VI.

't Liep de geheele week wonderwel. Elke keer als ze naar huis gingen,

zeien ze:

--Dat duppie late we legge!

En 't antwoord was: natuurlik.

Maar vrijdag, werd het ineens weer mis, hadden ze niet meer dan

negen cent.

Wat nou?

Bet met haar klein, geel gezichtje, zei dadelijk:

--Nou, motte we 't neme?

--We hebbe anders van de week genog binnegebracht, meer dan zij,

lawaaide nog Hein.

--Nee-nee, late we 't nou neme.

Ze trappelde van ongeduld, zei weer opnieuw:

--Morge hebbe we vanzelf meer!

--Hoe weet je dat zoo, vroeg en sarde Heintje, erg voorzichtig.

--Omdat ik 'et weet!

--Zoo?

--'t Is dan zaterdag... dan hebbe ze cente.

Hein, die heel het bedelpogram van de week uit het hoofd kende,

en alles precies wist, wreef van vergenoegdheid zijn gezicht in de

handen rond, zei oudmannetjes-achtig:

--Mooi zoo! Je begint het nou ook te leere!

En zij lachte:

--Alsof ik dat niet wist, gekke Hein!

Samen trokken ze nu op naar 't park.

--Lawe wachten tot donker, sloeg Bet voor, ineens weer bevreesd voor

ze wist zelf niet wat.

--Welnee, dan kunne we ommers niet zien.

--Je weet toch waar 't ligt!

--Natuurlik... 't is nog al wiedes.

Hij dacht nu ook aan de angst van die avond, herhaalde nog eens:

--Je mot toch uit je doppe kunne kijke... in 't donker kan-je niks

uitvoere...

--Kunne ze ons niks make? vroeg bangelijk nu Bet weer.

--Och, je bent net 'n kind.

--Zoo, zei kleine Bet sneu, wat ben jij dan groot!

In 't half-schemer, terwijl de heesters al weer bijna zwart leken,

slopen ze naar de struiken bij de groote boom. Wel drie keer waren

ze omgeloopen, want telkens stond er een policieagent, die maar niet

heen wilde gaan. Maar nu was hij weg en moest het gebeuren.

Hein groef snel, krabbelde met zijn handen in de vochtige aarde,

en Bet liep rond, stond op uitkijk, net als de vorige keer. Maar hoe

Hein ook de natte grond omwoelde en doorzocht, het papiertje en het

dubbeltje vond hij niet.

--Heb je 't nou nog niet... gauw dan toch, snibde en snauwde Betje.

--'t Is er niet meer!

--Je liegt, schreeuwde ineens Betje, die dacht dat hij 't voor zichzelf

wilde houden.

--Zoo, nou zoek dan zellef!

Ze grabbelde nu ook even in de grond, maar veel te bang, te haastig,

gaf ze het dadelijk op en smeekte:

--Zoek jij nog eens.

Ze zochten wel een uur lang, om de beurten, soms met hun beiden

tegelijk, de grond zenuwachtig omwoelend. Vaak moesten ze wegkruipen,

als ze dachten dat er menschen aankwamen en begonnen opnieuw.

Eerst, toen 't donker alles vulde en ze rondom niets meer konden zien,

gingen ze armelijk en neergeslagen heen.

's Avond kregen ze ongesjeneerd op hun tabberd, omdat ze maar negen

centen thuis brachten.

De moeder troefde erop los, zij had niets in huis.

--Late we wegloope, oproerde Hein.

--Dat durf ik niet, klaagde Bet.

--Nou, ma'r, ik kom niet meer bij haar werom.

--Maar Heintje-lief, doe dat niet. Ze zal mij doodslaan.

--Nou, ga dan mee! Ik zal 't wel rooie.

--Dat durref ik niet, klaagde ze weer. De volgende week of de andere

maand dan--als ik wat grooter ben geworde.

--Da's gekheid, dan kan-je 't nou ook. Je groeit toch niet in een week.

--Nou, in een maand toch wel!

Ze kibbelden en monkelden er nog lang over na. Kleine Bet durfde niet,

sloeg aan 't huilen. Ze riep maar:

--Als ik zoo groot ben als jij Heintje, dan ga ik mee.

En ook zijn durf zonk. Als hij haar achterliet, zou zij alleen de

slaag oploopen.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 11 / 37 题