Op de zaterdagavond-markt lawaaide en vlaagde 't nog drukker; 't
was er bont en rel van lamplicht en gescharrel. De rauwe geluiden en
knetteringen van olievlammen schampten er saam tot één enkele bral.
Gedrang van uitzoekende menschen, stilstaande koopers, het opduwen
van nieuw aankomenden, 't warrelde en kronkelde dooréén tot een zwarte
kolk, vol draaiing en verstopping.
Elk tentje was een wereld op zichzelf en de verkoopers, tanige mannen,
dikke vrouwen, ze tierden en teemden, schreeuwden om 't luidst,
lokkend met sprekende oogen van:
--Hier moet je wezen en hier is je goeie waar! De kaas, de paling,
de sinaasappelen en noten heerlijk-frisch lagen naast oude vodden,
tusschen glaswerk, blikwerk en gescherfde schalen.
Door alle gangen en paden stuwden de zaterdagavondmenschen in
ijverig-zoeken; ze speurden naar de spullen, die overal lagen, óók
over de grond, waar naast het aardewerk, de stoffers, boenders en
bezems, de ouwe kleeren te vinden waren.
Vrouw De Ram wist wel waar ze moest wezen, repte zich voort door de
opstoppende drukte, toch links en rechts kijkend, snel snuffelend of
er niets voorkwam wat haar leek.
Een blonde bloemenkoop stond hoog op een stoel, boven de dwarrelende
massa uit, aanprijzend met zoete, weeke stem de manden waarin opbolden
roode en witte papieren rozen.
--Wie biedt er voor? Prachtig zijnen ze. Prachtig!... Wat benne ze
waard? Twintig cente de twee? Wie biedt er twintig cente?
Aan 'n vinger jengelde hij ze rond over de hoofden heen, liet zien
de twee volle mandjes rozen, met tusschen de kleurige bloemen groene
halmen ook pluis van papier wat op mos moest lijken.
In de andere hand hield hij een groot stuk, een weelderig bebloemd
schip met masten en ra's, vol kleurige linten als touwwerk en met
vele zilveren zeilen.
--Wie biedt er voor... wie meer dan twee-en-twintig cent?... Wie een
paar koopt...!
Even hield hij op, ging dan door:
--Wie een paar koopt, die krijgt de kans op dit groote, kostelijke
schip, het admirale-schip! ieder bekompt een lootje, want hier zijn
de bons!
Hij liet de blikjes rondgaan, hief het kleurige bloemstuk van bijna
een armslengte groot in de hoogte, liet 't licht van de lamp eroverheen
stralen en riep met zijn weeke stem, die bijna zong:
--Hier heb je de prijs die je koopt en hier is de primie die je
wint. Prijs en primie tegelijk! Wie biedt er meer dan twee en
twintig...? Vier en twintig, dat bent u, juffrouw! nee...? Nou dan
hier! Vijf-en-twintig!
Zijn geluid klonk maar zwak en droeg niet ver, want hij begon pas te
venten, wilde van zijn wrakke longen niet te veel vergen in 't weten
nog een geheele avond van doen te hebben. Daarom overschreeuwde hij
zich niet en trachtte het goed te maken door veel met zijn oogen te
werken en het bloemschip over de hoofden te zwaaien. De oogen van al
de menschen die er stonden gingen in de hoogte naar dat kleurige schip,
naar die twee mooie potten. Een greep doen en je werd kooper.
--Wie biedt ervoor...? Dat zijn weer een paar anderen en ze zijnne
nog mooier! zanglijsde hij opnieuw.
Gaaf en geleidelijk, zonder veel inspanning, liet hij uit de kweeë mond
de aanprijzende geluiden glijden en zwaaide met zijn bebloemd schip.
--Hè moe, riep Mies, hè kijk 'es, wat een prach...
Vrouw De Ram gluurde er even na, zei nuchter:
--Ja kind, strakkies! We motte nou eerst voort!
--Jè, moe!
Begeerig keek Mies naar de uitblinkende kleuren, de bloemen die leken
als zoo geplukt, zelfs nog mooier dan de echten in 't felle licht;--en
aan de arm van haar moeder hangend, bleef ze aldoor ommekijken.
--Vooruit Mies!
--Ja, moe!
Zigzagswijze baanden ze zich door de menschenvolte heen, om aan haar
stalletje te komen, waar ze boter kocht. Ze nam er ook 'n brok vet, een
half pond spek, vijf eieren,--en voort ging het nu naar haar kruidenier
voor de goedkoope koffie, voor de suiker, een half onsje stijfsel,
want in haar buurt was alles zoo schandelijk duur en slecht erbij.
Van de kruidenierswinkel slenterden ze nu terug naar de
zaterdagavondmarkt, liepen overal rond te zoekoogen en te snuffelen.
--Moe?
--Wat is er kind?
--Waarom keek vâ zoo zuur?
--Weet ik 'et kind... heb ik niet eens opgelet.
--Nou, maar ikke wel.
--Zoo!
De vrouw betastte met vinger en duim de spruitjes om te weten of ze
niet te veel water hielden; ze waren niet naar haar zin.
Het kind begon weer:
--Hept u dat heelemaal niet gezien?
--Wat?
--Dat vâ zoo leelijk keek?
--Welnee, kind!... zeker wat op zijn werk gehad. Dat gebeurt wel meer.
--Nou, u let ook nergens op!
Ze stonden nu aan een andere wagen. Vrouw De Ram betastte weer de
spruitjes en ging aan 't bieden; ze kocht een savooie kool, nam
nog een harde rooie, en bood en pingelde tot op een halve cent. Ze
vroegen haar wel achttien en ze kreeg 't voor twaalf. Dan zocht ze
naar een bloemkool, een blanke bloemige, en naar sappige bieten,
groente voor de heele week.
In de karbies ging al de kool; tusschen de spruitjes die boven-op
lagen, vlijde ze de gekookte bieten. In de andere tasch lagen al
saamgepakt de grutten en met de eieren en de boter was nu alles
boordevol.
Ze telde haar geld, om te zien of ze nog wat over had. Ja, 't kon nog
net, ze pakte een half pond Leidsche kaas, en opnieuw sappelden ze
maar rond. Ze werden opzij gedrongen, drukten en duwden terug,--en
slenterden weer voort. De markt nam, zoog al haar aandacht op, èn
haar oogen beefden bij al die spullen.
't Gaf niet, ze had geen geld, kon toch niet meer koopen.