IX.

Doods en stil bleef 's morgens het groote huis met zijn zestien

schelknoppen die nooit werden gebruikt. Vrouw De Ram, al vroeg op,

liep zuchtend rond. Ze zou ze nog maar wat laten liggen, de dag duurde

lang genoeg en zondags wat deden ze dan in de kou. Ze zag de vrede

alom en 't was of de geur van allen die in welstand waren haar in de

neus vastzoog.

Er werd zacht op de deur geklopt en 't hoofd van een buurvrouw stak

door de kier.

--Ben je al òp? zei die fluisterend. Nou, bij mij is 't ook wat

moois. Hij is gisteravond zonder werrek gekomme.

--O bij mij van 't zelfde laken 'n pak, spreek maar niet ervan.

Ze keken elkaar aan met oogen als van angstige dieren die werden

vervolgd en vooraf weten dat er geen ontkomen is.

--Nou, dan gaan ik maar... 't ergste is, dat je hier in huis 't niet

eens mag zegge, anders mot je eruit, en ergens anders heb je nog meer

te dokke.

Vrouw De Ram sprak eerst geen woord.

--We zijn geloof 'k de eenigen hier, zei ze dan.

--Dat mot je niet denke, dat lijkt maar zoo--wij wete 't nou van

mekaar, wat wete we van de rest?

Vrouw De Ram knikte maar weer en de buurvrouw schoof heen.

Mies, nu ook wakker geworden, kwam eruit en kuste haar moeder. Anne,

de grootste, keerde zich nog eens om, en De Ram zelf kneep de oogen

toe en hield zich koest. Waarvoor moest-ie d'eruit komen? Om naar de

kerk te gaan, een mooi ding, als je niet te eten hebt. Norsch schoof

hij zich onder de dekens en pijnigde zijn arm hoofd.

--Mot je niet bidde, zei vrouw De Ram tegen Mies.

--Ja moe; zoo dalik... waarvoor zal ik bidde...? Dàt vader weer gauw

werk krijgt? vroeg ze peinzend na een oogenblik.

Vrouw De Ram kneep de wenkbrauwen samen, haalde netelig de schouders

op, en zei dan:

--Ja kind, bid jij maar, misschien verhoord Ons Lieve Heer jou wel,

voor ons bestaat hij allang niet meer!

Ze zonk op de stoel neer en hield de schort voor d' oogen. In de

bedstee bewoog zich niets. Anne en haar vader lagen bewegingloos en

luisterden, de oogen strak onder de dekens.

Dan prevelden luid de schuldelooze kinderlippen: Geef ons heden ons

dagelijksch brood en vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven

onze schuldenaren...

Van beneden uit de straat bulderde op een zware vloek, twee mannen

die aan 't vechten waren, omdat de een de ander had onderkropen. Hun

verwenschingen rauwden door 't: "Geef ons heden ons dagelijksch brood."

Stil stond het huis, onaandoenlijk.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 23 / 37 题