Het felle toesmakken der deur relde en rammelde nog na door 't heele
vertrek, trilde langs de kale behangselmuren, beflapperde 't wiebelend
lamplicht, woedde in de potkachel, die ineens weer harder snorde. 't
Scheen alle voorwerpen te omstrijken, te beroeren, omgolfde, omvatte
haar zelf, als in een huig van kilheid en vrees.
De armen vielen vrouw Baller slap langs 't lijf. Ze voelde zich
geslagen, al raakte hij haar met geen vinger aan. Veel streken
haalde-ie uit, maar zoo brutaal als nu nog niet, dát liep er over heen!
Een krampige verontwaardiging doorschokte haar, maakte haar star en
stijf. 't Was of alles door dat toeslaan der deur in onrust schommelde
en bleef schommelen; ze keek ernaar met blinde oogen. Maar na een
poosje haalde ze de harde schouders op, perste de lippen nog meer
samen, mompelde tusschen de gesloten tanden:
--Welja, welja.... ga je gang maar... d'er kan nog meer bij; waarom
niet?
Ze aanvaardde maar moeilijk 't geval, schoof met haar slofvoeten naar
de kachel, zette de waterketel terzij, nam de strijkbout om met haar
wasch voort te gaan. En toch, de verwarring, de ontstemming weken
hiermee niet; ze kon haar aandacht niet bij 't strijken houden.
Haar vingers beefden, heel haar lichaam beefde. 't Was ook te
erg! Zonder acht te geven op wat ze deed, verstapelden haar handen
de hoopjes, tastte ze het goed te hoog op elkaar. Het tuimelde om,
viel van de tafel. Nu moest ze het weer oprapen. Slap liet ze het
koud-geworden ijzer over 't goed gaan en de handen vielen weer langs
haar heen. Alles rondom bleef in beweging. 't Licht wiebelde en wipte,
vlekte schaduwen op 't behang, zwartte grimmige kringels over 't
plafond, beglimpte de vaasjes en gipsbeeldjes op de schoorsteenmantel,
maakte ze tuiterig en scheef. Het klokje uit de guldensbazar hoorde
ze onregelmatig tikken, de slinger ging slikker-de-slik, slingerde
zoo vreemd, alsof 't ding eruit zou vallen. Zelfs de ruiten maakten
geweld, alles leek in opstand. Natuurlijk onzin, verbeelding, dàt wist
ze opperbest! Het bracht haar tóch van streek. In haar ooren bleef
doordaveren 't toeslaan van de deur, zijn trapafhollen. Schrijnend
voelde ze haar onmacht, de onmacht van vrouw, die voor de boel
blijft zitten, en de getrapte is, ook als de man niet trapt, enkel
maar wegloopt.
Zij pakte het ijzer weer aan, om door werken haar gedachten te
verzetten, haar woede te temperen, maar 't lukte niet half. De punt van
't ijzer stootte door 't versleten goed heen, ze vergat de strijkzool
aan te voelen, of een lap op te leggen en verschroeide een van de
weinige lijfjes die ze nog bezat. Ze streek, perste, vouwde voort, en
zuchtte er tusschendoor. Haar hè-hè's sneden vinnig door 't vertrek,
en de tafel schokte en knerste mee in haar heftig gewerk. Ze moest
zich intoomen, dàt voelde ze, ze zou maar liever de naden uithalen en
gaan verstellen. Dat vlotte ook al niet best. Haar vingers glipten
door 't dunne goed heen, stuk voor stuk moest ze terzij leggen,
't was of de gaten ermaar zoo invielen, geen bijhouden aan. Och ja,
't ging ook al lang genoeg mee... elf jaar... geen kleinigheid... 't
beste slijt, en geweest is geweest! Wat kocht ze in al die tijd bij,
een bedroefd drupje, 't meeste voor hèm. Ze deed 't nog met dezelfde
hemden, dezelfde rokken van haar trouwdag af.
Haar vingers gristen weer door 'n sloop heen.
