinig

rechten laten gelden. Maar daarmee had zij 't zelf nog niet in handen,

eerder haalde-ie een sjacherjood erbij, dat liet zich denken, dan

kon-ie de centen ervan opsteken. Ja, als ze wat achteraf had, om

als 't zoover kwam 't hem af te koopen. Of die jood erop afsturen,

kwansuis natuurlijk! Maar die sjachels kun-je niet vertrouwen!

Haar geest werd vindingrijk, maakte buitelingen, sluwe plannen en

berekeningen, die bij nader inzien onuitvoerbaar bleken. Wat ze ook

bedacht en hoe ze 't ook wou overleggen, bij alles diende ze geld te

hebben. Zonder dàt dee-je gewoon niks!!

Ze moest dus eerst sparen. Maar ze kwamen al voor de huur te kort, hoe

kon ze dan wegleggen? Dat was toch al gos-onmogelijk! En gesteld, dat

ze elke dag wat achterhield, zou ze dat kunnen volhouden.... schraperig

wegstoppen als ze honger had? Nee, dat ging niet, toch zou 't

moeten....

Ze voelde haar hoofd sufzwaar worden van al dat moeizaam

overleggen. Zeker? ze wou van hem af, alleen ze wist niet op welke

wijze. Die huisheer bleef 't ergst, en niet gemakkelijk uitgevallen,

een echte uitknijper, die op een cent dood blijft. Was ze nu maar een

mooie vrouw dan kon ze hem paaien, eens lief aankijken. Daar deed-die

vent veel voor, zeien ze. Maar daarvoor deugde ze heelemaal niet. Die

Greet lapte 't goed, kreeg alles met een lachie en een fijn smoezie

gedaan, maar zij verstond dat kunstje niet, zei alles gewoon-weg

en recht-uit. Ze kon 'n kerel niet aanhalen, niet flikflooien, haar

eigen man niet en een ander nog minder, je moet ervoor geboren zijn...

Haar gedachten gingen zich leggen, ongemerkt,--en haar oogen,

zwaar van slaap, kon ze niet meer openhouden. Ze voelde zich

indommelen. Misschien maar 't beste, morgen komt er weer 'n dag! zei

ze berustend.

Het klokje sloeg. Ze schrikte op, luisterde. Eén uur.

Hij was er nog niet.... als-ie eens... als-ie eens wegbleef, niet

terugkwam? Ze durfde haar gedachte bijna niet uitspreken. Een vreemde,

vage jubel drong in haar op, overmeesterde haar. Niet terugkomen... wie

weet?

Ze raakte ineens weer klaar wakker, zei: Nou niet slapen, opletten! Al

wat ze daarnet overpeinsde gebeurde wie weet vanzelf, ze was dan

vrij... om te handelen. Maar nee, er bleven bezwaren. De huisheer kwam

dan bij haar, en waarvan moest ze hem betalen? Misschien gaf-ie toch

uitstel, als d'er man haar liet zitten. Mogelijk, maar óók niet! Van

zoo'n steggel, zoo'n penningfokker had ze niet veel te verwachten.

Haar gedachten vertroebelden weer, werden loomer, zwaarder. Ze

verzette zich ertegen, wou niet aan de slaapdrang toegeven, wou wakker

blijven. Maar 't ging niet; ze dommelde, dutte in.

Telkens schrikte ze even op, meende gerucht te hooren, en als ze

keek zag ze 't bed nog leeg, en in 't vertrek niemand. De kansen

vermeerderden, en dadelijk dacht ze weer aan wat nu 't eerste ging

dringen: de huishuur. Toch maar makkelijk voor zoo'n vent om huisjes

te hebben en daar geld van te kunnen trekken; dan anderen uitschelden,

op straat zetten... en zelf al slapende je kostje halen! En gelijk

dacht ze weer aan die elf weken ten achter. Die haalde ze nooit

in... ze moest dus toch de straat-op, uit dienen... of nee, een klein

hokkie huren en dan de strijkkachel mee! Haar gedachten dwarrelden

weer door elkaar. Ze zou wel zien... morgen... morgen... ze kon nu

niet denken... was-ie daar?

Met schrik hief ze zich op, keek met slaapoogen rond. Nee, nog altijd

niet. Gelukkig!

Haar oogen sloten zich weer, ze trachtte ze nog open te knipperen,

maar ze bleven toe. Die huisheer... die huisheer!

't Werd al vager en verwarder wat ze dacht en wat ze overlegde. Ze

poogde nog eens de oogen te openen, dan sliep ze in, zwaar, onrustig,

overzenuwd door de vermoeidheid, de afmatting na de vele opwinding.

Ze droomde gruwelijke dingen... van moorden en vervolgingen en van diep

vallen in een water. Even werd ze weer wakker, schudde de nachtmerrie

van zich af, maar de dwanggedachte dat ze zich moest verzetten en

handelend optreden liet haar niet los. Slaap en droom verwikkelden

zich, dwarrelden dooréén, werden één enkele benauwing.

Over tweeën sukkelde Baller naar huis.

