IV.

In 't nauwe slopvertrek geelde 'n klein lichtje over de verwaarloosde,

stukkende stoelen die in haar zwartheid eruit zagen als zwarte knokels

in een knekelhuis.

Op de tafel met allerlei rommel, tusschen ongewasschen koffiekommen,

lag naast 'n bus voor suikerpot gebruikt en tusschen lepels een

kam, een uitgewrongen vaatdoek. Bij 't aanrecht stond de moeder,

'n zwart-verellendigde, grof-nijdige vrouw, aan 't werk. Met norsch

gezicht keek ze op nu Hein en Bet binnen kwamen; ze zei niets.

Dit verontrustte wel.

Sjofel schoffelden ze naar de tafel, vischten dan de centen uit hun

zak en legden die met kromme vingers op een hoopje, telden ze en

bleven er zelf beteuterd bij staan.

--Is dat alles? snauwde de moeder.

--'t is vrijdag, de lamp hangt scheef!

--Ja, schei ma'r uit... dàt kenne we... as ik op jullie most rekene,

godbewaar me, dan bleve we geen dag in 't leven.

Betje peuterde in haar neus.

--Mot ik je van die paar ellendige cente soms te vrete geve?

--Ze woue niet bijte! zei Heintje ineens kortaf.

Betje nikte tot bevestiging en keek dan haar broertje vragend aan.

--Welzeker, jij ook nog... 't grootste gelijk van de wereld as ze

niks inbrengen.

--Ze hadde me bijna ingepikt, verdedigde Hein zich, weer brutaal.

--Hadde ze 't maar gedaan... dat gav' de goeie God! 'k Was ineens

van jullie af... toch niks dan last!

De kinderen zwegen.

Tegen deze redeneeringen viel weinig in te brengen; ze staarden

erbarmelijk voor zich uit.

--Kom, maak maar wat vort... hier, pak aan je pap... en dan op slag

naar je nest!

Hein en Bet, ze grepen beiden naar 'n bord. Ze schoven zich naast

elkaar aan tafel, likten en slikten, eerst wat schroomvallig door

die onverwachte sneue uitval, hapten dan met volle lepels door, toch

nog stil en bevreesd voor een opstopper, en door hun eigen gevoel

van schuldbesef.

De moeder ritste de centen bij elkaar, liet ze in haar zak glijden,

en ze mopperde nog eens:

--'t is god beter-me een kap'taal wat jullie daar binnen brenge!

Ze snoof haar neus eens uit, ongesjeneerd, alsof dat werkje heelwat

beteekende, ging stug aan haar werk, begon met veel drukte de gootsteen

uit te boenen.

Morgen voormiddag had ze een halve werkdag aangenomen, om bij Toos

die ziek lei, de boel aan kant te maken, en ze moest haar eigen

huiswerk toch nog eerst af ploeteren. Als de buik haar nu maar met

vreê liet. Want sedert haar laatste kraam was ze niet meer gezond,

tobde ze van de eene dag in de andere en kon nergens staat op

maken. Wat de dokters daaraan deden, dat bleef ook bij nou en dan

een prop zetten! Ze had soms een pijn, dat ze er niet mee voortkon,

en rezenabel moest gaan liggen. Werk dan maar eens!

Het eenigste wat ze nog kon doen met die zieke buik was grofstoppen

voor buren, 'n stuiver voor een paar, gaten als vuisten, waar je maar

wat aan te sappelen kreeg om een schelling per dag te halen! Een

geluk toch nog, dat ze die kinders had! Hoe moest ze er anders

komen? Krepeeren van honger, natuurlijk! Klaas, haar kerel, die zat

nu toch over de zes maanden in de doos, voor dat partijtje oud lood

moeren, of liever willen moeren, want ze waren al gesnapt voor ze

nog een mes d' erin hadden. En 't duurde zeker wel bijna drie maanden

voor-ie los kwam. Wie dacht in die tijd aan haar? Niemand! Je mot je

zellef ma'r in 't leve zien te hoûe!

Ze schuurde en boende fel van neteligheid en gif, dat het water over

de gootsteen heen spatte en haar bemorste,--en ze snauwde weer tegen

de kinderen, die opschrikkend uit hun zacht gesmoes, opnieuw aan 't

lepelen gingen. De borden hadden ze allang leeg gegeten en ze zaten

met de lepel in de hand.

Dat opschrikken van die twee maakte haar klaar opmerkzaam, dat er

iets niet pluis moest wezen. Ik zal ze in de smiezen hoûen, zei ze

bij zichzelf.