Zie in gosheerenaam toch 'es an, drifte ze, daar is geen verstellen
meer an... kan je niet eens meer uitstukken, zelfs niet meer bijhalen,
de voddenjood geeft geen drie kwartjes voor al wat hier ligt! Thuis
hadden ze 't niet breed, maar de kast zag er toch behoorlijk uit. Hij
moest noodig zeggen, dat hij haar uit een sjofele boel haalde! O! O!!
De kwaadheid, zoo lang bedwongen, ziedde, brak uit naar alle
kanten. Lammeling, labberkak, die je bent, schimpte ze. Zoo'n
gluiperd, zoo'n rakker, geen cent brengt-ie in en toch mot-ie naar de
kroeg!... Hij werk-zoeken? Ja, dat kun-je begrijpe, veel te graag
lust-ie een spatje, daar was 'et hem om te doen, of ik 't niet
snapte! je zwijgt en zwijgt, doet of je 't niet merkt, om de vree
te bewaren. 't Loopt toch op niks uit, een vrouw moet het altijd
misgelden, maar pas op, pas op mannetje, aan alles komt 'n eind!!
Voor haar van kwaadheid vlammende oogen zag ze klaar hoe-ie daar
straks zat geschonkt tegen 't gordijn, tusschen raam en kachel,
alsof 't gordijn niet gauwgenoeg vuil wordt, ook zonder dat je
er tegen leunt. Ze rook weer zijn adem, de dwalm van jenever, die
goor-zure stinklucht, alsof je boven 'n goot lei, en ze zag vlijm
hoe stommelig-onnoozel, hoe miezig hij in die krant ploeteroogde. Ze
kende dat bedrijf, de krant had ze uit zijn handen moeten slaan. Ja,
dat had ze moeten doen en de deur afsluiten, veel te goed was ze voor
hem. Ze schold en schimpte voort, schimpte zoo heftig dat de eigen
woorden haar om de ooren ketsten. Door die opdrifting aangevuurd,
balde ze de vuisten, alsof-ie daar nog in 't hoekje zat en ze hem
daarmee klein kon krijgen. Het strijkgoed smeet ze ruw neer, en dat
viel op de grond; nu moest ze 't weer opnemen. Onmachtig zakte ze op
een stoel, berstte in zenuwend huilen uit.
Een heele tijd zat ze zoo. Eerst langzaam-aan bedaarde ze, beseffend,
dat ze zich van streek maakte voor niets. Wezenloos staarde ze haar
vertrek in 't rond, de handen in de schoot,--en nu ineens leek 't
haar zoo stil, de bewegelijkheid van straks ongemerkt vergleden. Niets
bewoog zich, zelfs geen schaduw aan de wand. De lamp krinkelde rustig
zijn ringen op 't plafond en van de straatventers drong geen gerucht
meer door.
--Is 't dan al zoo laat? vroeg ze zich.
Ze keek naar 't klokje. Dat stond op kwart over negen. 't Tikte
niet. Zeker afgeloopen, 't moest toch later zijn!
Ze draaide het kreupelpootig uurwerkje op en nu de tik weer door
't vertrek liep, verbrak dit wat de eenzaamheid, voelde ze minder
de strakke, gelaten eenzelvigheid van wat rondom stond. 't Witte
strijkgoed, de stapeltjes vierkant-gevouwen lakens, handdoeken,
sloopen, ze grijnsden bleek op in het traag-gele lamplicht en opnieuw
sufte de kamer van de stilte.
Maar nu kwam er ineens gerucht, de kat joeg met lenig-wilde sprongen
door 't vertrek, dolde heen en weer in hoepelvluchten.
--Die hét ook de kolder in de kop, zeide ze, na haar heftigheid
verwonderd over eigen berusting.
De kat bleef jagen.
Plots rammelden de ruiten. Een windstoot flapperde langs 't raam.
--O, is 't in die tijd... is het dat? sprak ze halfluid. Ze wist het
nu. 't Werd slecht weer!
