VII.

Een week ging lamlendig en verdrietig om.

Ze bedelden elke dag het lange lijstje af.

Kwaadaardig voelde hij zich omdat Bet niet durfde met hem weg te

loopen; haar alleen achterlaten wou hij ook niet. Haar schuchteren

en aarzelen ontnam hem nu zelf de moed. Echt belabberd vond hij het

en hij kon wel huilen van ellende.

Kleine Bet, miezig en in elkaar geschrompeld, keek hem aan met bedeesde

oogen, waarin al haar angst en vrees voor de waagpartij stond te lezen.

Ze wachtte geduldig af dat hij haar een stomp zou geven om zijn woede

op haar te koelen. Maar hij deed niets, keek strak en stuursch voor

zich uit, taalde zelfs niet naar haar, in zijn ergernis haar geheel

vergetend. Dat kwetste haar meer dan zijn ruwste uitval en maakte

haar kleiner dan een wurm. De tranen bibberden haar langs de wangen

en de lippen vertrokken zich scheef. Ze wilde nu in alles toegeven

en meende 't hem te zeggen, maar zijn grimmigheid hield haar nog

tegen. Van kwaadheid stampte ze op de steenen en haar korte armpjes

zwingelden driftig heen en weer.

Dan in haar uiterste verzenuwing en bereid zich aan hem te onderwerpen,

kreeg ze een ingeving. Als ze eens die gemeene straat dáár inging. Wie

weet wat daar wel viel te halen? Haar gezicht veranderde ineens van

uitdrukking, werd welbewust en zeker. Ze schokte op hem aan, trok

hem aan z'n arm en fluisterde hem haar plan in 't oor.

Hij fronste even de wenkbrauwen en schudde haar af, omdat hij 't

beschouwde als een listige uitvlucht, een truuk om hem toegevender

te stemmen. Maar dan zag hij het voordeel ervan in, en zijn plan

van gezamelijk weg te loopen voorloopig terzijde latend, snauwde

hij onverschillig.

--In die straat kom je nergens in, ze late je niet eens door.

--Wel'es! hernam ze dadelijk zeker. Ik zal wel zien. Kom jij dan

straks ook?

--Ga ma'r eerst. Als ze je te pakken krijgen mot je 't zellef wete;

't staat er vol met smerisse, pas ma'r op.

Ze gaf geen antwoord en liep al op de dwarsstraat toe, de

lichtstralende-vunzig-glimmende pretgeul, waar voor elke deur van een

tingeltangel een groote, zware portier stond, die aan een koord trok

om de deur open te wieken, maar die haar niet binnen zou laten. In

dat felle, rosse licht en bij het getjingel van de muziek voelde

ze eerst recht haar schamelheid. Nee, Hein had gelijk, ze kwam hier

nergens in. Maar dit ontmoedigende besef gaf haar ook weer driestheid.

Moedig klampte ze aan een paar zwabberende jongelui, die niet eens

naar haar omkeken en geen ooren hadden voor haar gesmeek. De smerissen,

die overal op post stonden, moest ze in de smiezen hoûen en dat maakte

verder vragen haast onmogelijk.

Telkens als een portier een café-deur opentrok en schreeuwde: kom

binne, kom binne, hier kun-je-je amezeeere, schoof zij er op af,

om van het geheimzinnige op de hoogte te komen. Het felle licht, de

bonte kleurigheid, de mooi-gekleede dames en de muziek, 't leek haar

alles prachtig als de hemel zelf en toch weer had ze schrik ervan

door het al te mooie. Als ze toch eens kon binnendringen of stiekum

erin sluipen? Maar ze zag dat dit niet zou lukken, als ze het lapte

zouên ze haar weer gauw buitensmijten en dan stond de policie er om

haar mee naar 't bureau te nemen. Nee, nee, mompelde ze tusschen de

lippen, ik moet ergens anders zoeken, waar 't niet zoo licht is en

bij meer gewone menschen.

Sjokkerig liep ze de licht-straat af, haar oogen vreemd en toch zoo

schuchter, zich nog kleiner makend dan ze al was, om overal door te

kunnen. Soms hield ze haar hand op en trok iemand aan de jas en van

'n andere kant kreeg ze dan een duw of stomp.

Zoo ging een heele tijd rond. Ze wilde wel naar Heintje terug, durfde

niet voor zijn groote mond. Hij zou haar uitlachen en beschimpen.

