KEESIE.

Vereenzaamd plekte de lange, lage woonwagen met het wit-geschilderde,

grauwbespatte dek aan het ontladingsterrein Weesperpoort. Als

een enkele meeuw in 't veld stippelde òp de wittige kap tegen de

sneeuw-grijze winterlucht en daaronder waasden de verre landen,

als verloren.

De wagenkanten, in hun doode vlakten, beslagen zwart, kropen weg

onder het gebogen dek, bewegingloos en zonder bespanning, kil in de

wijde strakke verlatenheid van het leege spoorterrein.

Alleen tusschen de raderen enkelde als teeken van bewoond te zijn

wat keukengerei, een emmer, een brokje trap; meer terzij lagen nog

wat latten.

Klam erop drukte egaal en zwaar de grijze sneeuwe-lucht en het

bespikkeld wit der flauw-gebogen kap lichtte even op tegen het zware

spansel. De rook, die uit het stompje keukenpijp traag naar boven

wolkte, dreef eenzaam mede in deze grauwte van verlatenheid.

In de wagen hurkten ze bijéén, de man, de vrouw, de oudste dochter

die voor de huishouding zorgde; de andere kinderen waren uit.

Ze zaten huislijk samen hier in de warmte en genoten ervan nu het

buiten zoo grimmig deed. De man smookte zijn pijpje, de vrouw stopte

kousen en de dochter morrelde in 't fornuisje, dat met koper beslagen,

fel glom in het zwakke licht van de zoo beperkte woonwagenruimte.

Keesie stond toe te kijken. Hij wist niet wat te doen of te laten. De

wagen zag zoo proper eruit, alles netjes aan kant, heel de lengte aan

weerszijden met vaste banken waarop ze 's nachts sliepen, en ook de

spiegeltjes erboven glansden zoo tusschen de raampjes met gordijntjes

van tulle helder wit.

Dat het er zoo fijn uitzag kwam omdat ze niets meer te doen hadden op

de kermissen, maar als er niks te doen viel werd hij vanzelf overbodig

en dan ging hij de laan uit een of andere keer. De winter was pas in

't begin, die duurde lang; hier in de warmte voelde hij zich echt.

Toch zou hij buiten liever in de grimmige kou staan peuteren dan

hier toe te zien. Hij wist met zichzelf geen weg in die properte,

al hield hij zich sjakes.

Om iets te doen bukte Keesie zich naar de grond en blies met zijn

zwakke longen door het open kachelgaatje in het smeulend vuur. Hij

wilde zich verdienstelijk maken en wist niets anders uit te denken.

De dochter zag erg goedmoedig toe want ze begreep zijn gekrummel,

maar de moeder rinselde met haar oogen van laat het maar staan,

we begrijpen toch wel je bedoeling.

Traag stond de man op, klopte zijn pijp eens uit en zei met een stem,

die hij opzettelijk wat schamper maakte:

--Zeg Keesie zou je d' er 'es niet op uittrekke voor 'n baantje.

Keesie keek onnoozel op, de oogen waterig van de vuursmook die hij

in de mond had gekregen.

--Ja zeker, ik meen het, we kunnen je toch het heele jaar niet hoûe.

--Goed baas, zei Keesie.

--Nou, wat zeur je dan, ga een nieuwsblad halen, misschien vin-je wat.

--Ja baas, herzei Keesie. Hij wroetelde overeind, veegde zijn gezicht

wat af met de mouw van zijn jas, en sukkelde zwaar en moe de wagen uit.

De vader, de moeder, de dochter, ze keken elkander aan en spraken

geen woord. Ze dachten allen 't zelfde en zeien 't maar niet, omdat

dit zich toch niet gaf. Van Keesie kwamen ze niet zoo gauw af!

Met vreemde oogen liep Keesie te suffen, loom en lam. De stratenvolte

omwarrelde hem met geraas en 't gejaag dat tegen zijn sufheid opstoof

als een wild beest met veel geblaas, beklemde hem.

Zijn ooren verdoofden in de suizende relling van al deze geluiden,

die over zijn hoofd heen spetterden en toch aan hem bleven hangen,

die hem ruw in 't gezicht sneden en vroolijk weer heensprongen, en

opnieuw aansnelden. Hij liep in een schettervacht van vijandige dingen.

