I.

Stil stond de kamer.

Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.

Baller, klein zwart mannetje, om 't geel en tanig gezichtsvel een

verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde

handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte

sufferig en moe rond.

Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige

notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle

zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun

schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het

gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten

of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan

weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklom tegen de

hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen

wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en

spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen,

overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en

gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op,

drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.

Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. 't

Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. 't Leek wel of

al 't gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond

de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte

der winkels hier vlak naast hem stond, of 't bij hem op de kamer

zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag

hij alles duidelijk. O, hij begreep het, 't kwam door dat vriesweer,

dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder

werk. Hoewel als de wind draaide 't best zou kunnen gaan dooien!

Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde

weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je

niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast

als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen

van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van 't eene eind der

kamer naar 't andere sjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte

ze in moeielijke dracht door 't klein vertrek, dat schraal verlicht,

aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle

stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel

lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, 't zou zeker in

't eerste uur niet gedaan zijn!

Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe,

wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar

harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek

het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam,

om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend

naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet

warm en ze moest strijken.

Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring,

volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo

hard als 'n bikkel om 'n gat mee in de kop te gooie en andijvie,

lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden

en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.

Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte

z'n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld,

goed om 'n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen,

natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet

en durfde 't ook niet vragen, verdiepte zich weer in zijn krant, die

hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een

borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam,

dan rook ze 't en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet

uitstaan. Zeker, 't zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan

er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de

boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte

hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been,

anders ging alle moed d'eruit. Totnutoe bezat-ie nog 'n snabbeltje

apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, 't was

op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel

erg. Kon-ie in 's hemelsnaam iets vinden al was 't als loopknecht,

maar och niks stond er weer in de krant.

Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op

en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang,

houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien;

zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een

muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende

hij. Z'n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en 't zeskante

potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te

zitten. 't Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd

slecht brandde. En telkens, alsof zij 't erom deed, dwarrelde ze

voor zijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten,

waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen,

al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar,

dáár had je 't weer. Diep zuchtte hij ervan.

Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:

--Ga dan uit de weg, je ziet da'k mot strijke... plaa's genoch...

--Nee, d'er is geen plaa's... 't lig' overal vol!

--Zoo, wat je zegt!

Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder 't werken door, en

snerpte opnieuw:

--Da'r gin's staat toch 'n stoel...

--Kun-jij da'r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. 'k Zie

hier best, as jij me ma'r niet in 't licht staat te draaie!

--'k Kan er niks an doen, bitste ze voort, 'k ploeter me uit de naad

voor 'n paar cente, ma'r me eige boel kan nie blijve legge!

Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze

voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk,

haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging,

als ze de gansche dag voor 'n ander streek, was het al mooi, dat

ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif

toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d'andere kant staan, waarom kwam

ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon 't niet hebben, dat

hij hier lekker in 't hoekje zat en zij nog voortmoest. Enkel pesten,

judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker,

't bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouw moest afbeulen en hijzelf

geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet

werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al

nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld,

met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, 't werd in

de behangerij met de dag slapper, en als 't nou bleef vriezen kwam er

ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. 't Was om met je

kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan

in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.

Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige

lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en

het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend

greep hij naar 't papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer

en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij

meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op

haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij

wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog 's er op

uit dacht te trekken.

Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij

tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat

boven haar stakelijf uitvaalde.

--Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.

Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder

zich om te keeren snauwde ze kortaf:

--Kijk ma'r 'es liever na'r de kachel.... dan doe je teminste wat

voor de kost...

Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van

onder in 't rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed

laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op

't vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper

in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig

omkeerde, schor-schreeuwend:

--Welzeker... welzeker, waarom niet... kan 't niet op... kost de

brand soms geen geld... 't is 't laa'st wâ we hebbe...

Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper

in de bak terug, gromde:

--Dàt had je wel eerder kunne zegge!

--Nou nog snauwe d'erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!

Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan

viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde

de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde

gedrochtelijk op 't vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich

dan op zijn stoel terugzakken, greep botweg de krant, om die verder

door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van

't vertrek en door de bewegingen van 't strijken, in dat vlekschuivend

licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn

schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes

op 't dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan

tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn

afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te

verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurde hij al in één vlucht,

maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou

wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.

Hoe hij zich ook inspande, 't lezen en nakijken van de advertentiën

ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende

kachel, de strijklucht en ook 't witte geglemer van 't goed maakten

hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en

suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen

voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier

weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. 't Leek of haar

aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot

berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand

der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie

maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren

hem de wind van voren geven.

Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze 't gewasschen goed rekte,

de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden

gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort,

sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken,

rokken en lakens, naar dezelfde maat.

Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om

meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al 't stroef

gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,--en

onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden,

knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne,

versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog

zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist

wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan 't linnengoed, meer als aan

haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe

zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers 't verteerde goed

aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!

Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog

opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend

tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te

lezen.... raakte weer aan het peinzen.

Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp

aan, en zei dan schimpend:

--Je hebt het ma'r makkelik, dàt mô 'k zegge.... je denkt an niks! Is

er de huur al bij mekaar?

Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer

vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.

--De huisvent is van morge d'er geweest.... as-ie maandag nie' krijgt,

gaat-ie z'n gang! zei ze opnieuw.

Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?

--Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit

da'r ma'r of je van Lotje bent getikt.

--Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn

oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.

--Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma'r,

dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor

meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?

Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan,

herhaalde:

--Hij wil niet wachte... geen dag meer!

--Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie 't ma'r zien van m'n rug

te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn

benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens

van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem

op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet

alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel,

met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op

die manier wat af te schrikken.

Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:

--Hij smijt ons d'eruit, dan stane we op straat.

--D'er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.

--Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je

zoo gauw wat anders?

--Hij doet 'et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang,

vergoelijkte Baller weer.

--Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is 't nog niet lang

genoch... ellef weke?

--Ja, zuchtte Baller, weet jij d'er raad op? Ik niet!

--Dat is wel makkelik je zóó d'eraf te make!

--Weet jij dan 'n middel?

--D'er ben je man voor, ellef weke niet betaald, 't is maar

niks... noem je dat soms kattedrek?

Baller mompelde een "stik" tusschen zijn tanden, draaide haar de rug

toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij,

liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar

snerpende klachten.

Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op,

hakkelsnauwde:

--Hou toch 'es op... met je herrie... 't is nog zoo ver niet... wat

bliksem is dat?

--Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt 'êt...! dat 't ver genoch

is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:

--M'n god, wat zal er van ons komme!

--Kan 'k 't helpe... mot ik soms gaan stele?

Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei: daar ben je veel te laf

voor. Dan hoonde ze voort:

--Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!

Baller werd weer bang.

--Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!

--'t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.

--Een glaasie noem je dàt zuipe?

--Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door

't keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!

--'k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... 't komp niet

van zellef.

--Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik

als vrouw draai er ma'r voor op.

--'k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?

--'t Zou wat! zei ze minachtend.--Dàn pakte ze het ijzer van 't

kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon

weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:

--Je mot 't zellef wete, ma'r dàt zeg ik je, as we op straat komme

te staan, trek ik ertusschen uit.

Ik haal mijn kossie wel!

Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en

gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van

't gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen

rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met

de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest,

maar zooveel als nou nee, elf weken, kwam nog niet voor. Sakkerjen,

't zou zoo'n wonder niet zijn als het misliep!

De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer,

de kop tusschen het lenig vel gravend.

Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar

een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in 't zicht,

om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in

't verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of

naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die

nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard

noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie

te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in 't licht

verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk

aan d'er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige

uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...

Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van

kleine advertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou

wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel

krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor

de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:

--Heb je niks te drinke? heb je al koffie?

--Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!

't Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij,

terwijl hij meteen bereidwillig opstond:

--Wil 'k soms wat op de kachel gooie?

--Welzeker, 't kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.

Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant,

stootte nu en dan een "ha" eruit, alsof hij iets van belang vond,

las hard op een advertentie, die hij maar verzon.

Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden,

die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten,

fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd

al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij

niet. 't Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de

klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast,

maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te

veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te

loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde

hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan,

dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet

naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar

mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon

uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek,

een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.

Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale,

dor-blonde haar lag slordig om 't door zorg en ellende verwaarloosd

bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de

vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste

scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde

narigheid.--Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie

cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de

fijnste madam. Hoe anders zou 't zijn geloopen indien hij er eentje

met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er

genoeg krijgen, hij had z'n vingers maar even hoeven uit te steken; de

meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet

zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen

dragen, daaraan viel niet te veranderen. En 't ergste nog: ze wou

niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam

niet in aanmerking, dat zijn handen voor 't werken verkeerd stonden.

Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan

hij zelf, al werd ze dan ook voor 't werken opgebracht, terwijl hij

nooit wat leerde in z'n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit

te steken.

Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het

trouwen al 't faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen

plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert,

aan wie hij zooveel te kort kwam, 't liefst maar drie duizend gulden

aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze

hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven,

komen en gaan kost geld, 't kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor

't fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar

Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun

je 't mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier,

in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds

waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem

om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem

af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs

geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was

gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats

je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken,

maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij

hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In

plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader

hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van 't werken af,

van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren,

hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor

'n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht

gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij

was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst

de gevolgen en z'n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat

te piekeren!

Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn ooren op de

zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht,

voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als

hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende

hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar

ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer

dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de

mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te

geven. 't Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch

't moest, als hij langer wachtte, ging 't heelemaal niet meer. Diep

ineengedrongen, de magere handen onder 't vlokkig-behaarde hoofd,

zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op,

brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn

vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen

voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te

zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde

onafgebroken door, zonder 't hoofd op te heffen. Hij moest nu wel

zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.

De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die

gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen

zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op,

rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend

alsof hij 't zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d'eruit:

--Ik zal d'er verdorie nog op uit motte!

Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.

Dadelijk liet ze 't strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem

scherp aan, vroeg:

--Wat zei-je?

--Dat 'k nog effe d'eruit zal motte...

--Je zal 't wel uit je herses late!

--Ze hebbe d'r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!

--Zoo-o!

--'t Staat d'ar in de krant.

--Wèl toevallig!

--Lees het dan zellef!

Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke

rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:

--Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!

--Foefies?... wat foefies?

--Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te

scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d'er al... hà,

hà, hà, treiterlachte ze.

--Ik zie 't net... da's te zegge... ik zag 't wel eerder. Niet veel

bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.

--In elk geval, 't is nou te laat. Ga morgen!

--Dan is 't zondag! kan ik toch niet gaan!

Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven,

omdat ze z'n streken te goed kende.

Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei

ze scherp:

--As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.

--Och mensch, lâ na'r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!

--Ma'r 't is nou nacht.

--Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!

--Nee, 't is zeker vroeg, gotallemachtig...!

--Dàt niet, ma'r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik

ermee? Niks... hebbe we 't zoo goed... kunne we wachte! is m'n gang

soms 'n doktersgang?

Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het

aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed

van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich

herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend,

dat hij most, dat al gaf 't niks, hij 't niet mocht laten ontglippen!

Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er

over dacht. 't Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken,

anders kwam 't er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar

de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond

oogdreigend voor hem:

--Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!

Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens

gedurfd:

--Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?

--Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn

niet, versta-je!!

--Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet

bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je 't mis, glad

mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis

je toch niet.

--Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik 't

doe.... as je 't hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!

In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om

de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht

van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze

smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren,

zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.

Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor 't een

als voor 't ander. Brutaal snerpte hij:

--'t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie

om werk te krijge, èn of 't nou half nege of half tien is, dat duvelt

niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... 't werk

komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je

me daarvan?

Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te

overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet,

ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd

toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze op de Haarlemmerdijk

eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een

halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.

Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch

samenwringend.

--Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an

moet met de huur.... late we zien 'n andere woning te krijge.

Hij schokte de schouders, onwilligde terug:

--Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor

werrek, zal ook 'es naar Bouwlust gaan.

Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen

en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; 't werd natuurlijk

weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze

toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:

--Wil ik koffie zette?

Baller weifelde.

De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren,

dansten er rond, lokten hem naar die drukte,--en toch, hij durfde

niet best, bang voor haar groote mond. D'er zou wat zwaaien! Maar,

als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer,

zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet

weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide

saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar

hij straks zelfs vroeg, proef-smakte in gedachten nu op zijn tong

bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op,

doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig

hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude

kriebel langs zijn rug kroop.

--Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik

mot toch d'erop uit.... voor die advertentie.

Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van

de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende

rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat

zóó niet mannetje!

--Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!

--Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op

hem los te branden.

--Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge

zoo ver benne...

--Wat verdiepinge... 't vriest toch veel te hard om te kunne

plakke... ja, maak mijn dat wijs!!

--Zoo?

--'t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.

--In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval 'k mot eruit. Denk

je soms, dat ze 't op de trap komme legge?

--Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d'eruit.... hij wil

d'eruit... naar de kroeg! Heb 'k 't niet gedacht... wist ik 't

niet... geen cent thuis en toch zuipe!!

Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie

haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer,

de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang,

dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar

vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.

Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja,

dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn

grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm,

alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij

in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,--en voor ze

nog eraan dacht, was hij al buiten, op 't portaal, holde de trap af,

de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.

Zij riep nog: Jan! Jan!

Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze

stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 25 / 37 题