De eene vlaag na de andere joeg bollend aan, wervelde stootend uit,
zwiepte weer voort. De ramen klepperden hier en daar en overal. Langs
de huizen, langs goten, en hijschblokken schuurde piepknersend de wind,
die een wild dier gelijk beneden door de straten ging gieren.
Onwillekeurig luisterde ze er naar. Het maakte haar bevangen-stil. Na
een poosje scherpte ze zich zelf op, zei vermanend:
--Kom vooruit! wat geeft dat nou? Gauw de boel aan kant maken.... 't
duurt al lang genoeg!
Ze had nog maar 't restje bonte goed na te zien, uitgestukte boezels
en enkele wollen lappen, die eerst als luiers dienden; en ze pakte
flink aan, om er af te komen. Maar 't zien van die vaal-roode oude
luiers, stemde haar weemoedig. Ach, ach, wat maakte een vrouw niet mee,
wat kreeg ze al niet te doorstaan? De kinderen, dood! Misschien maar
gelukkig ook! Ze waren in de hemel beter af dan zij hier, wat moest
er van zulke bloeien zijn geworden....
Al haar kwaadheid verzonk in deze overweging. 't Maakte haar tam,
eenzaam-en-alleen-te-moede. Ze zag vóór zich de kinderkens, zooals
ze werden geboren, zooals ze lagen in de wieg, en zooals ze de geest
gaven, de oudste aan hersenziekte, de tweede aan stuipen, de derde aan
de ingewanden, en nogal meer. Op één na 't jongste, een blond-bleek
meisje, dat, naar ze zeien, op haar zóó leek, herzag ze 't scherpst.
Er welde een traan naar haar oog, en die drupte op haar verharde
handen. Ze veegde met de handrug af, verzette zich tegen die
gevoeligheid, en zei strak:
--Gekheid, wat geeft het, je moet berusten. God heeft gegeven en God
heeft genomen.
Maar ze vergat te zeggen: Zijn naam zij gezegend of Zijn wil
geschiede.--Ze slikte dàt in, liet erop volgen in schaamte over dit
verbergen: Hij zal wel weten wat goed is voor ons, arme stervelingen!
De smart omving haar geheel: ze voelde zich klein, erg klein,
en zuchtend tobde ze voort. Haar handen gingen draderig; wel tien
keer streek ze 't zelfde vouwtje uit, en haar oogen staarden blind;
ze vorderde weinig.
De wind schuurde nu nog ruwer langs 't raam, dat in de voegen
rammel-trilde, en de windstooten deden 't gordijn bollen. Wezenloos
blikte ze 't vertrek rond en zoo stond ze een poos gedachtenloos
tot ze haar aandacht weer vestigde op 't rammelend raam; ze zou een
spijker of 'n stukje hout als wig tusschen de sponningen duwen. Dat
lawaai werd niet uit te hoûen, en het tochtte ook!
Ze rommelde in 't spijkerbusje, nam een paar vierkante nagels, dik
van roest, morrelde die tusschen 't raam en de lat. Nu eerst zag
ze, terwijl ze met de eene hand 't gordijn afhield, dat het behalve
stormen ook nog sneeuwde.
In wilde, stuivende vluchten joegen de dunne witte vlokken
schuin-zwijgend door de stratenlengte, flapperden week tegen de ruiten,
smolten, dreven weg.
Ze gluurde vaag in die witte warrel naar beneden, zag eenzaam-leeg
de straat, waar de venters zooeven nog opgehoopt stonden.
De ijle dwarrelsneeuw zweefde neer, kleefde, bedekte het plaveisel
met een dunne drijvende laag, waarin waterig-groot de voetstappen
der menschen en wagens gingen plekken, als onregelmatige slingers in
elkaar geweekt.
De voldoening van rustig binnen te zitten borrelde in haar op. Hm,
hm!! Lekker voor hèm, ziezoo, nou kreeg-ie ook zijn portie. Maar
ineens bedacht ze met 'n schrikje, dat ze vergat in te koopen,--en
voor morgen had ze niets in huis! Misschien stond er nog een vent met
'n kar, anders moest ze naar de groentewinkel, èn dat werd duur!