Zij deed, alsof ze weer aan 't boenen ging, maar bukte zich zóó,

dat ze onder haar arm kon doorkijken. Nu zag ze duidelijk, dat

Heintje met z'n oogen en z'n mond verdachte bewegingen maakte,

een mond-vertrekken dat duidelijk zei: niks zegge hoor, je snuit

houê! Zij begreep het al opperbest, dat er tusschen die twee wat

schuilde, iets niet recht-toe. En wat zou 't anders kunnen wezen dan

geld achterbaks hebben.

Gezwind keerde ze zich om, stond ineens dreigend voor de kinderen, met

grove, weinig goeds zeggende oogen. Rauw schorde ze en schreeuwde ze:

--Zeker cente achtergehoûe!

--Ikke?

--Ja jij... of anders Bet... één van je tweeë!

--Nie-waar, ikke niet, huil-schreide Betje al.

--Wie dan? spreek op!

Ze schudde haar door elkaar, om haar gauwer te laten bekennen. Maar

Betje griende en zei aldoor opnieuw:

--Nee-nee, ik niet...!

Heintje kwam zijn zusje te hulp en zei driest dat ze alles had

afgegeven.

--Ei, ei, wat wete jullie dat precies van mekander, dat is wel kasueel!

Zij kruiste de grove armen over de magere borst, keek Hein, dan weer

Betje venijnig-onderzoekend aan.

--Wel-wel, die staan je daar in je gezicht uit te liegen! herhaalde

ze nog eens en wilde weer aan haar werk gaan.

--Ikke, ik heb niet weggestopt, verdedigde zich Heintje. Ik weet van

niks... en kleine Bet ook niet!

Dat werd haar te machtig, raak'lings keerde ze zich om, greep Hein

in zijn hes, trok hem hardhandig naar zich toe en schor-schreeuwde:

--Wil je 't zegge, aap die-je bent!

--Ik weet niks, ik weet niks, gilde hij terug.

Zij liet hem eensklaps los, greep hem dan opnieuw, schudde hem hevig

door elkaar, gaf hem nog een paar meppen op 't hoofd en een paar

poffen in de rug en hield hem geknepen in haar sterke knuisten.

--Zal je 't zeggen, rekel!

--La-me los, gemeenerik! schold Heintje.

Toen kneep ze kleine Bet in de arm, zoodat die 't uitgilde en treiterde

opnieuw. Ze wilde 't eruit hebben en werd al heftiger.

--Zoo'n stinkding die ook al steelt, schold ze. Dan sloeg ze er maar

weer op.

Ze schoot niet op. In haar onmacht woest, stond ze aldoor opnieuw

te dreigen.

-- Allé, je uitkleeje, heelemaal! tierde ze nu.

Met wriemelige kromme vingers onderzocht ze de kleeren, doorvoelde

de scheeve schoenen, de zweeterige kousen, betastte de naden. Niets

vond ze, en toch, 't stond wis-en-zeker bij haar vast, dat ze hadden

weggemoffeld.

Opnieuw kneep en schold ze, trok en sloeg, maar zonder eenige

uitkomst. Betje schreeuwde en gilde. Hein trapte terug en dan moest

ze zich verweren. Aan 't eind zelf moe en afgebeuld, zakte ze erbij

neer, huilde nijdig, joeg ze hen naar bed en ging vloekend weer aan

't boenen.

Maar nog kramperig van al die opwinding deed de buik haar pijn; met

beide handen moest ze er tegen drukken en ze kermde het uit. Even

moest ze wel gaan zitten, vol wee en angst, dat ze met die zieke buik

morgen nog haar halve dag bij Toos zou misloopen; en wat dan?

In de bedstee lagen de kinderen stil, maar na een poosje veranderde

dat; ze hoorde een onderdrukt giechelen en ginnegappen van die twee. O,

't was om uit je vel te springen van venijn, over dat krapuul! 't

Gaf niks al sloeg je d'er nog zoo op los!

Vol nijd sprong ze ineens weer overeind, stond voor de bedstee, groot

en stronkerig, feldreigend, en de kinderen kropen in de dekens weg,

gaven geen antwoord. Opnieuw sloeg ze erop los haar eigen handen

kneuzend op de bulterig ineengekrompen lijven.

Dan ging zij naar tafel, sneed het brood, dikke hompen brood voor

hun drieën.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 9 / 37 题