Tot het sluiten toe was hij in het koffiehuis blijven plakken,

meedrinkend op de reutel als er werd getrakteerd door de

eigenbouwers. Hij had, wat hij noemde een snee in de neus en hij

wist dat z'n vrouw dan van hem walgde en gruwde. Ze kon niet velen

dat hij aan haar lijf kwam, of haar maar even aanhaalde. Hi-hi-hi,

hitste hij zichzelf op, bij mij is 't net anders om, als er een

glaasje inzit ben ik leutig en dan hoû ik weer van 'n vrouw.

't Was hem vanavond nog al meegeloopen. Wat

zei-ie? meegeloopen... gewoon prachtig gelaveerd, werkelijk

geboft! Vier revolutie-panden in het grond-papier zetten, als het

teminste dooiend weer bleef, want met vriezen gaat alles stuk,

't gaf eenige weken spek in de pan, ook al moest-je-je uit de naad

schrooien. Plakken, plakken, dat je gek werd van al dat gestrijk

en zelf een bonk stijfsel werd! Als-ie aan 't werk dacht werd-ie

alweer klein en voelde zichzelf al mierig, een echte naar beneden

gezakte. Verdorie, daarmee hadden ze vroeger eens bij hem motte

ankomme!... Naar de mookerhei met dat revolutiewerk, de een deed

't al minder dan de ander, enkel om aan de gang te blijven en je

verdiende niet veel meer dan een schanslooper.

Maar allé, hij kon zijn vrouw toch toonen dat-ie wou en dat het niet

zoo stom is in de kroeg te zitten. Als de berg niet tot je kwam,

most-je wel tot de berg gaan! O zoo! Lekker zou-ie haar nou 'es

troeven, nou had ze net niks te zeggen! Leutig werd-ie weer terwijl

hij dat overdacht en onder het sukkel-zware loopen zijn vroolijkheid

van halfdronken man weer steeg. 't Was koud en rillig, blij zou-ie

wezen als-ie bij zijn vrouw onder de dekens lei.

Zou ze nog òp wezen? Liever had-ie dat niet. Al moeite genoeg zou-ie

hebben zich naar boven te hijschen op die vervloekte steile trap. In

't volle licht kreeg ze 't ook al gauw in de raamstraten dat-ie een

knap stuk in had, en dan gaf ze zoo op hem af.

Een huiver van genot liep hem door de leden. Hij moest juist een

tikkie òp hebben, om je weet wel in de rechte stemming te wezen. De

heele week heb je al mizerie genoeg, zaterdagsavond wil-je wel 'es

van je vrouw profiteeren! Je bent toch niet voor niemendal getrouwd,

al lijkt het er veel op!

Zich met moeite door de soppige sneeuw heen baggerend, stijf van

leden, dofzwoel en toch zoo prikkelend-fel van hoofd door de vele

borrels en het sukses van z'n werkoploopen, raakte hij eindelijk aan

de deur en kon hij de vele treeën opklauteren. Gelukkig! net zooals

hij dacht, ze lag al te bed! Had-ie wel goedgekeken, het lampje was

toch neergedraaid? Mal, dat je soms aan je eigen oogen twijfelde. Geen

wonder ook, want d'er zat vanavond genoeg in!

't Viel hem al moeilijker zijn evenwicht te bewaren en meermalen

moest hij zich vastgrijpen aan het traptouw om niet naar beneden te

tuimelen. Verdraaid, hij was verder onder zeil dan hij meende. Nou

goed, lollig voelde hij zich toch, ja juist omdat-ie had gedronken,

en ook dat-ie weer troeven kon met 't werk!

Eindelijk stond-ie nu boven, opende behoedzaam de deur en sloop

binnen. In 't vale schijnsel van 't half neergedraaide lampje

ontkleedde hij zich bedachtelijk, telkens inzichzelf grinnikend en

ophikkend en toch zich weer inhoudend. Zoo stil mogelijk, hoewel

niet geheel zonder stommelen, werkte hij zich in bed. En nu, na eerst

even te hebben gerust, herkreeg hij de volle moed en meende zich te

kunnen laten gelden. Opgehitst door de drank kwamen zijn zinnen fel

in beroering, en eerst nog aarzelend, dan al gedurfder en brutaler,

ging hij haar aanstooten, probeerde haar wakker te maken, gesmoord,

hitsig roepend haar bij de naam.

Maar haar slaapzucht werkte al te zwaar door, zoodat ze het niet

merkte en na elke vage opschrikking nog dieper indommelde. Haar nu

gloeiend-warm lichaam verroerde zich niet onder zijn duwen en zijn

tastelijkheden, 't lag er onbewogen onder alwat hij begeerde. Even

kreunde ze 't onbewust uit als hij al te erg werd en sliep weer

door, al voelde ze vaag dat er wat met haar gebeurde en waartegen

ze zich moest verzetten: hij vervolgde haar, wou haar tot zijn wil

hebben. Maar 't bleef alles voor haar onwezenlijk als in een droom,

een zware beklemming met allerlei verschrikkingen die ze dacht te

ontvluchten en waarbij ze dan stortte in een groote diepte. Tot

eindelijk hij afliet en ze van niets meer wist.

Uitgeput van zijn getob, viel ook hij in slaap en snurkte zonder

droomen.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 27 / 37 题