VI.

De man, zijn leege koffiekop voor hem op tafel, zette vreemdige oogen

op, schampte dan norsch:

--Wat zijn dat voor vodden, waar haal je me die vandaan?

--Gewonne, vâ, gewonne! kraaide het kind. Dat hêt moe allemaal

getrokken!

--Hum, gewonne? vroeg hij scherp en smalend.

Er suisde een oogenblik nijdige stilte,--en hij herhaalde weer

schampend:

--Gewonne!? Kan je 't geld niet anders 'an, mot dat zoo besteed worde?

De vrouw zette de handen in de zij, keek hem tartend aan, zei nog

een cent liegend:

--Nou maak maar zoo'n drukkie niet. 't Is heelemaal zes-en-twintig

cente... wat wou je d'ervan...?

Meteen keerde ze hem de rug toe, ging minachtend naar het penantkastje,

om daar ruimte te maken.

Mies nog altijd opgewonden tilde het bloemschip bijna boven haar

macht op tafel, waar het nu schel praalde vlak voor haar vader's oogen.

--Zes-en-twintig cent, ratelde hij fel, is dat soms geen

geld? Zes-en-twintig...! Ga je gang maar. Jij geeft uit en ik zit

zonder werk!

Alsof ze onverwacht werd aangevallen, zoo rap keerde ze zich weer om.

--Wat zè-je?... Zonder verrek? hijgde ze.

--Ja, venavend gedaan gekrege, zei hij treiterend, èn jij geeft maar

uit voor prulle!

--Dat had je dan wel eerder kunne zegge, nijdigde ze terug, nu

vijandig.

--Kunne zegge, kunne zegge? Je koop' maar en vraagt nooit waar 't

geld vandaan mot komme...

In zijn verbeten woede sloeg hij zijn hand uit, en met een felle smak

smeet hij 't bloemstuk rits van de tafel.

--Wel zeker, wél zékér, wreek je daar maar op, rumoerde ze, niet

dadelijk wetend of ze zich te keer moest stellen of zich inbinden. Met

giftig-kwade oogen bleef ze te midden der kamer staan, haar wenkbrauwen

hoog opgetrokken.

't Kind durfde evenmin nader komen, en het bloemschip bleef daar

liggen, een smalende vlak tusschen hun drieën in.

--Hè vâ, zei kleine Mies schuchter, hè vâ, wat doet u nou, 't is

zoo mooi!

Ze hurkte bij het schip neer, zette het met bevende vingers overeind

en schikte, plooide en streek de papieren zeilen weer uit de kreuken.

--Geef hier! norschte vrouw De Ram, kwaad en geprikkeld. Geef hier! Ze

nam het ding uit haar handen, kwakte het neer op de vrijgemaakte

plaats van het penantkastje. Vernederend keerde ze hem opnieuw haar

breede rug toe.

Het kind, angstig-verwonderd, blikte nu eens naar vader, dan naar

moeder, durfde niets zeggen, bang voor het moois, dat het zou moeten

ontgelden.

De vrouw zweeg en de man zweeg, een zwijgen dat tusschen tweeën

als een muur dáár stond. Haar oogen giftigden, al zei ze niets. En

hij hield zich woest, omdat het moest. Maar langzamerhand innerlijk

verlicht en ontlast, nu hij gelukkig eruit had gesmakt dat hij zonder

werk geraakte, kromp zijn nijd, die eigenlijk angst was, en hij wilde

het weer goed maken. Doch dat lukte niet, de stilte bleef pijnlijk

tusschen hen in, star.

Buiten gilden nog de laatste verkoopers. Hun stemgeluid, nu ijler

en scherper omdat het straatgeweld rondom ging versterven, werd

doordringender.

Dat enkele schreeuwgeluid van rooiekool, van savooie kool en van

lekkere haring, klonk brutaal en hard naar hen op, alsof er niets

zachts en weeks bestond.

Vrouw De Ram liep mopperend rond, snauwde plots:

--Allé Mies, vooruit naar bed! Ze wilde een uitweg hebben voor haar

ontstemming, want ze besefte dat onder deze omstandigheden 't geld

voor de bloemen onnut uitgegeven was, zoo goed als weggeworpen. Ze

pakte stil haar inkoopen uit de tasch, zocht wat in 't ronde en ging

toen aan haar zaterdagavondwerk. Hoonend liet ze 't geld op tafel

liggen en ze hielp Mies, die zich vlug ontkleedde, te bed; ze wilde

haar wrevel niet laten blijken en kon die toch niet verbergen.

En hij voelde zich niet minder lam. 't Bleef tusschen hen een

naargeestig zwijgen, dat eerder treiteren werd dan schuldbekennen.

Eindelijk stond hij norsch op, bromde tusschen zijn tanden, dat-ie

nog even uitging op werk.

--Ik zal 'es kijken bij Adrian, zei hij rauw, misschien kan die nog

een mannetje hebben, maar veel kans is d'er niet.

Ze gaf zelfs geen adem terug en werkte door. Heel-goed wist ze

dat-ie nou een borrel zou gaan pakken, maar och dat kon haar niet

schelen. Blij voelde ze zich als-ie een oogenblik wegtrok en haar

aan d'er zelf overliet. Voor hij weerom kon wezen zou ze wel zorgen

d'erin te liggen, om alle verdere kwestie te mijden.

--Ziet u nou wel moe... hep ik 't u niet gezegd van vâ, babbelde Mies.

--Ja-ja, ga maar slapen, 't is al ellendig genog.

Een poos zweeg Mies. Toen babbelde het vroeg-rijpe kind weer:

--Waar is Anne toch, wat doet die zoo laat?

--Ze komt zóó... kakel niet!

Ze deed de deuren van de kamerbedstee toe, om haar 't verdere spreken

te beletten, en ze zette zich aan tafel, de magere werkhanden lusteloos

in haar schoot. Dat was al de derde keer van 't jaar, dat hij buiten

verdienste raakte, en nu tegen de winter, waar moest dat naar toe?

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 20 / 37 题