V.

Nu hadden ze nog te wachten op de verloting. Warm stonden ze tegen

elkaar aan, in geduldig steunen en moeizaam hangen.

Vrouw De Ram voelde zich tevree; ze was zeer in haar nopjes. Voor

zeven-en-twintig cent gekregen; de vorigen waren zelfs tot

drie-en-dertig opgeloopen!

Kleine Mies omknelde de kleurige potjes met haar magere armen, aan

weerszijden één; ze bekeek ze vertroetelend en hield ze omvat alsof

't kindertjes waren die ze droeg. Haar open oogen snuisterden van

genot over heel die papieren bloemepracht, waarop nu nog volgde de

kans van winnen.

Vrouw De Ram keek ietwat stroever, het wachten duurde wel wat lang;

ze dacht aan haar man die zeker mopperen zou.

--Duurt het nog lang voor de loterij begint? vroeg ze ongeduldig.

Een schouderophalen van wie rond hen stonden was het enkele

antwoord. Kleine Mies keek nu ook benepen. Hoe licht de bloemen ook

aantilden, af en toe moest ze wel even ze vervatten.

--Sta toch stil, gromde de moeder, al haar aandacht op de trommel

gericht. Straks laat je ze nog valle!

De koopman schommelde en schudde, keek in 't rond. Hij zocht een

kleine meid uit, liet dan door haar het nummer trekken.

--Met bloote armen, zie je, schalde hij, met bloote armen, terwijl

hij op het schrale vlerkje klopte. 't Gaat hier net as bij de

staatsloterij, zoo eerelik als goud!

't Gaf weer een oogenblik van spanning toen de bloemenkoop het

papiertje aannam en het ontrolde.

--Let op, schreeuwde hij. Lèt op het springen van de lintworm. Hier

is het... nu zal je 't hooren!--Het is... num-m-er,... nummer

drie-en-veer'... drie-en-veertig!!

Triomfantelijk gleden zijn oogen in 't rond, ermee zeggend: Zie je wel,

daar heb-je nou 't nummer!

Allen bekeken met staarzoekende blikken hun papiertjes.

--Moe, moe, dat benne wij, kraaide Mies. Ze huppelde, hinkte van pret

en zong luid:

--Gewonne, gewonne!

Van geluk wilde ze wel in de handen klappen, maar dat ging niet door

de potten die ze in de knuistjes had.

--Ja gerus' moe, ik weet 'et vast! kraaide ze opnieuw.

Vrouw De Ram met haar kippige oogen wat slecht van gezicht, geloofde

het nog niet, vergewiste zich eerst, in alle sekurigheid. Zenuwachtig

zei ze:

--Stil toch kind!

--Ja gerus' moe... ik weet 't zeker, zie dan toch, kraaide ze nog

luider.

Van alle kanten kreeg vrouw De Ram een ruk en een stoot; wie niet het

nummer had, vond langer-blijven onnoodig, drong haar voorbij. Maar ze

liet zich niet verdringen, duwde met haar achterste terug; ze moest

duidelijk zien--en nu las ze het ook, got-ja!

De koopman schreeuwde aldoor feller het nummer uit, schor, bijna

heesch, en zij wrong zich nu naar voren, stak de handen op naar de

bloemenmand, wilde het opgetuigde, bestrikte schip dadelijk naar haar

toehalen in begeerigheid.

Maar de koopman betoonde zich niet zoo grif en toeschietelijk hield

van pralen, eerst moest-ie nog 'n schoone toespraak houden voor hij

't gaf. Ze greep al weer er naar, gretig met al haar tien vingers,

doch hij gaf het nog zóó niet af en begon zijn oratie.

Onwillig stond ze erbij, hoorde in 't geheel niet naar wat de koopman

zei. In haar begeeren naar het eerlijk-gewonnene had ze daarvoor

geen ooren. Volkomen streek het over haar heen, dat hij verzekerde de

volgende week vast-en-zeker terug te komen, dat hij was de beroemde

bloemenmaker, de fabrikant van kunstblommen zonder konkurentie,

zonder wedergade en dat de loting met geen konkelarij of foefjes bij

hem geschieden kon.

