In 't nauwe slopvertrek geelde 'n klein lichtje over de verwaarloosde,
stukkende stoelen die in haar zwartheid eruit zagen als zwarte knokels
in een knekelhuis.
Op de tafel met allerlei rommel, tusschen ongewasschen koffiekommen,
lag naast 'n bus voor suikerpot gebruikt en tusschen lepels een
kam, een uitgewrongen vaatdoek. Bij 't aanrecht stond de moeder,
'n zwart-verellendigde, grof-nijdige vrouw, aan 't werk. Met norsch
gezicht keek ze op nu Hein en Bet binnen kwamen; ze zei niets.
Dit verontrustte wel.
Sjofel schoffelden ze naar de tafel, vischten dan de centen uit hun
zak en legden die met kromme vingers op een hoopje, telden ze en
bleven er zelf beteuterd bij staan.
--Is dat alles? snauwde de moeder.
--'t is vrijdag, de lamp hangt scheef!
--Ja, schei ma'r uit... dàt kenne we... as ik op jullie most rekene,
godbewaar me, dan bleve we geen dag in 't leven.
Betje peuterde in haar neus.
--Mot ik je van die paar ellendige cente soms te vrete geve?
--Ze woue niet bijte! zei Heintje ineens kortaf.
Betje nikte tot bevestiging en keek dan haar broertje vragend aan.
--Welzeker, jij ook nog... 't grootste gelijk van de wereld as ze
niks inbrengen.
--Ze hadde me bijna ingepikt, verdedigde Hein zich, weer brutaal.
--Hadde ze 't maar gedaan... dat gav' de goeie God! 'k Was ineens
van jullie af... toch niks dan last!
De kinderen zwegen.
Tegen deze redeneeringen viel weinig in te brengen; ze staarden
erbarmelijk voor zich uit.
--Kom, maak maar wat vort... hier, pak aan je pap... en dan op slag
naar je nest!
Hein en Bet, ze grepen beiden naar 'n bord. Ze schoven zich naast
elkaar aan tafel, likten en slikten, eerst wat schroomvallig door
die onverwachte sneue uitval, hapten dan met volle lepels door, toch
nog stil en bevreesd voor een opstopper, en door hun eigen gevoel
van schuldbesef.
De moeder ritste de centen bij elkaar, liet ze in haar zak glijden,
en ze mopperde nog eens:
--'t is god beter-me een kap'taal wat jullie daar binnen brenge!
Ze snoof haar neus eens uit, ongesjeneerd, alsof dat werkje heelwat
beteekende, ging stug aan haar werk, begon met veel drukte de gootsteen
uit te boenen.
Morgen voormiddag had ze een halve werkdag aangenomen, om bij Toos
die ziek lei, de boel aan kant te maken, en ze moest haar eigen
huiswerk toch nog eerst af ploeteren. Als de buik haar nu maar met
vreê liet. Want sedert haar laatste kraam was ze niet meer gezond,
tobde ze van de eene dag in de andere en kon nergens staat op
maken. Wat de dokters daaraan deden, dat bleef ook bij nou en dan
een prop zetten! Ze had soms een pijn, dat ze er niet mee voortkon,
en rezenabel moest gaan liggen. Werk dan maar eens!
Het eenigste wat ze nog kon doen met die zieke buik was grofstoppen
voor buren, 'n stuiver voor een paar, gaten als vuisten, waar je maar
wat aan te sappelen kreeg om een schelling per dag te halen! Een
geluk toch nog, dat ze die kinders had! Hoe moest ze er anders
komen? Krepeeren van honger, natuurlijk! Klaas, haar kerel, die zat
nu toch over de zes maanden in de doos, voor dat partijtje oud lood
moeren, of liever willen moeren, want ze waren al gesnapt voor ze
nog een mes d' erin hadden. En 't duurde zeker wel bijna drie maanden
voor-ie los kwam. Wie dacht in die tijd aan haar? Niemand! Je mot je
zellef ma'r in 't leve zien te hoûe!
Ze schuurde en boende fel van neteligheid en gif, dat het water over
de gootsteen heen spatte en haar bemorste,--en ze snauwde weer tegen
de kinderen, die opschrikkend uit hun zacht gesmoes, opnieuw aan 't
lepelen gingen. De borden hadden ze allang leeg gegeten en ze zaten
met de lepel in de hand.
