Nu hadden ze nog te wachten op de verloting. Warm stonden ze tegen
elkaar aan, in geduldig steunen en moeizaam hangen.
Vrouw De Ram voelde zich tevree; ze was zeer in haar nopjes. Voor
zeven-en-twintig cent gekregen; de vorigen waren zelfs tot
drie-en-dertig opgeloopen!
Kleine Mies omknelde de kleurige potjes met haar magere armen, aan
weerszijden één; ze bekeek ze vertroetelend en hield ze omvat alsof
't kindertjes waren die ze droeg. Haar open oogen snuisterden van
genot over heel die papieren bloemepracht, waarop nu nog volgde de
kans van winnen.
Vrouw De Ram keek ietwat stroever, het wachten duurde wel wat lang;
ze dacht aan haar man die zeker mopperen zou.
--Duurt het nog lang voor de loterij begint? vroeg ze ongeduldig.
Een schouderophalen van wie rond hen stonden was het enkele
antwoord. Kleine Mies keek nu ook benepen. Hoe licht de bloemen ook
aantilden, af en toe moest ze wel even ze vervatten.
--Sta toch stil, gromde de moeder, al haar aandacht op de trommel
gericht. Straks laat je ze nog valle!
De koopman schommelde en schudde, keek in 't rond. Hij zocht een
kleine meid uit, liet dan door haar het nummer trekken.
--Met bloote armen, zie je, schalde hij, met bloote armen, terwijl
hij op het schrale vlerkje klopte. 't Gaat hier net as bij de
staatsloterij, zoo eerelik als goud!
't Gaf weer een oogenblik van spanning toen de bloemenkoop het
papiertje aannam en het ontrolde.
--Let op, schreeuwde hij. Lèt op het springen van de lintworm. Hier
is het... nu zal je 't hooren!--Het is... num-m-er,... nummer
drie-en-veer'... drie-en-veertig!!
Triomfantelijk gleden zijn oogen in 't rond, ermee zeggend: Zie je wel,
daar heb-je nou 't nummer!
Allen bekeken met staarzoekende blikken hun papiertjes.
--Moe, moe, dat benne wij, kraaide Mies. Ze huppelde, hinkte van pret
en zong luid:
--Gewonne, gewonne!
Van geluk wilde ze wel in de handen klappen, maar dat ging niet door
de potten die ze in de knuistjes had.
--Ja gerus' moe, ik weet 'et vast! kraaide ze opnieuw.
Vrouw De Ram met haar kippige oogen wat slecht van gezicht, geloofde
het nog niet, vergewiste zich eerst, in alle sekurigheid. Zenuwachtig
zei ze:
--Stil toch kind!
--Ja gerus' moe... ik weet 't zeker, zie dan toch, kraaide ze nog
luider.
Van alle kanten kreeg vrouw De Ram een ruk en een stoot; wie niet het
nummer had, vond langer-blijven onnoodig, drong haar voorbij. Maar ze
liet zich niet verdringen, duwde met haar achterste terug; ze moest
duidelijk zien--en nu las ze het ook, got-ja!
De koopman schreeuwde aldoor feller het nummer uit, schor, bijna
heesch, en zij wrong zich nu naar voren, stak de handen op naar de
bloemenmand, wilde het opgetuigde, bestrikte schip dadelijk naar haar
toehalen in begeerigheid.
Maar de koopman betoonde zich niet zoo grif en toeschietelijk hield
van pralen, eerst moest-ie nog 'n schoone toespraak houden voor hij
't gaf. Ze greep al weer er naar, gretig met al haar tien vingers,
doch hij gaf het nog zóó niet af en begon zijn oratie.
Onwillig stond ze erbij, hoorde in 't geheel niet naar wat de koopman
zei. In haar begeeren naar het eerlijk-gewonnene had ze daarvoor
geen ooren. Volkomen streek het over haar heen, dat hij verzekerde de
volgende week vast-en-zeker terug te komen, dat hij was de beroemde
bloemenmaker, de fabrikant van kunstblommen zonder konkurentie,
zonder wedergade en dat de loting met geen konkelarij of foefjes bij
hem geschieden kon.