Zijn gewaarwordingen kringelden zich bot te zamen in de gejaagde,

onbestemde angst van omver te worden geloopen, een paar duwen en

stompen te krijgen, waarvoor hij wel respekt voelde. Ieder haasthebbend

mensch scheen hem toe te snauwen, dat hij toch uit de weg moest gaan;

wat hij hier deed, zoo'n lomperd! Door het willen ontwijken botste

hij dan tegen anderen op.

Hij verlangde wel naar de wagen terug, doch dat ging niet, want hij

was erop uitgezonden om werk te zoeken. Dat hadden ze gezegd, en hij

moest dus!

Hij wist de weg niet te best en liep toch maar voort. Soms vroeg

hij aan een policieagent op een hoek van de straat, die 't hem maar

moeilijk aan 't verstand kon brengen, omdat hij zoo slecht begreep. Hij

wilde naar 't Nieuwsblad om een krant te halen, liep telkens naar

de weg vragend van straat tot straat en kwam er op 't laatst. En

dit herhaaldelijk vragen en 't noemen van de krant herinnerde hem

't doel van zijn tocht maar al te goed, en dat benauwde hem erg. Wat

gaf dat werkzoeken allemaal? Hij zou willen blijven waar hij was,

bij z'n menschen van de schiettent. Het moeten werkzoeken drukte hem,

leek hem een voorteeken van iets verschrikkelijks, waarover hij liefst

niet wilde denken.

Een angst van de wagen niet te kunnen weervinden overviel hem,--en

slim in die angst, lette hij scherp op langs welke punten hij ging,

gewoon in het zwerversleven spoedig de dingen te herkennen, om zeker

te zijn niet te verdwalen, de terugweg niet kwijt te raken.

De avond begon te vallen.

In grauwe vegen zwermde er al wat vroege schemer aan; of leek hem

dat maar zoo?

In de nauwe straten droefde de donkerte langs de huizen, waarin hier

en daar valschelijk licht opglemerde, geel en rood, zwakkelijk nog

tegen de grijze dagschemer in 't midden van de straat. Nee, zoo laat

was het toch nog niet, maar in de huizen moesten ze dat wel doen, het

zag er zoo grimmig donker uit. De vage drukte joeg hem schrik aan en

zwiepte hem nog feller over de straat. De winkels met de vele mooie

dingen trokken hem wel aan, maar hij durfde niet te blijven staan. 't

Werd te laat, de rukkende stootende voorbijgaanders maakten hem zoo

klein en benepen.

Angst en verwardheid drongen hem voort en in zijn zenuwhaast en

gestommel werd hij naar alle kanten geduwd en gestompt.

Meer dan lang genoeg was-ie nou weg geweest, naar hij meende; hij

zou dus teruggaan. En verwonderd keek hij op dat hij zoo goed zijn

verstand wist te gebruiken. Welke kant moest hij nu uit?

In de wagen vroegen ze elkaar waar toch Keesie bleef. Drie uur

geleje al uitgegaan om een krant te halen en nog niet terug! Och,

och, wat moesten we met hem beginnen!

De vrouw, goedig, zei terwijl ze het hoofd schudde:

--Nog maar eens anzien... waar zooveel monden zijn, kan hij ook

mee-eten.

De man, heftig, kefte dadelijk er tegen in, dat onder dienst gaan

't eenige bleef, de beste uitkomst. Maar de oudste dochter die boven

't vuur te morrelen zat in de pot met erwtensoep, beet er schampertjes

tusschen door:

--Ja, dat kan-je begrijpen, onder dienst, jawel daar neme ze hem met

zijn kromme beene, zijn varkenvangers.

--Och wat, zei opnieuw de vader, ze benne er wel krommer!

Er volgde weer een stilte omdat ze 't allen klaar begrepen. Een tijdje

ging om, dan hoorden ze op het houten trapje voetgestommel. O, daar

had-je 'em. Eindelijk.

Keesie schoffelde en treuzelde en maakte gerucht om zijn komst aan te

duiden, talmde en bleef aan de wagendeur staan. Als een donkere vlek

tegen het grijs van de lucht, de lucht die zoo laag hing en aldoor

nog scheen te zakken. Zijn gestalte schimde tegen het sterk bewasemde

glasraampje en hij zag nu verschrikt zelf de grauwe ommelijnen van

zijn eigen schuchter gezicht.

Dan aarzelend schoof hij binnen in wel eindelijk moeten. Ja, hij kon

toch niet altijd buiten blijven, maar hier binnen zoûen ze hem niet

met rust laten, o zeker niet!

