III.

Op hun suikerbrok zuigend, vettig smikkelend, sloegen ze de weg in

naar huis.

Het druk-woelige, het jagen en stuwen van de groote stratenstad,

het rijden en rossen der wagens, het geschreeuw van voerlui en

't gerammel van handwagens, de volte en drukte waartusschen ze in

hun kleinheid bijna beklemd raakten, dat liet hen alles nu nog meer

onaangedaan en koud.

Ze voelden zich volkomen vredig. 't Was wel niet te veel wat ze thuis

brachten, maar 't kon. Niet alle dagen ging het tof. Straat uit,

straat in, sjokten ze voort de weg op naar huis, toch wel in het vaag

besef dat dertien en veertien cent te zamen, niet zoo'n groot bedrag

uitmaakte, maar ze waren nu eenmaal gelukkig door 't krijgen van een

kwartje-in-eens, wat haast nooit voorkwam.

--'t Zal me verwondere wat we voor eten krijge? sprak kleine Bet na

een poos.

--'t Zal wel niet veel weze!

--Wat denk-je?

--Op vrijdag geeft geen mensch wat weg, ze beware 't zelf. Brood

natuurlik of pap zal 't wezen. Morgenavond krijgen we

pottekoek. Vandaag niks.

--Kun-je niet weten! zei Betje ineens wijsgeerig, misschien is er wat.

Heintje haalde zijn schouders op en lachte om haar goedgeloovigheid. Ze

kakelden door, vergaten hun dubbeltje te verstoppen.

Dicht bij de steeg waar ze woonden, dacht zij ineens eraan, trok hem

bij zijn hes terug en zei met haar kleine stem zeer beslist:

--Nee, eerst overlegge... we geve 't dubbeltje niet af.

--Waar wil-je 't dan late?

--In een pampiertje doen.

--En dan?

--Verstoppe!

--En waar wil je dat dan verstoppe?

Ze werd door al zijn vragen wel wat verward, keek beteuterd voor zich

weg en zocht naar een nieuw middel.

--In mijn schoene! zei ze nu, toch wat aarzelend.

--Vinde ze dadelik.

--In m'n haar.

--Valt er toch uit!

Sprakeloos tuurde ze opnieuw naar de grond en wist niet wat ze moest

bedenken.

--'k Weet wat... in je voering, zei ze plots, als deed ze een groote

vondst.

--Ik zou je danke... wil niet doodgeslage worde, antwoordde hij al.

Een kribbeling van nijd door zijn niets goed-vinden kwam in haar

op. Ze smaalde:

--Och jij, je bent ook zoo bang!

--Nee, jij bent het zeker niet, jij schreeuwt al voor ze je anrake.

--Zoo, dreinde ze treiterend terug, door dat argument niet gebluft. En

weer had ze iets anders.

--Ik weet het, ik weet 'et! juichte ze.

--Nou, wat dan?

--Begrave!

Deze gedachte vond hij al even slecht als de andere, toch moest er

iets gebeuren om 't dubbeltje te kunnen houden. Hij wierp alleen nu

nog tegen:

--Dan motte we wachte tot het donker wordt.

--Nou, wat zou dàt, we hebbe ommers de tijd.

Ze gingen nu terug de stad in, dwaalden daar rond, versnoepten een

cent van hun geld, nog één--en werden straatmoe.

--Late we nou maar afgeve, vermaande Heintje die voelde dat het mis

zou loopen.

--Nee, nee! weerde zij terug, star vasthoudend aan haar begrip om wat

over te houden voor een andere dag, want het geval van een kwartje

ineens te hebben gekregen, bleef in haar als een heel groot feit.

--As we alles afgeve, hebbe we morrige weer te weinig!

--Ja, dat kan wel!

Het donker begon al te vallen, nog heel langzaam, heel traag, nu

in September, de dagen aldoor kortend, al over zevenen. En in dit

trage naderen van 't donker, zochten ze heel voorzichtigjes naar

een plekje aan de voet van een boom die ze gemakkelijk terug konden

vinden, in 't plantsoentje bij de Martelaarsgracht. Maar daar ginds

zaten nog een paar menschen op de bank en ook speelden er jongens,

ze moesten wachten.

Met uitgestreken gezicht slenterden ze rond het hek, gluurden er over

heen, gingen door, kwamen terug en het wantrouwen sloop overal mee

achter hen aan.

Het aandonkerend groen van de heesters leek al zwart en tegen de

huizen gleden groote schaduwen.

Overal twinkelden door 't twijfeldonker heen de lichtglimpen

der winkels, vage lichtspikkels, die als piekerende oogjes hen

aangluurden. De tram rolde gierend voorbij met menschen, die van

het bordes naar hen keken--en vaak moesten ze weer wegschuilen,

omdat een diender of stille bleef staan, hen wantrouwend bekijkend.

De noordewind, toch al scherp, al was 't nog vroeg in 't najaar,

schuurde over de Prins-Hendrikkâ, langs hun ooren,--en ze merkten

gevoelig de kou, want die drong nijdig door hun dunne kleeren.

Tegen het hek aan scheukte hij met zijn schrale schouders, hij wilde

het plan wel opgeven en zij keek armoedig.

Maar nu ging de man in zijn dikke jas weg--en ook de ravottende

jongens liepen een heel eind ver. De policieagent, die zoo lang had

staan turen, verwijderde zich langzaam en het oogenblik werd gunstig.

Ze slopen nu het plantsoen in schichtig achter elkaar alsof ze een

misdaad bedreven. Het belgetjinkel van de tram klonk fel in hun ooren

en ze vroegen zich of de policie-agent niet terug kon komen.

Het pad in 't plantsoen lag al schemerig in het halve avondduister,

voor hun speurende oogen nauwelijks meer zichtbaar, een grauwige

kronkelstrook, om de hoek erg geheimzinnig en daar geheel zwart,

zoodat er best iemand verscholen kon zitten. Rondom huifde het donkere

groen waar-tusschen de kille najaarswind heenstreek en dit voelden

ze ook als een gevaar. Dan weer hoorden ze opnieuw dat felle gebel,

dat schuifelend geknars van een aankomende nieuwe tram.

--Blijf jij nou hier Bet, snerpte hij heesch. En dadelik sissen hoor,

as je wat ziet!

Betje dorst bijna geen adem geven, knikte maar.

Hij sloop, de handen langs zijn knieën, een pas of tien vooruit en dan

op de ronding van 't pad, bukte hij zich, grabbelde, groef haastig

een gat, dicht bij een boom waar rondom donkere heesters stonden,

stopte het papiertje met het dubbeltje zenuwachtig in de grond,

keek, op zijn hurken zittend, nog even om of hij niet werd gezien,

of hij niemand zag. Nee, niets verdacht!

Geheel ontdaan was hij en bleek nu hij bij Betje terugkwam. Alsof

hij een ware schelmenstreek had uitgevoerd, keek hij nog telkens om,

en trok haar mee.

Armoedig stapten ze nu op huis aan met onvaste, hakkelende pasjes.

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 8 / 37 题