Nu liet hij het bloemstuk zakken in haar grijpende handen, en gelijk
grijnsde ze voldaan, tevreden, nu ze het in haar vingers voelde,
de omvangrijkheid ervan torschen kon.
Mies opgetogen, had de bloemen erbij neergezet, ze wilde meehelpen,
mee-aanvatten. Ze klapte van pret in haar handen en riep in eerbied
en bewondering, onafgebroken:
--Wat een pracht, wat een pracht!
--Voorzichtig, kind! zei de moeder, voorzichtig dan, je bent zoo
zenuwachtig, je zou het breke!
--Wat gane we nou doen?
--Ja net.
Het werd een heel overleggen hoe dat alles thuis te brengen, dát ging
niet zoo gemakkelijk.
De tasch met kruidenierswaren en de karbies met bloemkool, roode
kool, savooie en bieten, 't was al niet licht, en nu moest dat groote
schip nog mee. Hoe konden ze dat gedaan krijgen? Een oogenblik stond
ze in beraad, terwijl Mies 't moois bevingerde. Toen wist ze het:
ze plantte het eene potje met rozen voorzichtig bij de inkoopen,
en dat prijkte daar nu hoog temidden van de koffie en de suiker. Ze
tilde dat aan één hand en nam het andere potje in de leege arm.
Mies kreeg in beide handen het groote schip te dragen; haar kleine
gezicht verschool erachter, de neus bijna ertegen aan. Door de zeilen
en lintjes kon ze nauwelijks heenkijken, en ze gluurde angstig rond
om niet tegen de menschen op te botsen.
De volle markt woelde en rumoerde om hun heen. Ze zoûen kreukelen
die mooie bloemen, èn erg bang ervoor, gingen ze voetje voor voetje,
stuwden en drongen zich voorzichtig erdoor. Met een gelukkig hart,
het lichaam warm van het moeizaam dragen, zwoegden ze door de volte
van de markt, puffend onder de onhandigheid van de last, en maar wat
blij toen ze eindelijk uit 't gedrang geraakten en op vrijer wegen
beter uit de voeten konden komen.
--Wat zal vâ in zijn nopjes weze! gierde Mies luid-uit. Ze zag al die
kleurige pracht in hun kale kamer, terwijl nog al de schoone woorden
van de bloemenkoop in haar ooren tuitten.
--'t Is een pronkstuk, gaf vrouw De Ram gewillig toe. Ze liep zoo vlug
als 't maar even ging, zoodat 't kind met haar korte beentjes haar
haast niet bijhouden kon. Aldoor gilden nog de venters hun waren uit
met ruwe brutaal-aanprijzende stemmen; ze wiekten zwierig de lenige
armen scharmaaiend over hun platte karren en schreeuwden vannieuws.
Vrouw De Ram en Mies keken niet ernaar; ze hoorden 't zelfs niet meer,
ze hadden nu meer dan genoeg en trokken door, een weinig verlegen
met hun schat en toch weer trotsch erop. Ze hielden de bloemen wat
achteraf en lieten ze toch weer half-opzettelijk zien in allervreemdste
beroering over dat onverwachte van het buitenkansje.
Nu raakten ze toch uit de drukte, en de straten leken ineens weer
breed zoodat ze heel gemakkelijk gingen. Maar nu waren ze ook thuis
en ze slopen als in geheim naar binnen, stommelend daarna zwaar de
trappen op.
't Gaf een heel gesjouw voor ze alles boven hadden, want 't kon niet
ineens. Wel drie keer moesten ze rusten. Bij 't laatste bordes zette
vrouw De Ram haar vracht even neer, nam het bloemschip van Mies over,
bracht dat 't eerst naar boven, plaatste het daar zoolang tegen de
muur, om de andere dingen te halen.
Mies kwam haar al achterop en reikte de potten met papieren bloemen
aan, en nu ze alles boven op 't portaal hadden staan, pakten ze
alles saam.
Hijgend en blazend sjokten, sleepten ze de bloemenschat met de kool
en de grutterswaren de kamer binnen.