Half al in 't smalle deurtje, het plompe lichaam nog gedeeltelijk

buiten, zag hij al de vragende gezichten. Botweg zei hij, om er ineens

af te wezen:

--Nog niks, ik heb nog niks!

Verlegen trok hij de deur achter zich toe, schoorvoette op de tast

en wist niet waar hij zich zou bergen.

In de wagen staarden ze hem aan en riepen:

--O, ben je daar?

De grove, vleezige jongen met purpere wangen, de oogen loomig, de

mond wijd als de poort van een moeilijk te vullen voorraadschuur,

bleef suffig staan.

Om zijn buitenwaartsch gebogen beenen spande de verschoten broek,

van onder niet vrij van rafels, èn die broek zat vreemd gewrongen,

in tal van bochten die maar moeilijk neerpijpten.

De jas, door het lange dragen wat uit elkaar gezakt, hing

straterig-sjiek los, zondags-open. Op zijn verslonsde gele haren

kleefde een beetje schuin de pet; zijn gezicht eronder oolijk-dom.

In zijn lompheid bleef hij heen en weer schuiven, vagelijk-scherp

voelend, zonder 't voor zichzelf te willen weten zijn totale

overbodigheid.

In zomertijd toen hij aan de wagen kwam vragen, om een handje mee te

mogen helpen, hadden ze hem eerst niet willen aannemen, en dadelijk

dachten ze hem toen al weg te sturen, wijl ze niet met hem konden

opschieten. Maar hij was willig, hield zich van de domme, en wist

daardoor te blijven. Nu in November, de laatste kermis al weken

voorbij, hielp dit alles niet meer, hij moest beslist wat anders

opzoeken, dàt hadden ze hem al zoo vaak gezegd en ze zeien het hem

alle dagen, maar dat het ook eens zoover zou komen, wilde bij hem er

nog niet in.

Harkerig stond hij nog altijd tegen de deur, sprak maar niet. Waarvoor

zou hij ook spreken? Dom-verlegen gluurde hij voor zich uit en vond

geen enkel woord.

Maar de anderen verwachtten toch wel dat hij iets over zijn rondzoeken

zou vertellen, keken hem met open mond vragend aan.

--Nou Keesie?

--Niks.

--En je krant?

--De krant, de krant? Die heb ik niet.

--Je zou er toch een halen!

--Halen? een krant, welke krant?

--Wel, heb ik van mijn leven, zei de baas verwonderd, je zou toch

zien of er werk was te krijge!

--O, werk...! ja, dat heb ik nagekeke.

--Zoo... waar dan?

--In de krant.

--En je zegt... waar heb-je dan de krant gelate? snauwde nu de baas,

kwaad om het eenzelvig niet begrijpen.

Keesie keek beteuterd, geheel verslagen door die uitval. Wat wou de

baas dan van die krant? 't Bleef hem onduidelijk. Er stond toch niets

voor hem in!

De dochter, snugger, begreep in-eens waar het bij hem schortte. Ze

kwam hem te hulp, bemoedigde te zeggen:

--Je hebt zeker in de krant gekeke voor de rame van 't Nieuwsblad,

niet waar?

--Ja! sprak nu Keesie vlug. En hij herhaalde: Voor de rame!

Ze keken elkaar aan met oogen van: Nou, dat helpt ook wat of je

hem wegstuurt.

--Wel verdikkeme, spotte al de baas, voor twee cente kun-je d' er

een aan de kiosk koopen en daar loop je voor naar de Warmoesstraat.

Maar nu kon Keesie ze troeven. Zonder een oogenblik te overleggen,

flapte hij eruit:

--Ja baas, da's 't gauwste verdiend, zou 'k denke!

De baas draaide van wreveligheid op zijn krukje om en voelde zich

kalkoensch-rood worden; met die sukkel viel niks te beginnen. De

woede sprak uit z'n oogen.

Het werd voor Keesie of de dingen om hem gingen draaien, of alles

hem begrijnsde. Opnieuw zei weer de baas tergend:

--Verdiend? nou nog mooier! Waar heb-je de verdienste dan?

--Hier, grijnsde Keesie terug, hier! Hij lachte leelijk, wees naar

zijn mond en haalde een sappige pruim tabak er uit.

Allen lachten luid.