Met een zucht liet ze 't gordijn tegen het raam terugvallen, strikte
de boezel los, nam een wollen kaper, knoopte die om de ooren. Nou
moest ze d'er toch nog uit. Niet plezierig! 't Groentebakje onder
de arm, zakte ze gerept de trappen af, en 't schoot haar te binnen,
nu ze in 't stroeve trapdonker de treden onder haar hoorde kraken,
dat hij een uurtje geleden nekbrekends er af hotste. Ze grinnikte,
hij verdiende niet beter als hem wat overkwam, ze gunde hem haast
een ongeluk, en toch, haar wrevel, haar grootste kwaadheid was geweken.
Ze stond nu buiten. De sneeuwwind joeg in nattige striemende vlagen
en zwiepte haar venijnig in 't gezicht. Ze keerde haar hoofd om, doch
ze moest, de andere kant uit, tegen de wind in. Ze strompelde voort,
de handen vol omdat ze de rok moest ophouden.
Om de hoek stond nog een wagen. Zij sjokte er naar toe. 't Viel mee,
een honderdste tref in zulk hondeweer! Als hij nou maar had wat haar
leek! Witte kool? dat ging, en een maat aardappelen! Ze dong af óp
de prijs, niet te veel. De man overvroeg niet te bar in 't striemend
weer, hij wilde gauw loskomen; en ze werden 't dadelijk eens: acht
cent voor de witte kool, elf cent voor de aardappels.
Haar handen dreven van de kleverige sneeuw, ze moest nog een cent van
haar twee dubbeltjes terughebben, en nu ze die eindelijk had sjokte
ze naar de overkant om een onsje spek en een pannebrood.
Een oogenblik dacht ze, dat Baller er aan kwam, maar ze zag
verkeerd. Nee, zoo gauw verwachtte ze hem ook niet, hij zat natuurlijk
in de kroeg!
Ze kledderde weer de trappen òp, de voeten nat van 't drabbig
vocht,--en blij op haar kamer terug te wezen, voelde ze de
huiselijkheid haar opnieuw omsluiten. Br! wat 'n weer, hij moest 't
zelf weten als-ie zich een ziekte op de hals haalde! Haar bakje met
inkoopen zette ze neer, droogde haar handen, die nog klef waren van
de natte sneeuw. De kat streel-rugde tegen haar aan, spon om haar
voeten heen,--en ze merkte danig de floeperigheid van haar natte
rokken. Fluks schoof ze de bovenste uit, hing die op aan 'n spijker,
en streek met haar nog aldoor klamme handen de verwaaide fletse haren
uit het norsch gezicht.
Wat zou ze doen? De kool schoonmaken of koffie zetten? Nee, daar lei
de waschboel nog, dat moest eerst gebeuren! Verdorie, daar kwam van
avond geen einde aan. Alles door die lamme kerel!!
Zij nam hoopje voor hoopje, bergde het goed weg in de muurkast op
schoone, propere kranten. Zóó opgestapeld, de gave, dikke kanten voor,
toonde haar waschje nog heel wat. 't Bracht haar in betere stemming. 'n
Poosje bleef ze welbehagelijk ernaar turen, maar de berg verstelgoed,
die daar nog lag, maakte haar vanzelf weer korzelig. Dan schoof ze
de tafelbladen in, zette zich niet te ver van 't licht, met de bak
op haar schoot, en begon aan de kool.
Rondom stond het vertrek nu ganschelijk stil. Alles leek zoo strak
en onbewogen als in diepe nacht. En toch was 't pas elf uur! De lamp
brandde traag en wiebelde niet; geen lichtverglijdingen glipten uit,
geen schaduwingen gleden langs de wand. Alles bevond zich konstant in
licht en donker. De stoelen met de wit-geboende matjeszittingen reiden
dáár als blanke plekken langs het schemer van de vale behangselwand;
ze stonden koel-enkel op 't kale, rafelige groen- en zwartgestreept
vloerkleed, dat in een zwarte grom scheen uit te vloeien. Geen gerucht
sloeg meer óp van de straat, geen gil van een avondventer, geen
kargeratel, zelfs geen voetgestap. 't Sneeuwig weer dempte alles. Nu
en dan vlaagde nog alleen de wind met zwakke stooten, als heel van
verre, wat de wakke kamerstemming nog meer verzwaarde. Alles zweeg.
