VII.

Een tijd zat ze zoo. Toen hoorde ze de kruk omdraaien. Zou hij 't al

zijn? O nee, 't was Anne! Wacht, die zou ze 'es helpe!

't Kind schoof verlegen binnen, magerzwart en knokig opgeschoten,

schuw alsof ze hier kwam in een vreemd huis.

--Waar kom jij vandaan, sliert die je bent! kreet ze rauw.

--Van tante.

--Van tante... zoo laat nog... Maak dat je straatmeide wijs, maar

mij niet!

--Nou, u kunt het navrage!

--Dat za'k wel doen ook!

--U mag 't doen, dat zei ik toch!

--Toe, maak maar voort... naar je bed! As je vader thuis kome, zwaait

er wat... hij is zonder werk, as je dat maar weet!

Het meisje trok een benauwd gezicht, schopte dan zonder een woord te

zeggen haar groote schoenen uit, liet snel de kleerenvracht zakken,

schoof zich de bedstee in naast Mies. Bang voor moeder, vroeg ze

fluisterend wat er nu weer was aan de hand.

--Zorg maar voor een dienst, kriegelde vrouw De Ram. Nou je vader

zonder is kunne we je maar zóó niet de kost geve voor niks!

--Ik wil wel, hep toch geen kleere! huilde Anne terug.

--Hou je mond!

Anne snikte zacht, omdat ze bij moeder geen goeds kon doen. Mies

troostte wat en werd snibbig toen het niet hielp.

Vrouw De Ram zuchtte.

Daar lag nu weer voor haar de moeielijkheid, heel de toekomst zwart

en donker. Had Arie nog maar een paar weken werk gehouden, dan zou

ze iets voor Anne hebben kunnen koopen. Nou viel er geen denken aan

in d'eerste tijd. 't Moest alles weer van haar enkele stuivers daags

komen, en als zij uit schoonmaken ging, kon 't niet anders of het

kind diende thuis te blijven om het werk af te doen!

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 21 / 37 题