Het dorre, onaandoenlijk huis, een nieuwestads-kazerne met altijd
openstaande deur en zestien schelknoppen aan weerszijden op een rijtje,
herleefde in zaterdagavonddrukte, die ook sterk merkbaar werd op straat
door 't aangehots van schokkende handwagens, voortgeduwd door lenige
kerels, die onder geknars en wielgeratel door, hun waren aanprezen.
Van de witgeboende trappen repten en tripten de vrouwen om inkoopen
te doen, lichtlijk latend meeschommelen aan de magere werkarmen de
leege hengselmandjes en karbiezen; in de proper-gewasschen gezichten
een glanzend-tevreden straling door 't binnengebrachte geld, en óók
de ernstige peinzing van voor-af moeten rekenen, om niet teveel uit
te geven, alléén maar te nemen het éérstnoodige.
Mannen brokten stug de trappen òp in haastig gestommel van de
ongemakkelijke schoenen tegen de stoottreden, toch bewust neerzettend
de loodlogge voeten, ze stevig opklotsend zelfs door het besef van
geld in hun zak, of ook wel stil-stappend, de gezichten vreugdig om
te verrassen. Ze klakten gelijk-met-de-deur de kamer binnen, de deur
die ze rap openden met een krak en met 'n flap weer achter zich toe
trokken. Overal op de kale trappen en bordessen en in de holle gangen
trippelden, trappelden de kinderen, die de moeders hielpen bij het
aansleepen--en heel het huiskarkas met zijn zestien schelknoppen,
aanduidend het aantal gezinnen dat er woonde, relde en rammelde in
't vlot en opgewekt beweeg.
Heel de week, en ook zelfs zondagsmiddags als de straat uit kuieren
ging, was er alles stil, leek het egale kleurlooze gebouw met zijn
rijen gelijke vensters en zijn vroeg-doorweerde, verflooze gevel één
enkele starre eenzaamheid, dor, doods en klam. Er mochten bewoners
de trap opgaan, de trap afkomen, de kamerdeur openen en toeslaan,
dit veranderde niets aan het aspekt, gaf zelfs geen leven aan de
steeds-geboende trappen, vreugdeloos-krakend in haar ontijdige
gesletenheid. Leeg bleven de wit-gekalkte, van onder zwart-beteerde
gangen, waar het zonlicht neerdroop als in een naakt klooster kaal
en kuisch, en waarop de kamers vier-aan-vier uitmondden, met onder
en boven weer een gelijk aantal vertrekken, een kwadrate optasting
en naast-elkaar-zetting van de zestien woongedeelten. Die naakte wit-
en zwart bekalkt-beteerde gangen stonden er hol en brak, scheidingen
niemand toebehoorend. In deze grauwe ophooping, het levenloos geraster,
de huurkazerne van een maatschappij voor goedkoope woningen, waarvoor
je nog maar wàt soliede en degelijk moest staan aangeschreven,
met liefst aldoor vast werk, om er voor in aanmerking te komen als
huurder, viel al 't daagsch gestommel dadelijk weg zonder gerucht,
omdat ieder zich terugtrok achter zijn deur, in zijn eigen vertrek,
kamer met alkoof en keuken. De zestien schelknoppen aan de deur, bij
het bouwen aangebracht, doch niet onderhouden, zaten daar eigenlijk
ook voor niemendal, de meesten ervan allang stukgetrokken, anderen
verroest en knarserig door het weinig gebruik. Want wie er kwam,
wist wel waar hij moest wezen, klom parmantig op, klopte maar ergens
aan als hij zich vergiste, en ze zeien dan wel: één, twee, drie of
vierhoog, vóór, achter, links of rechts. Voor de bewoners waren die
schelknoppen in 't geheel niet noodig. De buitenpoort stond altijd
open, overdag en 's avonds wagewijd, 's nachts op een kiertje, want
van de vele trappen, uit de leege gangen, viel niets weg te halen,
ieder sloot van binnen voor de sekurigheid wel af, en waar geen bel
ooit klingelde, bleef het stil en doods. Alleen 's zaterdags, als
de mannen te wachten waren met het loon, verkeerde het, ontstond er
bedrijvigheid, kwam er kleur en leven.
Van morgen begon het al vroeg.
