VIII.

De late zaterdagavonddrukte was ingekrompen en de straat en ook het

huis met zijn wit-gekalkte, zwart-beteerde gangen, werd weer doods en

stil. Nu en dan klonk ergens een kreet òp of een ver gerucht suisde

door de avondleegte. De ellende die ze aanstaande zag viel nu-al als

een steen op haar neer. In de wrakke stilte, gekomen na 't fel rumoer,

voelde ze zwaar de zwarte eenzaamheid om haar heen.

Wat moest er van Anne worden? zoo ging het door haar hoofd. Vroeger

bestonden er nog mevrouwen die de meiden in de kleeren staken en

voorschot gaven op de dienst. Maar kom daar nou eens om, een kind

moest dadelijk al van onder tot boven in de goede spullen zitten, en

waar haalde je dat vandaan? Zonder werk, zonder werk!... Zoo ging het

een geheel jaar door! Als ze even op streek raakte, was het al weer

gedaan; je kon nooit op de dag van morgen bouwen, ach, gottegot! Dof

peinsde ze zich, ze zag geen uitkomst. Alles, alles bleef zwart!

Dan hoorde ze weer gerucht, voetgeschoffel aan de deur. O, hij was

d'eral! Zoo vroeg...? Ze dook haar hoofd weg in 't kussen, hield zich

of ze sliep. Haar hoofd werd er nog te klaarder door.

Onhandig stommelde de man in 't vertrek wat rond, kwam ook in bed,--en

met de rug naar elkaar toe, nog meer van elkaar vervreemdend in de

nijdigheid van onmacht, waaraan niets te veranderen viel, hokten beider

gedachten vast op dat ééne: 't zonder verdienste zijn. Ontredderd

leien ze neer als onder een zware klauw. Zij slikte haar zuchten in,

hij steunde luid.

Telkens raakte hij zonder werk. Dit lag aan 't vak, ook wel aan hem;

anderen bleven langer aan de slag, hij was de minste, de wrakste,

werd het eerst eruit geschoven, omdat, àl sjouwde hij even hard, toch

minder flink aanpakken kon, verzwakt, ontvleescht voor zijn tijd door

al dat ploeteren op werven, ver boven zijn macht.

Hij voelde en wist, dat hij altijd 't eerst van allen gedaan kreeg,

voelde dat zijn vrouw dit niet kon ontgaan, waaruit volgde dat hij

in haar oogen een slampamper werd, een vent van niks. Dat ergerde hem

't meest. Ze had het hem nog niet verweten, nee dat moest ze ook eens

lappen. Om dat te voorkomen speelde hij altijd zoo geweldig òp, hield

de schrik erin. Maar dit nam weer niet weg dat ze toch wel begreep waar

het hem zat, uit al haar doen en laten, merkte hij het best. Ook al zou

zij 't zelf gemeen vinden het te zeggen, ze kon toch niet verhelpen,

dat ze 't wel eens liet blijken; uit het zwijgen dan 't meest.

Was 'k maar goed-en-wel uit m'n leven dacht hij; maar de kinderen

dan? Hij kon de slaap niet pakken en woelde grimmig rond.

De vrouw lag stil, terwijl zij wrokkig er over nadacht, haar arm

hoofd plagend hoe aan kleeren te komen voor Anne. Dat 't kind in geen

betrekking kon was toch voor haar het ergste, want nu groeide ze op

als rapalje, kwam niets van haar terecht.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 22 / 37 题