De man, zijn leege koffiekop voor hem op tafel, zette vreemdige oogen
op, schampte dan norsch:
--Wat zijn dat voor vodden, waar haal je me die vandaan?
--Gewonne, vâ, gewonne! kraaide het kind. Dat hêt moe allemaal
getrokken!
--Hum, gewonne? vroeg hij scherp en smalend.
Er suisde een oogenblik nijdige stilte,--en hij herhaalde weer
schampend:
--Gewonne!? Kan je 't geld niet anders 'an, mot dat zoo besteed worde?
De vrouw zette de handen in de zij, keek hem tartend aan, zei nog
een cent liegend:
--Nou maak maar zoo'n drukkie niet. 't Is heelemaal zes-en-twintig
cente... wat wou je d'ervan...?
Meteen keerde ze hem de rug toe, ging minachtend naar het penantkastje,
om daar ruimte te maken.
Mies nog altijd opgewonden tilde het bloemschip bijna boven haar
macht op tafel, waar het nu schel praalde vlak voor haar vader's oogen.
--Zes-en-twintig cent, ratelde hij fel, is dat soms geen
geld? Zes-en-twintig...! Ga je gang maar. Jij geeft uit en ik zit
zonder werk!
Alsof ze onverwacht werd aangevallen, zoo rap keerde ze zich weer om.
--Wat zè-je?... Zonder verrek? hijgde ze.
--Ja, venavend gedaan gekrege, zei hij treiterend, èn jij geeft maar
uit voor prulle!
--Dat had je dan wel eerder kunne zegge, nijdigde ze terug, nu
vijandig.
--Kunne zegge, kunne zegge? Je koop' maar en vraagt nooit waar 't
geld vandaan mot komme...
In zijn verbeten woede sloeg hij zijn hand uit, en met een felle smak
smeet hij 't bloemstuk rits van de tafel.
--Wel zeker, wél zékér, wreek je daar maar op, rumoerde ze, niet
dadelijk wetend of ze zich te keer moest stellen of zich inbinden. Met
giftig-kwade oogen bleef ze te midden der kamer staan, haar wenkbrauwen
hoog opgetrokken.
't Kind durfde evenmin nader komen, en het bloemschip bleef daar
liggen, een smalende vlak tusschen hun drieën in.
--Hè vâ, zei kleine Mies schuchter, hè vâ, wat doet u nou, 't is
zoo mooi!
Ze hurkte bij het schip neer, zette het met bevende vingers overeind
en schikte, plooide en streek de papieren zeilen weer uit de kreuken.
--Geef hier! norschte vrouw De Ram, kwaad en geprikkeld. Geef hier! Ze
nam het ding uit haar handen, kwakte het neer op de vrijgemaakte
plaats van het penantkastje. Vernederend keerde ze hem opnieuw haar
breede rug toe.
Het kind, angstig-verwonderd, blikte nu eens naar vader, dan naar
moeder, durfde niets zeggen, bang voor het moois, dat het zou moeten
ontgelden.
De vrouw zweeg en de man zweeg, een zwijgen dat tusschen tweeën
als een muur dáár stond. Haar oogen giftigden, al zei ze niets. En
hij hield zich woest, omdat het moest. Maar langzamerhand innerlijk
verlicht en ontlast, nu hij gelukkig eruit had gesmakt dat hij zonder
werk geraakte, kromp zijn nijd, die eigenlijk angst was, en hij wilde
het weer goed maken. Doch dat lukte niet, de stilte bleef pijnlijk
tusschen hen in, star.
Buiten gilden nog de laatste verkoopers. Hun stemgeluid, nu ijler
en scherper omdat het straatgeweld rondom ging versterven, werd
doordringender.
Dat enkele schreeuwgeluid van rooiekool, van savooie kool en van
lekkere haring, klonk brutaal en hard naar hen op, alsof er niets
zachts en weeks bestond.
Vrouw De Ram liep mopperend rond, snauwde plots:
--Allé Mies, vooruit naar bed! Ze wilde een uitweg hebben voor haar
ontstemming, want ze besefte dat onder deze omstandigheden 't geld
voor de bloemen onnut uitgegeven was, zoo goed als weggeworpen. Ze
pakte stil haar inkoopen uit de tasch, zocht wat in 't ronde en ging
toen aan haar zaterdagavondwerk. Hoonend liet ze 't geld op tafel
liggen en ze hielp Mies, die zich vlug ontkleedde, te bed; ze wilde
haar wrevel niet laten blijken en kon die toch niet verbergen.
En hij voelde zich niet minder lam. 't Bleef tusschen hen een
naargeestig zwijgen, dat eerder treiteren werd dan schuldbekennen.
Eindelijk stond hij norsch op, bromde tusschen zijn tanden, dat-ie
nog even uitging op werk.
--Ik zal 'es kijken bij Adrian, zei hij rauw, misschien kan die nog
een mannetje hebben, maar veel kans is d'er niet.
Ze gaf zelfs geen adem terug en werkte door. Heel-goed wist ze
dat-ie nou een borrel zou gaan pakken, maar och dat kon haar niet
schelen. Blij voelde ze zich als-ie een oogenblik wegtrok en haar
aan d'er zelf overliet. Voor hij weerom kon wezen zou ze wel zorgen
d'erin te liggen, om alle verdere kwestie te mijden.
--Ziet u nou wel moe... hep ik 't u niet gezegd van vâ, babbelde Mies.
--Ja-ja, ga maar slapen, 't is al ellendig genog.
Een poos zweeg Mies. Toen babbelde het vroeg-rijpe kind weer:
--Waar is Anne toch, wat doet die zoo laat?
--Ze komt zóó... kakel niet!
Ze deed de deuren van de kamerbedstee toe, om haar 't verdere spreken
te beletten, en ze zette zich aan tafel, de magere werkhanden lusteloos
in haar schoot. Dat was al de derde keer van 't jaar, dat hij buiten
verdienste raakte, en nu tegen de winter, waar moest dat naar toe?