Dat opschrikken van die twee maakte haar klaar opmerkzaam, dat er
iets niet pluis moest wezen. Ik zal ze in de smiezen hoûen, zei ze
bij zichzelf.
Zij deed, alsof ze weer aan 't boenen ging, maar bukte zich zóó,
dat ze onder haar arm kon doorkijken. Nu zag ze duidelijk, dat
Heintje met z'n oogen en z'n mond verdachte bewegingen maakte,
een mond-vertrekken dat duidelijk zei: niks zegge hoor, je snuit
houê! Zij begreep het al opperbest, dat er tusschen die twee wat
schuilde, iets niet recht-toe. En wat zou 't anders kunnen wezen dan
geld achterbaks hebben.
Gezwind keerde ze zich om, stond ineens dreigend voor de kinderen, met
grove, weinig goeds zeggende oogen. Rauw schorde ze en schreeuwde ze:
--Zeker cente achtergehoûe!
--Ikke?
--Ja jij... of anders Bet... één van je tweeë!
--Nie-waar, ikke niet, huil-schreide Betje al.
--Wie dan? spreek op!
Ze schudde haar door elkaar, om haar gauwer te laten bekennen. Maar
Betje griende en zei aldoor opnieuw:
--Nee-nee, ik niet...!
Heintje kwam zijn zusje te hulp en zei driest dat ze alles had
afgegeven.
--Ei, ei, wat wete jullie dat precies van mekander, dat is wel kasueel!
Zij kruiste de grove armen over de magere borst, keek Hein, dan weer
Betje venijnig-onderzoekend aan.
--Wel-wel, die staan je daar in je gezicht uit te liegen! herhaalde
ze nog eens en wilde weer aan haar werk gaan.
--Ikke, ik heb niet weggestopt, verdedigde zich Heintje. Ik weet van
niks... en kleine Bet ook niet!
Dat werd haar te machtig, raak'lings keerde ze zich om, greep Hein
in zijn hes, trok hem hardhandig naar zich toe en schor-schreeuwde:
--Wil je 't zegge, aap die-je bent!
--Ik weet niks, ik weet niks, gilde hij terug.
Zij liet hem eensklaps los, greep hem dan opnieuw, schudde hem hevig
door elkaar, gaf hem nog een paar meppen op 't hoofd en een paar
poffen in de rug en hield hem geknepen in haar sterke knuisten.
--Zal je 't zeggen, rekel!
--La-me los, gemeenerik! schold Heintje.
Toen kneep ze kleine Bet in de arm, zoodat die 't uitgilde en treiterde
opnieuw. Ze wilde 't eruit hebben en werd al heftiger.
--Zoo'n stinkding die ook al steelt, schold ze. Dan sloeg ze er maar
weer op.
Ze schoot niet op. In haar onmacht woest, stond ze aldoor opnieuw
te dreigen.
-- Allé, je uitkleeje, heelemaal! tierde ze nu.
Met wriemelige kromme vingers onderzocht ze de kleeren, doorvoelde
de scheeve schoenen, de zweeterige kousen, betastte de naden. Niets
vond ze, en toch, 't stond wis-en-zeker bij haar vast, dat ze hadden
weggemoffeld.
Opnieuw kneep en schold ze, trok en sloeg, maar zonder eenige
uitkomst. Betje schreeuwde en gilde. Hein trapte terug en dan moest
ze zich verweren. Aan 't eind zelf moe en afgebeuld, zakte ze erbij
neer, huilde nijdig, joeg ze hen naar bed en ging vloekend weer aan
't boenen.
Maar nog kramperig van al die opwinding deed de buik haar pijn; met
beide handen moest ze er tegen drukken en ze kermde het uit. Even
moest ze wel gaan zitten, vol wee en angst, dat ze met die zieke buik
morgen nog haar halve dag bij Toos zou misloopen; en wat dan?
In de bedstee lagen de kinderen stil, maar na een poosje veranderde
dat; ze hoorde een onderdrukt giechelen en ginnegappen van die twee. O,
't was om uit je vel te springen van venijn, over dat krapuul! 't
Gaf niks al sloeg je d'er nog zoo op los!
Vol nijd sprong ze ineens weer overeind, stond voor de bedstee, groot
en stronkerig, feldreigend, en de kinderen kropen in de dekens weg,
gaven geen antwoord. Opnieuw sloeg ze erop los haar eigen handen
kneuzend op de bulterig ineengekrompen lijven.
Dan ging zij naar tafel, sneed het brood, dikke hompen brood voor
hun drieën.