De poes zocht haar plaatsje bij de kachel alweer op, lag als een
glanzend kluwen in elkaar, onbewogen. In het aankante vertrek zag
zij zich zelf zitten vereenzaamd, alleen. Alles zoo stil, zoo stil!
Zonder er naar te zien sneed ze de kool, en haar gedachten dwaalden
overal heen. Telkens lagen haar handen in de schoot; als ze dit merkte,
schokte ze weer op, werkte voort, in trage wil van arbeidsdrens.
Een harde deurdreun schrikte haar op. Zou hij 't wezen!?
Ze luisterde scherp-oorig, adem-ingehouden van vaag verlangen. Als hij
't was, zou ze geen ruzie maken, maar koffie zetten. Voetgestommel
klom op, verdofte. Een sleutel knarste ergens in een slot, 'n deur
knierde open, klapte toe. Nee hij was 't niet. Een van benejen!
De stilte omspon haar weer; ze sneed voort haar kool. De glad-harde
schilverlingen ritsten onder 't kervend mes langs haar handen, hoopten
zich saam in de bak, blank-gele bladweefsels vochtig-vast. Een wrange
wasem, de geur van 't groeisel steeg er uit op, kneep vast in d'r
neus. Haar oogen gingen lichtelijk wateren; telkens moest ze zich
met de handpalm afvegen. Nee, nou werd ze nog melankoliek ook!
De dreunslag van iemand die thuiskwam herhaalde zich, en nog vele
keeren. Ze twijfelde, hoopte dat hij 't mocht wezen, al bestond
daarvoor weinig kans. Zoo onzeker voelde zij zich, dat zij niet de
moeite nam koffiewater op te zetten. Vroeg zat als hij d'er was! En
toch luisterde zij bij elk gerucht op de trap. Dood-moe van 'n heele
dag hard werken, gestriemd door de ruzie en zijn vlucht, liet ze
't hoofd erbij hangen, peinsde ze er weer over na. Het klokketikje
doorrikte de kamerruimte regelmatig, een tikkeling die zich aan
niets stoort! Het leven ging door, dat voelde ze sterk, en niets
komt terug. Ze meende het goed met hem, daarom haalde ze nog wel
in 't fleschje, maar ze vergat hem dàt te zeggen. Een hekel had
ze aan de drank. Gewoon vergift! De jenever maakte hem zoo slap en
slecht. Maar als ze nu toch voor hem haalde, waarom 't hem dan niet
dadelijk gezegd? Misschien was-ie dan gebleven; met 'n neutje, met 'n
dubbel maatje dee je zoo veel, had ze hem gemakkelijk thuis gehouden.
De laatavondwakte van 't sneeuwig weer voelde ze door haar
geprikkeldheid heen, en haar eigen verlatenheid werkte op haar in
als een vreemde macht, die haar tot doordenken drong, aldoor. Haar
gedachten kwamen en gingen, keerden terug naar 't zelfde punt. Ze vond
hem lorrig, zichzelf niet zonder schuld, een schuld, die ze zich toch
niet wilde bekennen.