Keesie lachte ook, maar een beetje wrang en stomp. Hij hield de

gekauwde tabakspruim tusschen de vingertoppen en keek erg onnoozel.

--Vooruit, dat ding weg! beval de baas.

--Ja baas! De tabakspruim verdween, ging schuil in de groote mond,

waarin wel een half pond zou kunnen worden geborgen. Behagelijk-stiekum

zoog hij erop, ze aankijkend met dom-loensche oogen, alsof hij nou

wel mocht.

--En wat zul-je dan beginnen, hier kunnen we je niet hoûen, dat

begrijp je, dàt snap je toch wel?

Keesie grijnsde weer, knikte dan en zei, omdat hij niets beters wist

te antwoorden:

--Ik zal mijn best doen, baas!

--Je doet al drie weken je best en je vindt niks.

--Ja baas!

--Ja, ja, jij met je ja-baas, maar voor zaterdag moet-je wat hebben,

hoor je! In elk geval ga-je d'er uit!

--Ja baas, zei Keesie weer, nu zenuwachtig-gedwee. Hij begreep dat

het meenens werd,--en het huilen stond hem nader dan 't lachen. Wáár

zou hij na zaterdag heen?

Naar huis?

Dat ging niet. Vader verdiende daar in Deventer met beide handen

zeven-gulden-twintig, aan de gasfabriek, vast werk voor winter en

zomer, d'er waren er slechter 'an toe. Maar zeven-gulden-twintig voor

zijn elven, dat sopte niet dik--en hij was de oudste, nee, daar kon

hij niet heen!

--Onder dienst, zei de baas, die een en ander wel zoo wat op zijn

gezicht kon lezen.

Keesie voelde zich in de klem. Eerst zei hij niks, keek alleen

armzalig, dan stootte hij plots eruit waar 't hier zat:

--Ik wil wel, zei-ie hakkelend, ze wille mij niet.

--Och wat, riep de baas. Och wat, dat loopt wel los, als je de beste

beentje maar voorzet.

Keesie keek weer sip. Wat moest hij zeggen? Voor zich-zelf zou-ie

't wat graag, 't kon hem wat schelen dit of dat, nou!... maar in

dienst ging nu eenmaal niet;... bij de loting al afgekeurd voor de

borst! Dat wisten ze hier natuurlijk niet, en dat was ook niet noodig

ze te zeggen! Met zwakke borst nemen ze je niet gauw. Zwakken willen

ze nergens hebben, dàt moet je dus nooit vertellen--en daarom zei-ie

't ook niet, zweeg maar weer. Ellendig voelde hij zich, inelkaar

geduwd, gedrukt en weer vanééngereten.

--Je bent toch letterzetter? sprak de vrouw, die totnutoe zwijgend

had toegekeken.

--O, o, luidlachte de man, letterzetter, as-ie dat zoo goed kan als

het andere, dan verdient-ie wel drie stuivers in de week.

--Nou ja, vergoelijkte gereedelijk de dochter, ieder kan 't niet

even best.

Keesie in zijn onhandigheid voelde zich op de pijnbank. Hij zag zich

weer aan de letterkast, zijn plompe vingers in de verkeerde bak,

met veel schrobbeeringen weggejaagd, of aan het draaien van de pers

gezet, waar hij niet goed tegen kon met zijn zwakke borst; en dan

de meeste tijd zonder werk, thuis van zijn nijdige vader allerlei

hatelijkheden, omdat hij niet genoeg inbracht, afgesnauwd door zijn

moeder die hij in de weg liep. Dat sjouwerwerk hier aan de tent, daar

kreeg hij teminste behoorlijk eten bij--en er viel nog wel eens wat

af; 't leek en bleef hem hier het beste! Hij stond geheel suf ervan,

weg in gedachteloos stomp denken.

De dochter, met meer medelijden dan zij zichzelf wilde bekennen, en

met een beetje eigenbelang, want ze had de meeste hulp van Keesie,

mond en oogen in onverschillig heen-en-weer-getrek, om aan te geven,

dat het haar niet zoozeer kon schelen, dat ze enkel maar aandrong

uit goedhartigheid, zei:

--Hij kan toch nog eerst helpe bij de verhuizing, dan zulle we wel

weer verder zien.

Maar de vader doofde deze uitkomst al weer door hard te zeggen:

--Nou ja, dat is heel gauw afgeloope, hij mot uitkijke, we kunne hem

niet altijd hoûe.

