VIII.

De volgende avond ging hij mee en stond geheel verbouwereerd. Die

Bet durfde meer dan hij.

Heelgauw vond hij het leutig. Die jongens deden zoo fijn met die

meisjes. Ze zoenden en pakten, trakteerden en zeien zulke grappige

woorden.

Betje gaf geen antwoord op al wat hij zei, maar juist omdat ze zweeg,

meende hij dat ze het toch ook wel prettig vond. In bed voor dat

moeder erin kwam probeerde hij dan na te doen wat hij 's avonds zag

en Betje noemde hem een viezerik, waarom hij schunnig lachte.

Moeder was heel tevree, dat de kinderen zooveel thuis brachten. Ze

schimpte en sloeg enkel nog als de vangst niet meeviel en het vermoeden

weer welde, dat Heintje of Bet het voor zichzelf hielden.

Een tijd ging het goed in de pretstraat, maar de policie zat erachter,

verjoeg de kinderen. En nu moesten ze weer wat anders verzinnen.

--We gaan ma'r gappe, zei Hein heel kordaat.

--Ja, maar dan ga je achter de tralies.

--'t Kompt er maar op 'an, dat ze je niet snappe.

--Ja, beaamde Bet, zonder recht te weten wat het beteekende.

Dan overleiên ze samen sluw de middelen om het zoo lang te rekken. Tot

op een dag de vader uit de gevangenis kwam en Hein noodig had om op

de wacht te staan als hij wat ging kapen.

Betje bedelde nu alleen en waagde zich weer in de avondstraat. 's

Nachts in bed vertelde ze aan Heintje al wat ze had opgelet en dat

vond ze zelf griezelig-leuk. Als moeder 't maar niet merkte, want die

zei dat ze gemeene beesten waren, die opgroeiden voor het pesthuis

zoo zeker als wat.

De vader, drinkend dag aan dag, greep mis en raakte weer achter

slot. Ze rekenden hem dadelijk in en eerst lange tijd daarna werd hij

veroordeeld, voor drie jaar. Een goed voorbeeld moest worden gesteld,

hadden ze aan de rechtbank gezegd. Moeder vloekte en zei dat ze 't

enkel deden om deugdlijk van hem af te wezen. Nu moesten Heintje en

Betje weer samen op het pad.

--Allee, d' erop uit, zie dat je wat binnenbrengt, zei moeder. Je

bent nou niet meer zoo jong, ik ben zonder man's verdienste en ziek,

denk erom. Van niks kan ik je niet onderhoûe!

Ze gingen wrevelig, met een wrang besef dat 't nu aldoor van hen

moest komen.

Overdag dwaalden ze door de stad, zochten kolen uit de sintels van

het spoor, haalden uit de vuilnisbakken al wat nog van waarde kon

worden geacht en sleepten dat naar het kamerkot.

De knuisten krom en kleumerig, rood van de kou en als het warm was

zweeterig-vuil van al wat ze bedreven, zoo liepen ze door de stad;

en zoo verliepen de vele maanden.

De menschen gingen hun maar haastig voorbij, geeneen die zich de moeite

gaf naar de bedelkinderen om te kijken. Groezel waren ze en goor,

de gezichten flets, doch met sluwe oogen waaruit al het slechte sprak.

Kleine Bet, ineens opgeschoten, bijna even groot als Hein, deed voor

hem niet onder, zij beiden nu twee ouwe menschjes in kinderjaren,

vroeg rijp en rot. Telkens dook nog wel de gedachte op om weg te

loopen als moeder sloeg, maar het besef dat ze te onoogelijk waren

hield toch terug.

In de klemmende volte van volk, druk overal, stond 's avonds Heintje

pover in zijn kleinheid tegen een of ander huis, scheukend van kou en

ongerief. De oogen schijnbaar toe, gedurig loerend of er geen kwam die

hij aanklampen kon en geen smeris die hij uit de voeten moest blijven,

zóó werd hij ongevoelig voor alles wat geen voordeel bracht.

Kleine Bet scharrelde in de gemeene straat en ze liep er wat graag rond

om alles fijn uit te visschen en ook om er zoo leutig te bedelen. Ze

hing niet meer af van haar broertje; zij hielp hem.

Eerst in de latigheid ging Hein naar haar toe om te zien of hij

bijspringen moest, haar beschermen als ze eens wat kaapte. Voor een

groote slag moesten ze beiden eerst grooter worden, dat begrepen ze,

maar zooals nu lapten ze het hem toch ook wel. Ze vonden zichzelf

zoo uitgeslapen-glad en Betje zei zelfs niet meer dat Heintje een

viezerik was.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 13 / 37 题