Ze moest lieviger, aanhaliger tegen hem zijn, èn dàt kon ze niet,
de afkeer was sterker dan haar beste wil. Goed wou ze voor hem zijn,
behoorlijk-goed zonder omslag, en niet meer! Zijn grimassen, als-ie
half-snik, zoo lief en lekker tegen haar deed, kon ze niet uitstaan,
hij leek dan meer op 'n aap als op 'n mensch,--en alles draaide daarbij
in haar om. Zonde dat ze 't zei, toch 't was zoo! Ze griezelde van
hem. Die afkeer was al gekomen bij 't sterven van 't eerste kind,
mogelijk nog vroeger, maar toen werd ze 't gewaar. Al haar kinderen
waren zwak en sukkelend geweest; niet één bleef in 't leven en dat lag,
meende ze, aan hèm. Zij zelf was flink en gezond, maar hij stak in
geen zuiver vel, had te veel gesjouwd voor zijn trouwen. Geen wonder,
zijn vader deugde al niet, 't zat in de familie, de Ballers waren
allemaal uitgaanders. Wat gaf nou die betere kom-af waarop hij zoo
stofte, met een gewoon werkman, die zijn handen wist te roeren, zou
ze beter zijn af geweest.... Nou bleef ze met hem opgescheept. Och
ja, toen keek ze toch òp naar het bazenzoontje met z'n mooie handen,
zij 'n gewoon meisje, haar vader meesterknecht. En toch... kon hij
't maar zoover brengen als haar vader. 't Zou wat, een landlooper
werd-ie, geschikt voor de schans. Anders niks!
Het bitste en beet al feller in haar op. Al de ellende, de onmacht
der vrouw, die van haar man niets terecht kan brengen, woelde naar
boven. Hij moest noodig op haar afkomst schimpen, alsof hij zelf
niet minder eraan toe was. Affijn, dat schelden deed hij ook niet
meer. Maar vroeger, vroeger dan toch! Zij herinnerde zich al te best
zijn hooghartig praten, zijn kleineerend zwijgen als 't haar stand
betrof,--en nu hij verarmd, ook moest aanpakken, stonden zijn handen
glad verkeerd.
In de wrange kamerstilte, waar het klokke-tikje rammelend de tijd
aangaf en haar alléén-zijn verscherpte, verdubbelde, zag ze opnieuw
zijn sloome doen van zooeven, zijn laffe vlucht, 't kwansuis op haar
aanstormen, 't scharmaaien met zijn armen, 't grijpen naar zijn jas,
't bijna omvergooien van de stoel om z'n kale hoed te pakken, èn dan
dat dichtsmakken van de deur. Al dat lawaai relde nog in haar ooren;
ze hoorde, herzag het aldoor, hoe kon-je van zoo'n man hoûen? Gloeiend
onmogelijk was dat; voor haar part brachten ze hem dood thuis; zij
zou zich wel redden!
Zij schrikte van haar eigen verwensching. Als God eens strafte en
't liet gebeuren? Nee, dat wou ze niet op haar geweten hebben.
--Heere, leid ons niet in verzoeking, prevelde ze al. 't Was satan
die haar bezocht en haar ziel wou bezitten. Ze wou niemands dood,
ook niet van hèm!
Verward en gejaagd nam zij 't mes, sneed grof de kool verder, vergaarde
de uiteengesprongen snijdsels in haar schoot, stond gerept op, om die
booze, leelijke gedachten niet toe te laten; ze zou ze verdrijven en
nog 'n half uurtje aan 't verstellen gaan.
Maar 't eene stuk na 't andere gleed door haar vingers, zonder dat
ze de schaar erin ging zetten. 't Meeste was 't lappen niet waard,
met een grove steek haalde ze de scheuren wat bij.
Wat nou nog te doen? vroeg ze zich, stug door de stilvreemde kamer
loopend, als met haar zelf verlegen. O ja, de verschooning klaar
leggen. Ook voor hèm. En dan een paar kousen stoppen voor haar zelf!
't Schoone goed lei gauw gereed, maar aan de kousen kon ze niet
beginnen, dood-moe als ze zich voelde. Zou ze op hem blijven wachten,
of naar bed gaan?
Ze meende op de trap weer gerucht te hooren. Dat kon-ie zijn, lam, dat
ze nog niet in bed lag! Maar nee, gelukkig, hij was 't niet, 't ging
voorbij! Hoe laat zou 't wezen? Zoo, al half één! Dat wist ze niet!
In eens kreeg ze 't koud met rillingen langs de rug. Och ja, geen vonk
vuur meer in de kachel! Nee, die kousen moesten blijven liggen. Het
bed stapte ze in!