Zoowat allen tegelijk kwamen de vrouwen aan de deuren volgeladen met
kleedjes, matten en karpetten, om elkaar te helpen kloppen en bij
te staan.
De haardasch, de afval vergaard in potten en emmers zonder deksel,
vloog naar buiten, en de wind joeg de smurrie over de gore straat met
zijn hooge maatschappij-huizen; de trieste straat ineens kleurig en
rel in het bezig schelle vrouwgekledder.
Dat buiten-werken gebeurde evengoed in de week, eigenlijk wel elke
morgen, doch niet zoo algemeen en niet zoo geducht. Het ging dan meer
ieder voor zich, iedere buur zichzelf reddend, reppend, flap-flap
de kleedjes uitslaand, zonder veel praten, om maar weer gauw binnen
te komen, maar op zaterdagmorgen spatte de werkbui eerst ongedwongen
uit. De mouwen opgestroopt, de magere werkarmen tot de elleboog bloot,
de rokken opgeschort, nauw om de spichte beenen als verfonfaaide
drapeering, snaterden en snebberden ze elkaar de ooren doof, hangend
met de schrale lijven aan de deurstijlen, tijdverkwistend, zich dan
weer haastend om voort te komen. Ruw en ongesjeneerd kwakten ze neer
de vuilnisbakken, onbekommerd of er wat over stortte. De todden, de
vodden, de spaanders en papieren waaiden met de asch óp, dwarrelend in
't gelle van de grauwe straat, waar de aschman dubbel te doen kreeg
om dat alles te vergaren.
Heel de morgen lang jelde en kletterde het anders zoo doffe huis in de
rammelgeluiden van emmer, blik en stoffer, beefden de trappen onder
het gebons van vaten en teilen, onder al het heen en weer geslobber
van niets ontziende voeten.
's Middags veranderde het weer, dan leek 't ineens gedaan. Ze
plasten, ploeterden, boenden binnen, om toch maar snel de boel aan
kant te krijgen, dán raakte ook de opstapeling woningen, ondanks
het gesloof en gezwoeg in de kamers, weer tot haar gewone rust, een
bedarende-neerzakkende, armelijke stilte, die de gangen, de trappen
opnieuw liet schimmen in eigen leegte.
De straat strekte zich evenzeer in geduldig en toonloos zwijgen. Alleen
lagen er nog de resten van papieren, de snippers, de schillen
tusschen de verwaaide asch, en die lebberden voort, wijl de groote
aschkar zich daarmee niet bemoeide, alleen maar nam wat in bakken
stond--en de geheele straat van gevangenishuizen, al fleurde er
ook hier en daar een bloem brutaal over sjofel hekje naast goor
waschgoed, wat nog drogen moest als verschooning voor zondag, leek
wèl een uitééngewaaide mesthoop, wat zóó bleef tot het mannetje met
de handwagen kwam, dat alles bijveegde en geduldig opschepte.
Nu, tegen de avond, terwijl de venters hunne waren uitschreeuwden,
kwam beweging in de kale gangen, gedribbel op de trappen.
Dat de mannen al niet met langzame en moeë voeten als in de week, naar
boven sjokten, ook niet zoo onverschillig en slap wegglipten in hun
deur, maar flink en stevig stapten, met zware passen die vooraf met hun
komst lieten weten dat ze wat inbrachten, maakte al het verschil. Ze
werden nu niet opgeslorpt door het huis, doch stommelden het zelf in
rep-en-roer,--en al heel gauw erop kwam dan de vrouw naar buiten om
't ontvangen geld te besteden, terug te sjokken met vleesch en met
grutten, inkoop voor vele dagen, de man zich nu wasschend en poetsend,
de bizondere beurt van de zaterdagavond.
Alles veranderde als in een tooverdroom. Het dorre en onaandoenlijke
van een geheele werkweek verdween, kreeg eigen leven, en de
kamergeruchten vermengden zich met de straatgeluiden.
Langs de trappen, in de gangen, ging het heen en weer. Deuren kierden
open, klapten toe en op alle gezichten lag de bereddering, de drukte
van het versche geld. 't Gaf behagelijkheid, wat op bevrediging leek,
maar ook als er aan 't loon ontbrak of de man niet genoeg binnenbracht
om de week door te komen, grove woorden.