--Wel-nee, vulde de moeder aan, dat kunne we zeker niet, we hebbe

Janus ook nog.

--O, die redt zichzelf wel, meende weer de dochter, die mag-je eigelik

niet meetelle, want die verdient z'n eige kost.

--'t Mocht wat, 't mocht wat, schamperde de man luid. Zeker, die

enkele keer, dat-ie aan de komedie werkt, dat-ie figureert. Wat die

binne brengt is got-betert-me ook het ankijke niet waard.

--Nee, zuchtte de moeder en zweeg.

Ze begon overdreven-druk in een mandje met oude vodden te snuffelen,

bleef dan met de handen in de schoot zitten, vol gepeins over al die

etende monden. Ze zei het wel niet, doch de woorden lagen op hare

lippen, dat zes kinderen, allemaal groot en die twee lummels van

knechts heelwat weg-eten. Nou... je moet er maar voor opbrenge!

De man raadde de gedachtengang van zijn vrouw en zelf goedhartig als

het er op aankwam, voelde hij zich week worden. Hij schudde 't hoofd,

zei nu ook eens:

--Nou, nou!

Dan ging hij, om voorloopig een eind aan 't gesprek te maken, ook al

omdat hem dat gezeur verveelde en hij in deze beperkte woonruimte met

zichzelf geen weg wist, naar buiten, om daar wat rond te scharrelen

aan zijn wagen. Er viel wel een en ander op te bergen.

Keesie, met de rug nog half de deur versperrend, deinsde

bedeesd-gedienstig opzij, om de baas te laten passeeren, slechts

langzaam en vaag oplevend uit zijn verwezenheid, nu het vele gepraat

om z'n oogen ineens verstomde.

De woorden zeulden nog aldoor in zijn hoofd rond, in hem vasthechtend

en zich herhalend, dat hij weg moest. Waar zou-ie naar toe, naar

Deventer? Nee nog liever ging hij kapot! Maar wat moest-ie dan

uitrichten?

Dof-zwaar stond hij te lodder-kijken met uitpuilende oogen, en die

oogen dwaalden doelloos rond alsof ze niet van hem waren. Verdwaasd

keek hij zonder dat hij wist waarom naar de dochter, die ijverig in het

vuur pookte, dan weer in de pot roerde en de etenspot deed opstoomen

met geurende soepwasem, die begeerig in zijn neus opzoog en zijn

kil-geworden hoofd verwarmde. Hij kon zich maar geen begrip vormen

wat hij eigenlijk wel zou moeten aanvangen, als ze hem hier gingen

uitstooten. Door het zwervend leven geheel ontwend aan regelmatig

werken, voelde hij een angst om weer in 't ordelijke terug te moeten,

en juist dat onregelmatig, vreemde gewerk aan wagen of schiettent

leek hem zelf wel passend bij zijn klein verstand en zijn onbehendige

handen. Zou hij hier nou werkelijk weg moeten, 't leek hem haast

onmogelijk. Een scherp en klaar besef van de toestand drong nog niet

tot hem door.

Daar buiten hing de grijze sneeuwlucht zoo zwaar-hangend, zoo kil

en klam--en het dorre veld er onder lag eindeloos uitgestrekt. Aan

de andere kant, wist hij de onbekende stad, die daar grolde als een

wild beest. Hier in de lage wagen was het teminste warm, de warmte

die hij voelde, en die hem ook nog merkbaarder werd in de wasem,

waarmee de kleine vensters aansloegen tot dof-wordens toe.--En 'n

zelfde klamheid en luwte droop en druilde op hem neer, 't scheen wel,

alsof het vocht der ramen dat langs de venstertjes riggelde uit tranen

bestond die van hem zelf waren.

Dof voelde hij op zich drukken de zwaarte van zijn onbeholpenheid,

de pijnlijkheid van zijn toestand; de twijfel van het niet weten

waar heen hij kon versufte en kwelde hem nog meer. In nu toch wel

scherpere lijnen zag hij zijn toestand, zag hij ook als in een droom

dat moeilijke beest van de vreemde stad met scherpe, nijdige nagels

op hem afkomend, slaande venijnig hem in zijn vleesch. Lamlendig

bleef hij tegen de deurpost leunen, de verwezen oogen dwalend over

de wasemende soeppot, waarin de handen der dochter vlijtig de lepel

roerde. Zijn oogen keken al maar door naar 't zelfde punt, zagen hoe

haar handen een bord volschepten, zonder te merken dat hij 't zag,

geheel weg in zijn dof en star kijken. 't Ontging hem gansch wat er

gebeurde. Wezenloos bleef hij staren alsof er niets anders rondom hem

bestond, tot hij in-eens weer tot bewustheid werd opgebeld door haar

grofluide stem:

--Toe pak an Kees, mot je nog treuzelen ook! schreeuwde ze.

