IV.

--Hè moe, kijk dan toch 'es, riep weer het kind.

--Wat is d'er nou weer, 'k heb overal geen oogen.

Met een stem, nu al wat schor en vergroofd, bood de bloemenman zijn

laatste mandjes te koop. Zijn bleek en week-pokdalig gezicht was van

al het venten rauw en rood en zijn oogen stonden waterig van de walm

der petroleumlampen.

--Wie biedt er meer dan twee en twintig?... Wie meer dan vier en

twintig? taterde hij met zijn heesch geluid. Hij zweeg een moment,

begon opnieuw:

--Het zijne de leste, het zijne de beste! Wie geeft er meer dan zes

en twintig?... Zie eens wat een kleur en zie eens wat een smaak! Je

vroolijkt je heele huis ermee op en 't mooiste is: ze verdorren

niet!... Ze zijne beter dan de echte, dié verleppe als je ze drie dage

in water heb staan... Wie houdt er nou niet van blomme?... Blomme dat

is leven, daarmee breng-je fantezie in huis, dát is weelde. Je houdt

je man daarmee uit de kroeg en je kinderen stil, èn voor je zelf is

het een genot voor de oogen. Je staart er 's ochtends op en je staart

er 's middags op en 's avonds zie je ze alweer. Je ziet ze zelfs als

je naar bed gaat en ook als je er in ligt!!... Nou hoef ik je niks

meer te zeggen wat bloemen wel tot stand brengen. Even lachte hij, en

ging dan voort: je droomt ervan en je maakt je man tam, want uit bed

kijkt-ie op de rozen! Ik zeg--en hij verhief weer zijn lijmstem--wie

niet van blomme houdt, die houdt niet van zijn man of as-ie een "hij"

is, niet van zijn vrouw, die houdt niet van z'n kinderen!

Brutaal zwierde hij het groote stuk, het bebloemde schip, het schip

met de zilveren zeilen en de schelle linten, ver over de toeschouwers,

over de hoofden heen,--en het grelle licht uit de groote lamp, hoog

aan een staak er boven, overglinsterde en overzeverde al de bonte

kleuren, bescheen tegelijk zijn eigen week pokdalig martelaars-gezicht,

triomfantelijk.

Nu begon hij van nieuw; en al schorder werden zijn brallende

zing-geluiden.

--Ieder koopt zijn prijs, maar hier is de premie. Ieder, die koopt,

en ook de laatste, krijgt-d'er een bon op toe. De laatste, dat zie

je meer, die heeft geluk! Wie geeft er meer dan zes-en-twintig voor

de laatsten?

Zijn kleine geniep-oogjes in 't flets-bleek gezicht keken en gluurden

scherp rond, want niemand zes-en-twintig bieënd, had hij maar luk-raak

uitgeschreeuwd en zelf meegeboden. Hij zou nu weer van voren-aan

moeten beginnen, en om dit te voorkomen schreeuwde hij maar:

--Hier is de primie, de pri-mie!

Hij rekte dit woord primie, rekte opnieuw de woorden, en bralde:

--Wie geeft er meer dan zès-zès-èn-twintig... vooruit dan!!

Zijn weeke, brakke stem werd nu doordringend. Voor een oogenblik stond

de woelige groep in spanning rond de blonde bloemenkoop. Het was of

't allen aanging wie deze laatste pot met rozen zou koopen.

--Kijk toch 'es moe, hoe mooi, riep de kleine Mies.

Vrouw De Ram zei niets terug; ze keek de verkoop eens aan. Het felle

licht uit de lamp op effekt berekend brandde, glansde op de mandjes

neer, en de bonte kleuren brokten bekorend voor haar oogen òp. De

papieren rozen leken wel in bloei te staan.

Een oogenblik verpoosde de bloemenkoop, net lang genoeg om de

omstaanders tot besluit te laten komen, nu begon hij weer, in zoowat

dezelfde woorden en zei opnieuw:

--Wie niet van bloemen houdt, die houdt niet van fantezie, niet van

't leven. Hier, deuze ze verdorren en ze vergane niet... Wie biedt

er meer? Zes-en-twintig is geboje!

Een stilte bleef er om de bloemenkoop, zoodat ze andere marktgeluiden

feller hoorden. Een sekonde duurde 't nog, toen schreeuwde er één

uit met schorre stem:

--Ja!

--Toe moe, drensde, drong aan het kind.

Vrouw De Ram vond ze zelf ook mooi, en ze bood en schreeuwde mede.

--Wie 't meeste geeft, heeft ze! schalde driest de bloemenman, erg

blij los te komen; hij zwierde en zwaaide met de bloemen heen-en-weer.

Er schalden vele stemmen dooréén; ze boden tegen elkaar op, 't ging

tot acht, negen-en-twintig, dertig!

--Ze zijn te geef, riep hij als in zelfmedelijden, darde nog een

moment, gaf ze toen met gezicht van beklag aan de hoogste bieder.

--Hoe jammer, dreinde Mies.

--Och kind, mokte vrouw De Ram terug, zoo gaat 'et nou altijd!

Er ontstond beweging in de kijkersdrom, maar vrouw De Ram bleef

nog even staan, en draalde, omdat de meesten bleven, er kon nog wat

komen. En al-zijn-leven, wat zeg-je daarvan, d'er kwamen nog een paar.

--De laatsten, de állérlaatsten! riep hij schaterlachend. Het neusje

van de zalm, de bloem der bloemen!!

En 't was waar, ze schenen nog mooier dan de vorigen.

De omstaanders schokten van 't lachen.

De koopman begon opnieuw en zeer krachtig:

--Wie biedt er voor, wie mot ze hebbe?

Vrouw De Ram bood ineens, driest-weg, aangetrokken door het

kleurgeblaker; ze riep:

--Zeven-en-twintig...!

De bloemenkoop vond het niet geraden lang te talmen en gaf ze, na nog

even hengelen. Vrouw De Ram voelde al spijt, maar Mies' oogen blonken.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 18 / 37 题