II.

Stroef en in-zichzelf gekeerd, schoof Arie de Ram binnen, vier-hoog,

links-achter.

--Genavend!

Grimmig liet hij zich op zijn vaste plaats bij 't raam neerzakken,

keek dwalend rond, de oogen terneergenepen, heel zijn gezicht norsch

en onwillig.

--Is d'er koffie? vroeg hij, zonder zijn blik te veranderen.

De vrouw hield even op met stoelen boenen, deed alsof ze hem nu

pas zag:

--O, bè je daar? O!! Je schijnt weer niet in je hum te weze?

--Waar is Anne?

--Weet ik 'et!

--Zeker, weer de hurt op!

--Wat heb jij 'n drokkie... ze was de heele dag hier!

--Hum!

--Grom toch niet, ze is bij m'n zuster. Daar krijgt ze teminste wat

te bikke!

--Hum! bromde hij nog eens. Hum! Wa'rom zoek' ze geen dienst?

--Sja, dat zeg ik ook! Maar ze wille haar niet hebbe, ze is te

onooglik!

--Onooglik, onooglik?... ze ziet er toch flink uit... groot genog

van stuk, zou ik zegge!

--Jawel, weersprak de vrouw, de wenkbrauwen optrekkend tot

rimpel-fronsen, ze bedoelen in de kleeren!

Hij bromde nog eens hum, en zij werkte en wreef weer voort aan

haar stoel.

Ze zwegen. Wat viel er ook nog over te zeggen, dat begrepen ze beiden.

Het wrijven langs het stoelhout en 't verschuiven der pooten over de

kale grond, verscherpte hun zwijgen. Het vulde 't geheele vertrek.

Mies, het meisje van een jaar of acht, schoof nader bij tafel, keek

haar vader vragend aan.

--'k Heb geen schoene vâ, kermde ze heel klein, benepen.

--Zoo, en wat heb je daar dan an?

--Die ouwen, de teene steke 'er door... kijk m'ar!

Hij gluurde nu naar haar voeten, onwillig, onverschillig,--en terwijl

hij zijn grauwe oogen toekneep, waardoor al de werkrimpels in 't

gezicht meetrokken zei hij:

--Sja, dat is beroerd!

--Zóó kan ik toch niet op straat en morgen is het Zondag....

--Och kind, zeur niet an m'n kop!

Hij schoof haar ruw terzij, strakte zich moeizaam op, en vroeg aan

zijn vrouw:

--Kan ik me wasschen?

--Dadelik!

Ze werkte door en nu zoowat klaar met haar stoel, kwakkelde ze van haar

knieën op. Dan sloeg ze het werkschort neer, ging naar de kraan, liet

water in haar teil loopen, zette de zeeppot erbij en tegelijk zei ze:

--Je kon anders best wachten tot ik weg was, dan heb je de ruimte.

--O, ja! antwoordde hij onverschillig, en ging weer zitten. Hij liet

zich zoo lusteloos zwaar zakken dat de stoel ervan krakte.

Opnieuw hing er de stilte. Alleen het verwisselen van een schort

doorritselde de spraakloosheid. Het kind keek schuchter.

Ze kwam nu, de banden toestrikkend, naar tafel, vroeg kort en scherp:

--Heb je geld?

Even knipperde hij met zijn oog als in vage weifeling, zei aarzelend:

--O, ja!

Dan trok hij de hand uit zijn broekzak, smeet een rijtje guldens neer.

Het waren er acht. Ze lagen te kartel-glinsteren op de bewasdoekte

tafel, de laatste stukken onregelmatig opelkaargeschoven, de voorsten

losser uitgegleden, wat meer apart.

Het kind, tot het zilver aangetrokken, peuterde er dadelijk aan met

de vingers.

--Afblijve! vermaande de moeder. Ze sloeg vinnigjes over de

kindertoppen, snauwde om zichzelf gelijk te geven nog na:

--Je kunt ook niks laten!

De drie bovenste guldens nam ze van 't rijtje, liet de anderen liggen,

zei onbewogen:

--Ik ga even naar de "mart"... blijf je zoolang thuis? Ik ben zoo

werom.

Hij knikte, verroerde zich niet.

--O ja, brabbelde ze, alsof 't haar nu pas te binnenschoot, wil-je

koffie?

Meteen schonk ze al in, zonder zijn antwoord af te wachten. Het bruine

vocht dampte in blauwe kringelwasem omhoog.

Het kind hield de vinger waarop ze de tikken kreeg pruilerig in

de mond, stond nog aan tafel, glurend in begeerig kijken naar het

zilverblanke geld, dat daar zoo mooi lag, als een betoovering. En

erger zoog ze op haar vingers.

--As je soms brood wilt, het staat dáár! zei vrouw De Ram tegen

haar man.

Hij knikte opnieuw, slurpte gretig aan zijn koffie, zag ongemerkt

even op, nu wel een weinig minder stug, zijn norsche trekken wat

meer ontspannen.

Door 't vertrek snisterde haar kleine bereddering: het vluggig

beweeg van andere schoenen aanschuiven, rokken-gelijk-trekken, banden

verstrikken. Dan schreeuwde ze hard:

--Kom Mies, 'k ben klaar... gauw je hoed op! Zie zoo!

Het kind, al gereed, tuurde nog naar 't geld, tegelijk naar haar

vader, die maar weinig zei, zich een tweede kop koffie inschonk,

heel bedachtzaam, alsof hij er geheel bij was, terwijl zijn hersens

gansch anders waren. Zijn beverige handen schonken voort en de kop

vloeide over zonder dat hij 't wist.

--Hè, wat doe je nou toch, wat is dat voor manier!

Hij schrok òp, slurpte voorzichtig de volle rand weg en keek verlegen.

Vrouw De Ram veegde nog eerst het schoteltje schoon, ging toen stug

heen, met Mies aan haar arm.

--Ik ben gauw terug! zei ze nogeens.

Op de trap trippelden buurvrouwen haar voorbij, anderen kwamen haar

al tegen, en in de straat, anders zoo stil, liepen thans heel gerept,

bewegelijk-druk de menschen.

Om de hoek, in de lengte der groote straat, schreeuwden en gilden danig

de verkoopers. De kleine winkels glorieden en glansden breed-uit in

't blinkende licht. Nog aldoor werden handkarren aangereden, stevig

voortgeduwd en tusschen dat geknars en wielgeratel sloeg òp de herrie

van het venten. Er bolderde een zware vrachtwagen over de keien,

joeg de menschen opzij, en dadelijk erachter gil-schreeuwden weer

de stemmen.

Langs de winkelkanten roezemoesde er een verspreide

menschen-en-wagen-volte, die 't vlugger gaan belette. Ze moesten daarom

't midden van de straat wel nemen, want ze wilden dadelijk door,

naar de markt.

Even bleef vrouw De Ram toch staan om te neuzen; ze monsterde snel

de prijzen, vond ze goedkoop, vond ze duur, en liep weer door, met

Mies aan de arm, nu eenmaal niet van zin ergens dan op haar vaste

plaatsen te gaan koopen.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 16 / 37 题