De volgende morgen was ze 't nog volstrekt niet vergeten; ze hernieuwde
de aanval en snauwde:
--Waarom giechelden jullie dan zoo gisteravond?
--Ikke moe?
--Nou jij of je broer... dacht je soms dat ik kledder in m'n ooren
heb... hange laat ik me als jullie niks gerold hebben; maar pas-op,
laat ik er niet achter komme. Ik breek je nek en beene.
Heintje vond het sekuurder er niet tegen in te pruttelen, antwoordde
maar niets, hield zich koest,--en zij dacht weer dat ze uit werken
moest, durfde uit angst voor haar buikontsteking niet opnieuw te
beginnen.
Om de schrik erin te houden snerpte ze toch:
--Jullie brenge ieder vandaag minstes een halve soof thuis... versta
je, anders blijf je buiten de deur.
--Jawel, je hebt 'et maar voor kommandeere, schampte Hein brutaal
terug.
Ze luisterde al niet meer naar hem, liep weg naar Toos, om haar halve
dag, d'er zeven stuivers te gaan verdienen.
't Werd stil en kil in 't vertrek nu de moeder de pas had
vrijgelaten. De kinderen keken mekander aan en oogden dan door de
leege kamer.
--Valt er niks te klabatsen? gnuifde Heintje, geen appele of mellek?
--Nee, lawwe ma'r gaan... Toos dat is dichtbij... Ze kan zóó werom
weze!
Het angstte in kleine Bet, dat moeder plots terug zou komen en daarom
trok ze hem mee.
Hein, onwillig, verzette zich. Zoo'n haast had het niet! Hij likte
even aan de boter en plaagde haar met haar bangheid.
Dan schoven ze lam-voetig de deur uit en schoffelden de straat op.
De moeder, die even om de hoek kwam gluren, schreeuwde op hen toe:
--Denk erom, wat ik heb gezegd!
Allebei schokten ze onverschillig met de schrale schouders, ineens
brutaal--en Hein, nu buiten bereik van zijn hardhandige moeder, riep:
--Haas je ma'r niet!
De moeder, al weer aan 't werk, hoorde het niet eens.
Onverschillig slenterden Heintje en Bet de straat op, onwillig-strak
hun gezichten.
--Een halve soof, 't zal mooi weze as we 't met z'n tweeën maken,
wijsneusde hij.
Bet nikte, zei dan:
--Ze hêt het maar voor 't zegge. 't is of we 't van de straat rape!
Hein gaf geen antwoord.
't Was nog vroeg en zaterdagmorgen, alle menschen in drukte van
haast. Ze wisten niet waar ze naartoe zouên gaan, sjokten rond. Dan
trokken ze op de Roomsche kerk aan om daar te bedelen bij de ingang. Ze
gapten een stronk kool van een groentekar en brachten die thuis,
zeggend tegen moeder die al terug was dat ze die hadden gekregen. 's
Middags gingen ze naar de bakkers om oud brood te vragen, die, dat
wisten ze op zaterdagmiddag nogal scheutig waren, omdat ze 's avonds
toch weer versch hadden en van die droge korsten wel afwilden.
Later, in de na-middag, begon het gevraag, eerst langs de huizen,
bij de dienstmeiden, daarna weer op de volle straat.
Ze voelden zich erg opgewekt, want ze hadden nog altijd in petto
dat weggestopte dubbeltje,--en nu ze 't niet zoo noodig hadden,
liep 't mee. 's Avonds telden ze bij elkaar: een en veertig cent,
dat ging nogal.
--'t is meer dan genoeg, besliste Hein, het duppie lekker late legge!
--Natuurlik, wat dach-je dan, brabbelde kleine Bet. 't Ligt daar fijn!
Thuis klakkerde moeder: Een en veertig cent en mijn eigen vijf en
dertig, die ik verdiend heb, èn de kool en 't ouwe brood, ziezoo, dat
kan. Ze zette een tevreden gezicht en de kinderen vergaten hun ellende.
De volgende dag, Zondag, brachten Hein en Bet het zelfs tot zeven en
vijftig--en ook de daarop volgende dag, maandag, werd het met andere
akkevietjes bijna een halve gulden.