Dan gluurde ze opnieuw naar 't vele en felle licht dat overal brandde,

luisterend begeerig naar de muziek die telkens in schelle tonen

opstooten kwam. Dan waagde ze het erop en trachtte binnen te sluipen,

maar de portier duwde haar terug.

--Wat mot je hier, allé weg jij!

Ze zei niets weerom, keek enkel smeekend. Wat moest ze ook zeggen! Maar

nu ze teruggestuurd werd, wist ze dat ze er juist moest wezen.

't Kwam er enkel op aan ergens binnen te dringen zonder dat ze

't zagen.

Zoo dwaalde ze rond, tot ze vanzelf meer vertrouwd raakte met al

wat zich in die gemeene straat bevond. Ze gaf het nog niet op en

zocht en speurde naar een huis, waarvoor geen wachter de toegang

beletten kon. Eindelijk achteraan zag ze zoo iets. Een huis met

groene gordijnen, vooraan smal en donker, achteraan muziek en

licht. Schuchter en wat benauwd sloop ze binnen het donkere portaal,

naar het voorgedeelte, afgeschut door die zware gordijnen. Er zaten

jongens en meiden in het donker aan de tafeltjes en die bood ze

dadelijk aan haar anderhalf doosje lucifers.

De jongens staken onwillig de handen diep in de zak, schorschreeuwden

wat ze hier kwam doen, maar ze gaven haar te minste wat. Van tafeltje

naar tafeltje liep ze, en niet overal, maar toch bij velen haalde ze

wat op.

Brutaaltjes gluurde ze met haar verlept kindergezichtje naar achter

door de kier van het groen gordijn. Het felle licht en de muziek

maakten haar dadelijk weer angstvallig en beschroomd. Haar groezel

gezichtje trok zich benauwd.

Een dikke bediende in zwarte glimmende frak stootte haar weg nu ze

hem voor de voeten liep en bijna over haar viel. Hij vloekte, wilde

haar verjagen, maar de meiden aan de tafeltjes kwamen voor haar op en

de jongens lachten, zoodat ook de kelner zijn kwaadaardigheid vergat

en haar niet verder afsnauwde.

Schoorvoetend wrong ze zich nu door de nauwe opening van 't gordijn

en waagde zich in 't licht. Dat viel niet mee. Niemand keek daar naar

haar om; er werd gedanst. Toen ze haar zagen maakten ze gekheid met

haar en lachten om haar sjofele plunje. De tranen kreeg ze ervan in

de oogen en de kelner kwam weer op haar toe. Nu was het toch genoeg,

hier in de zaak konden ze dat niet hebben.

Maar een paar meisjes aan het dichtbijzijnde tafeltje, erg luidruchtig

van liederlijkheid en half bedronken, zeien medelijdend:

--Och, dat arme kind, kom maar hier hartje!

Ze gaven haar wat en porden hun liefies op met dringerige woorden van

"geef jij ook wat," wetend en voelend de ellende van dat kleine kind,

een toestand van ontreddering, erger dan die van haar zelf. Zij zelf

konden zich nog verweren, zich wreken, haar hart ophalen door een

kerel af te zetten, of hem te pesten, maar dat kind... dat werd aan

alle kanten gestompt en afgewezen.

--Vooruit, tast 'es in je zak, zeien ze ruw, 't zal je niet verarme!

En onwillig gaven de heertjes, die geen bezwaar voelden een gulden

voor een fleschje stout te betalen, aan 't bedelkind, om hun fatsoen

te houden, ieder een enkele cent.

Gretig stak ze al wat ze ophaalde bij haar en schoof nu voort, van

tafeltje naar tafeltje, terwijl de paren die dansten haar de rokken

zwaaiden langs het verwezen hoofd.

Een dronken vent streek haar onder de kin en zei:

--Je hebt wel een aardige toet, kom 'es terug m'n lievie, as je een

jaar of tien ouwer bent.

Ze begreep niet precies wat hij bedoelde, maar er schoot toch een

glinstering voor haar op. Ze lachte ouwelijk en bedelde voort. Nou was

ze nog te klein, dàt begreep ze en ook dat het later gemakkelijker zou

gaan. Vaag dwarrelde die kans door haar heen, en ze vergat het weer.

Ze vischte heel de gelegenheid af en ging dan naar de Vijgendam,

waar ze Heintje vond. Hem toonde ze haar ontvangst--en hij, geheel

verwonderd, kon het eerst niet gelooven, stond sprakeloos. Dat was

recht het beloofde land, nou hadden ze geen krimp meer en behoefden

niet weg te loopen.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 12 / 37 题