--Hè moe, kijk dan toch 'es, riep weer het kind.
--Wat is d'er nou weer, 'k heb overal geen oogen.
Met een stem, nu al wat schor en vergroofd, bood de bloemenman zijn
laatste mandjes te koop. Zijn bleek en week-pokdalig gezicht was van
al het venten rauw en rood en zijn oogen stonden waterig van de walm
der petroleumlampen.
--Wie biedt er meer dan twee en twintig?... Wie meer dan vier en
twintig? taterde hij met zijn heesch geluid. Hij zweeg een moment,
begon opnieuw:
--Het zijne de leste, het zijne de beste! Wie geeft er meer dan zes
en twintig?... Zie eens wat een kleur en zie eens wat een smaak! Je
vroolijkt je heele huis ermee op en 't mooiste is: ze verdorren
niet!... Ze zijne beter dan de echte, dié verleppe als je ze drie dage
in water heb staan... Wie houdt er nou niet van blomme?... Blomme dat
is leven, daarmee breng-je fantezie in huis, dát is weelde. Je houdt
je man daarmee uit de kroeg en je kinderen stil, èn voor je zelf is
het een genot voor de oogen. Je staart er 's ochtends op en je staart
er 's middags op en 's avonds zie je ze alweer. Je ziet ze zelfs als
je naar bed gaat en ook als je er in ligt!!... Nou hoef ik je niks
meer te zeggen wat bloemen wel tot stand brengen. Even lachte hij, en
ging dan voort: je droomt ervan en je maakt je man tam, want uit bed
kijkt-ie op de rozen! Ik zeg--en hij verhief weer zijn lijmstem--wie
niet van blomme houdt, die houdt niet van zijn man of as-ie een "hij"
is, niet van zijn vrouw, die houdt niet van z'n kinderen!
Brutaal zwierde hij het groote stuk, het bebloemde schip, het schip
met de zilveren zeilen en de schelle linten, ver over de toeschouwers,
over de hoofden heen,--en het grelle licht uit de groote lamp, hoog
aan een staak er boven, overglinsterde en overzeverde al de bonte
kleuren, bescheen tegelijk zijn eigen week pokdalig martelaars-gezicht,
triomfantelijk.
Nu begon hij van nieuw; en al schorder werden zijn brallende
zing-geluiden.
--Ieder koopt zijn prijs, maar hier is de premie. Ieder, die koopt,
en ook de laatste, krijgt-d'er een bon op toe. De laatste, dat zie
je meer, die heeft geluk! Wie geeft er meer dan zes-en-twintig voor
de laatsten?
Zijn kleine geniep-oogjes in 't flets-bleek gezicht keken en gluurden
scherp rond, want niemand zes-en-twintig bieënd, had hij maar luk-raak
uitgeschreeuwd en zelf meegeboden. Hij zou nu weer van voren-aan
moeten beginnen, en om dit te voorkomen schreeuwde hij maar:
--Hier is de primie, de pri-mie!
Hij rekte dit woord primie, rekte opnieuw de woorden, en bralde:
--Wie geeft er meer dan zès-zès-èn-twintig... vooruit dan!!
Zijn weeke, brakke stem werd nu doordringend. Voor een oogenblik stond
de woelige groep in spanning rond de blonde bloemenkoop. Het was of
't allen aanging wie deze laatste pot met rozen zou koopen.
--Kijk toch 'es moe, hoe mooi, riep de kleine Mies.
Vrouw De Ram zei niets terug; ze keek de verkoop eens aan. Het felle
licht uit de lamp op effekt berekend brandde, glansde op de mandjes
neer, en de bonte kleuren brokten bekorend voor haar oogen òp. De
papieren rozen leken wel in bloei te staan.
Een oogenblik verpoosde de bloemenkoop, net lang genoeg om de
omstaanders tot besluit te laten komen, nu begon hij weer, in zoowat
dezelfde woorden en zei opnieuw:
--Wie niet van bloemen houdt, die houdt niet van fantezie, niet van
't leven. Hier, deuze ze verdorren en ze vergane niet... Wie biedt
er meer? Zes-en-twintig is geboje!
Een stilte bleef er om de bloemenkoop, zoodat ze andere marktgeluiden
feller hoorden. Een sekonde duurde 't nog, toen schreeuwde er één
uit met schorre stem:
--Ja!
--Toe moe, drensde, drong aan het kind.
Vrouw De Ram vond ze zelf ook mooi, en ze bood en schreeuwde mede.
--Wie 't meeste geeft, heeft ze! schalde driest de bloemenman, erg
blij los te komen; hij zwierde en zwaaide met de bloemen heen-en-weer.
Er schalden vele stemmen dooréén; ze boden tegen elkaar op, 't ging
tot acht, negen-en-twintig, dertig!
--Ze zijn te geef, riep hij als in zelfmedelijden, darde nog een
moment, gaf ze toen met gezicht van beklag aan de hoogste bieder.
--Hoe jammer, dreinde Mies.
--Och kind, mokte vrouw De Ram terug, zoo gaat 'et nou altijd!
Er ontstond beweging in de kijkersdrom, maar vrouw De Ram bleef
nog even staan, en draalde, omdat de meesten bleven, er kon nog wat
komen. En al-zijn-leven, wat zeg-je daarvan, d'er kwamen nog een paar.
--De laatsten, de állérlaatsten! riep hij schaterlachend. Het neusje
van de zalm, de bloem der bloemen!!
En 't was waar, ze schenen nog mooier dan de vorigen.
De omstaanders schokten van 't lachen.
De koopman begon opnieuw en zeer krachtig:
--Wie biedt er voor, wie mot ze hebbe?
Vrouw De Ram bood ineens, driest-weg, aangetrokken door het
kleurgeblaker; ze riep:
--Zeven-en-twintig...!
De bloemenkoop vond het niet geraden lang te talmen en gaf ze, na nog
even hengelen. Vrouw De Ram voelde al spijt, maar Mies' oogen blonken.