Nu liet hij het bloemstuk zakken in haar grijpende handen, en gelijk

grijnsde ze voldaan, tevreden, nu ze het in haar vingers voelde,

de omvangrijkheid ervan torschen kon.

Mies opgetogen, had de bloemen erbij neergezet, ze wilde meehelpen,

mee-aanvatten. Ze klapte van pret in haar handen en riep in eerbied

en bewondering, onafgebroken:

--Wat een pracht, wat een pracht!

--Voorzichtig, kind! zei de moeder, voorzichtig dan, je bent zoo

zenuwachtig, je zou het breke!

--Wat gane we nou doen?

--Ja net.

Het werd een heel overleggen hoe dat alles thuis te brengen, dát ging

niet zoo gemakkelijk.

De tasch met kruidenierswaren en de karbies met bloemkool, roode

kool, savooie en bieten, 't was al niet licht, en nu moest dat groote

schip nog mee. Hoe konden ze dat gedaan krijgen? Een oogenblik stond

ze in beraad, terwijl Mies 't moois bevingerde. Toen wist ze het:

ze plantte het eene potje met rozen voorzichtig bij de inkoopen,

en dat prijkte daar nu hoog temidden van de koffie en de suiker. Ze

tilde dat aan één hand en nam het andere potje in de leege arm.

Mies kreeg in beide handen het groote schip te dragen; haar kleine

gezicht verschool erachter, de neus bijna ertegen aan. Door de zeilen

en lintjes kon ze nauwelijks heenkijken, en ze gluurde angstig rond

om niet tegen de menschen op te botsen.

De volle markt woelde en rumoerde om hun heen. Ze zoûen kreukelen

die mooie bloemen, èn erg bang ervoor, gingen ze voetje voor voetje,

stuwden en drongen zich voorzichtig erdoor. Met een gelukkig hart,

het lichaam warm van het moeizaam dragen, zwoegden ze door de volte

van de markt, puffend onder de onhandigheid van de last, en maar wat

blij toen ze eindelijk uit 't gedrang geraakten en op vrijer wegen

beter uit de voeten konden komen.

--Wat zal vâ in zijn nopjes weze! gierde Mies luid-uit. Ze zag al die

kleurige pracht in hun kale kamer, terwijl nog al de schoone woorden

van de bloemenkoop in haar ooren tuitten.

--'t Is een pronkstuk, gaf vrouw De Ram gewillig toe. Ze liep zoo vlug

als 't maar even ging, zoodat 't kind met haar korte beentjes haar

haast niet bijhouden kon. Aldoor gilden nog de venters hun waren uit

met ruwe brutaal-aanprijzende stemmen; ze wiekten zwierig de lenige

armen scharmaaiend over hun platte karren en schreeuwden vannieuws.

Vrouw De Ram en Mies keken niet ernaar; ze hoorden 't zelfs niet meer,

ze hadden nu meer dan genoeg en trokken door, een weinig verlegen

met hun schat en toch weer trotsch erop. Ze hielden de bloemen wat

achteraf en lieten ze toch weer half-opzettelijk zien in allervreemdste

beroering over dat onverwachte van het buitenkansje.

Nu raakten ze toch uit de drukte, en de straten leken ineens weer

breed zoodat ze heel gemakkelijk gingen. Maar nu waren ze ook thuis

en ze slopen als in geheim naar binnen, stommelend daarna zwaar de

trappen op.

't Gaf een heel gesjouw voor ze alles boven hadden, want 't kon niet

ineens. Wel drie keer moesten ze rusten. Bij 't laatste bordes zette

vrouw De Ram haar vracht even neer, nam het bloemschip van Mies over,

bracht dat 't eerst naar boven, plaatste het daar zoolang tegen de

muur, om de andere dingen te halen.

Mies kwam haar al achterop en reikte de potten met papieren bloemen

aan, en nu ze alles boven op 't portaal hadden staan, pakten ze

alles saam.

Hijgend en blazend sjokten, sleepten ze de bloemenschat met de kool

en de grutterswaren de kamer binnen.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 19 / 37 题