Verschrikt en van zijn stuk gebracht door haar uitroep, greep hij met

beide handen tegelijk, greep naar het bord, maar o wee, de onvaste

vingers gleden over de rand heen en kwamen terecht in de warme soep.

--Ai, zei-ie, geheel verbouwereerd.

Keesie zag haar vertoornd gezicht; zijn oogen smeekte om vergeving. Dan

kwakkelde hij met het volle bord terug naar de bank, die aan de

wagenwand zat geklampt en zette het neer op de rand van de smalle

tafel. Zijn hoofd diep er overheen, begon hij langzaam te lepelen,

nog niet wetend of hij zich gelukkig moest voelen met dat toegeworpen

eten of dat het wellicht zijn galgemaal zou wezen? Weer teruggetrokken

tot het besef van weg-te-moeten geraakte hij weer aan het denken,

al tragelijker lepelend. Er ging langzaam en veel in hem om. Onder

de milde soepwasem groeide aan de botte starheid van daar straks tot

bewustwilligheid. Het onbedachtzame niet-wegwillen, verscherpte in

hem, en dat groeide samen tot welbewuste strakheid. Hij geraakte zoo

moeilijk tot een besluit, maar nu 't er was beteekende dit besluit

koppigheid: ze konden zeggen en doen wat ze woûen, hij zou blijven. Hij

trok er niet uit, zelfs niet als ze grof en onwillig hem koejeneerden;

hij zou terug komen, ook als ze hem er uittrapten.

Hij herinnerde zich een voorval uit zijn leven, dat toen sterke indruk

op hem had gemaakt, het geval van Juno, zijn hond, dat grauw-gore

beest, twintig keer door hem aan buren weggegeven, en die toch telkens

terugkwam, de hond die hij eruit ranselde en die weer terugkroop,

aldoor terug, tot hij hem wel met rust moest laten. In zijn eigen

hulpeloosheid zag hij voor zich die hond, de smeekoogen van Juno--en

nu opnieuw en nog sterker en doordringender de gedweeë blik van die

aldoor-in-huis kruipende hond voor zich halend, nam hij zich voor dit

voorbeeld te volgen en evenzoo te handelen. Ja, dat was de manier,

dan zoûen ze hem wel moeten hoûen!

In zijn besluit nu zichzelf steviger voelend, begon hij, diep over

zijn bord gebogen, met meer besef van genot te eten, zichzelf vaster

zettend in dat denk-weten, al maar doorlepelend, tot hij krassend de

bodem beschraapte.

--Hè, geef toch op je bord Kees, klak niet zoo! vermaande de dochter.

Keesie schrikte dadelijk ervan op en werd vuurrood, alsof hij een

misdaad had begaan.

De moeder, die nog aldoor bij haar mand met naaiwerk zat, zuchtte eens;

ze begreep heel best hoe het zou loopen, zei hoofdschuddend:

--We komme niet van hem af, help mij 'es toezien, de heele winter

blijve we met 'em opgescheept. Dat heb-je er nou van as je te goed

voor ze bent.

Keesie deed of hij 't niet hoorde, maar diep-in grinnikte 't in hem vàn

genot over die uitval, die zoo goed aangaf en geheel overeenstemde met

't geen hij bij zichzelf had voorgenomen.

--Hei, Kees, hei help 'es, hier an die stang! riep de baas van buiten,

die daar aan 't rondscharrelen het voorval al was vergeten.

En Keesie, in plotse schrik-vreugde dat hij weer van dienst kon wezen,

liet de lepel in 't bord terugvallen, haastte zich naar buiten, nu

heelemaal van zichzelf zeker, dat ze hem er niet uit kregen. Hij zou

hier best blijven hangen, als hij maar deed gelijk die hond die niet

weg wou en als ze hem d'er uitjoegen telkens terugkwam.

'T ONVERWACHTE.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 14 / 37 题